CAMBO.

De weg van Lourdes naar Biarritz valt tegen, na de verrukking van de

wondertocht tusschen Carcassonne en Lourdes. Pau, het rijke, maar

benauwende Pau met zijn witte prachthôtels en mooie tuinen kon ons

slechts matig boeien en met weemoed keken wij voor 't laatst naar de

glanzend-witte sneeuwtoppen der Pyreneeën, die wij niet meer zouden

zien. Pau mocht liever "Pot" heeten. Men kan er overvloedig

transpireeren, maar hoogst bezwaarlijk ademhalen. Bijna nooit schijnt er

een tochtje frissche lucht over die lauwe kuip te waaien. Je krijgt een

indruk van stil en gelijkmatig stikken. Zelfs onze zoo kranige motor

moet er onder lijden. Hij hijgt merkbaar en vat eerst weer goed adem als

wij uit dat stoombad en boven op de hoogte zijn.

Nu rijden wij volop door 't Baskisch land. Het zegt ons niet veel; het

is niet mooi van kleur. Bijna al de bergen, die vol staan met groote,

droge varens, hebben een donker-bruine-of-chocolade-tint en de huizen

zijn wit, met rood-bruine deuren en luiken. Dat is als de kleur zelve

van de geheele Baskische streek. De gezichten der menschen zijn bruin,

hun kleeren zijn bruin, hun wagens en ploegen en karren zijn bruin. Zij

lijken een stille, ernstige, sobere, ietwat gedrukte bevolking. Ook hun

kinderen--en hier komen ze veel talrijker