Wie te Biarritz een poos verblijft, gaat onvermijdelijk, al was 't ook
maar heel eventjes, over de grens, tot in Spanje. Dat zou niet anders
kunnen. Men moet toch, thuisgekomen, mogen zeggen:
--Ik ben ook in Spanje geweest.
Wij zijn er dus ook geweest.
De auto betaalt twaalf frank inkomrecht voor één dag verblijf, twaalf
frank, die niet worden teruggegeven. Het land is arm, men moet wel iets
voor armen over hebben.
't Is anders al niet veel de moeite waard. 't Is al weer het zelfde als
aan dezen kant der Pyreneeën. Aan de overzijde der Bidassoa, het
grensriviertje, staat een douanier die een ander uniform draagt dan de
Fransche en dat is alles. Ge zijt in Spanje. Geen speciale typen, geen
nationale kleederdracht, geen apart karakter van dorpen of steden. De
bruine bergen, de bruine menschen, de bruine ossenspannen, 't is nog en
steeds dezelfde kleurlooze, Baskische streek. Alleen de weg vertoont een
gunstig verschil met vele Fransche wegen. Alonzo is een sport-koning,
zijn zomerpaleis staat hier in de buurt, te San Sebastian, en van daar
uit tot aan de Fransche grens heeft hij een prachtweg laten aanleggen.
Al is het ook een sterk dalende en stijgende, bochtige bergweg, men
hoeft niet zoo voorzichtig te rijden: iedere bocht ligt met een schuine,
hooge helling aan den buitenkant, als in een wielerbaan, zoodat men geen
gevaar loopt er uitgeslingerd te worden.
Zoo komt men al spoedig in San Sebastian aan. Een tamelijk groote,
moderne, banale stad, met hooge huizen en rechte straten. Een mooie
baai, de Concha, waar ook het nog al onbeduidende koninklijk paleis
staat, en daar omheen een massa luxe-villa's en hôtels, die allemaal
gesloten zijn.
Waarom hier allen gesloten en waarom in Biarritz allen bewoond? Het is
precies dezelfde streek, precies dezelfde zee, precies hetzelfde
klimaat, precies hetzelfde volk, zou ik haast zeggen. Waarom? Omdat de
mode, het cosmopolistisch snobbisme het zoo wil. En 't eigenaardigste is
nog wel, dat het in hoofdzaak Spanjaarden zijn, Spanjaarden uit San
Sebastian, die aan de mooie Concha van San Sebastian hun villa's hebben,
die nu op 't oogenblik in de hôtels van Biarritz op elkaar gehokt
zitten. Waarom....?
Explique qui pourra!
EEN GEOGRAFISCHE VERGISSING
OF:
WAAROM IK FUENTERRABIA NIET ZAG.
Over denzelfden prachtweg van den Spaanschen sport-koning reden wij naar
Biarritz terug. Maar in 't voorbijgaan zouden wij 't beroemde
Fuenterrabia bezoeken. Hoe of dat nu zoo in mijn hoofd zat begrijp ik
niet, maar vast als een klinker in den steenweg zat het er in, dat
Fuenterrabia niet in Spanje, doch in Frankrijk lag.
--La route pour Fontarabie, monsieur? vroeg ik aan den Franschen
douanier, die ons op de brug der Bidassoa, voor de visitatie, even
tegenhield.
--Fontarabie, mais vous en venez, monsieur! klonk het verbaasde
antwoord.
--Fontarabie n'est donc pas en France?
--Mais non, mais non, monsieur. En de man deed mij uiteen hoe ik, te
Pasaje, tusschen San Sebastian en Iroen, links had moeten inslaan.
--Laten we terugrijden; we willen Fuenterrabia zien! riepen eenstemmig
mijn dames.
--Zou ik weer over de brug mogen zonder een tweede maal tol te betalen?
vroeg ik den Franschen douanier.
De man trok een zeer bedenkelijk gezicht.
--Je n'oserais pas l'affirmer; ça dépend du douanier Espagnol. Vous
pourriez toujours essayer, zei de Franschman.
Ik reed mijn wagen op zij, stapte uit, kwam over de brug, bij den
Spaanschen tolbeambte.
--Señor, begon ik, in 't beetje Spaansch dat ik ken, en bracht op
beleefden toon mijn verzoek uit.
--No, señor, antwoordde de Spanjaard, kalm maar beslist het hoofd
schuddend.
--Ja maar, het is 'n vergissing, señor, ik dacht dat Fuenterrabia in
Frankrijk lag, drong ik aan.
--'t Kan me niet schelen, señor, zei de man. Als ge weer in Spanje
wilt, moet ge betalen: twaalf pesetas! En hij dokte met zijn rechterduim
in zijn linker handpalm om het mij duidelijk genoeg te maken.
--Als 't zoo is, stik, señor, jij en je schooiersland, besloot ik in
behoorlijk nederlandsch, en keerde terug naar mijn wagen.
--Non? vroeg mij van verre, met een glimlachende hoofdschudding, de
fransche douanier.
--Non, hoofdschudde ik, berustend, tot antwoord.
--Si vous lui aviez donné quelques pesetas de pourboire, vous auriez
bien passé, zei de Franschman.
Daar had ik niet aan gedacht. Mijn dames, vast besloten Fuenterrabia te
zien, wilden dadelijk het fooi-middel probeeren.
--Neen, zei ik, beslist. Die onhebbelijke señor krijgt nu eens geen
fooi. En de Spaansche tol krijgt ook geen tweede maal twaalf pesetas.
Die gansche streek is heusch geen twaalf pesetas waard.
Maar mijn dames wilden Fuenterrabia zien.
Er is een ander middel, zei de Fransche douanier. Rijdt naar Hendaye, de
eerste weg links, daar boven op den berg, en laat u van daar uit in een
bootje naar Fuenterrabia overzetten.
Wij reden....
Maar 't was een dag van tegenspoed en van vergissing; ik vond den weg
niet boven op den berg, reed door, steeds zoekend, kwam eindelijk, in
plaats van te Hendaye, in Saint Jean de Luz aan.
--La route pour Fontarabie, monsieur? riepen mijn dames tot den eersten
man, dien zij konden aanklampen.
--Vous en venez, mesdames! klonk het verbaasde antwoord, net als op de
brug van de Bidassoa.
Mijn dames begonnen kwaad te worden, kwaad op mij.
--Hoe is 't toch mogelijk! riepen zij geërgerd.
--Fuenterrabia bestaat niet meer, antwoordde ik met een ernstig gezicht.
Heusch, ik heb onlangs nog gelezen dat het niet meer bestaat. Maar er
zijn nog prentbriefkaarten van. Laten we die hier koopen, dan hebben we
't tòch gezien.
Ik kreeg een parasol-slag op mijn hoofd:
--Wil je wel dadelijk rechtsomkeer maken?
Ik maakte, gedwee als altijd, dadelijk rechtsomkeer, maar de auto,
ditmaal, maakte die niet zoo gewillig mee. 't Was of hij zeggen wou:
"Nee, nee, ik heb er nu genoeg van. Laten we nu hier 'n poosje kalmpjes
blijven."
't Is gek, zei ik, tot mijn dames: ìk wil wel, maar de wagen wil niet
meer. En ik steeg uit, om te zien wat er aan scheelde.
Alle twee mijn voorbanden plat! Spijkertjeswee! Spaansche
grensspijkertjes!
Dames, zei ik met een wanhoopsgebaar....
't Hielp niks. Zij wìlden naar Fuenterrabia.
--Maar ik kàn niet, lievelingen. Laten we eerst gaan lunchen. Terwijl
zal ik hier, in een garage, mijn banden laten repareeren.
Verloren moeite. Zij wìllen Fuenterrabia zien. Zij bestellen een rijtuig
en vertrekken dadelijk, zonder lunchen, mij gansch alleen, met mijn twee
platte banden achterlatend.
Ik sukkel naar een hôtelletje, laat daar, terwijl ik lunch, om een
"mécano" telefoneeren. Al spoedig staan een paar kerels, in
werkboezeroen, om mijn wagen. Ik laat mijn visch in den steek, kom
buiten, vraag hen:
--Komen jullie mijn banden opleggen?
Een hoofdschuddend gegrinnik; geen antwoord. O, 't zijn kijkers,
hinderaars. Ik haast me weer naar binnen. Te laat: de lekkere
vischschotel is verdwenen.
Daar zijn er nog twee. Die komen toch wel zeker om te helpen, want de
een loopt snuffelend als een speurhond rondom den wagen, terwijl de
ander, met zijn handen, de voorbanden nog platter drukt. Weer leg ik
vork en mes neer, kom buiten, zeg aan den man, die op de banden duwt:
--Er zit door iederen band een spijker; daar onder in den bak zijn
nieuwe binnenbanden.
Een gegrinnik, geen antwoord, maar druk lach-gepraat met de twee andere
vlegels, in een onverstaanbare taal.
Als ik in de eetzaal terug kom is mijn bord met roastbeef en groenten
opgeruimd.
En weer komen er nieuwe pummels om den wagen....
Ik wensch aan vriend noch vijand te Saint Jean de Luz vóór het
hôtelletje "en panne" te staan. Dertig Baskische pummels--ik heb ze
geteld--verdrongen elkaar gedurende een uur met de handen in hun zakken,
terwijl de banden werden opgelegd. De beide "mécanos", die eindelijk uit
de garage waren opgedaagd, zweetten van ergernis en benauwdheid midden
in al dat hinderend volk, dat daar als een inerte en onverdrijfbare
massa omheen stond. Zelfs toen alles klaar was en ik aan het stuur van
den snorrenden wagen zat, schenen ze niet te begrijpen, dat ze uit den
weg moesten gaan om niet omvergereden te worden. Het scheelde bitter
weinig of een groote dikkerd met een kleine pet op, die halsstarrig zijn
vleezigen poot op het spatbord bleef zetten, werd een eind meegesleept.
En mijn dames....?
Eerst om elf uur 's nachts, uitgehongerd en opgewonden, kwamen zij, per
spoor, in Biarritz terug. Zij waren vreeselijk afgezet geworden,
bedrogen, bestolen, zoodat zij nog nauwelijks genoeg over hadden om
derde-klasse biljetten te nemen. Maar zij hadden genóten: Fuenterrabia
was heerlijk, prachtig, eenig op de wereld, en, aangezien ze nu goed den
weg kenden, wilden zij er den volgenden dag weer met mij heen.
Ik schudde mijn hoofd.
--Waarom niet? Het is prachtig! jammerden mijn dames.
Ik schudde mijn hoofd; ik blééf, zonder een woord te spreken, mijn hoofd
schudden.
--Jawel, je gaat mee, drongen zij aan.
Mijn hoofd schudde vanzelf, als een los poppenhoofd op een pinnetje, van
neen, van neen, van neen.
Mijn dames haalden minachtend de schouders op.
Aldoor schuddend, van neen, van neen, en nóg van neen, verdween mijn
wiebelend, maar stijfkoppig hoofd, door de stille hôtelgangen, naar het
slaapvertrek.
En zoo heb ik Fuenterrabia _niet_ gezien.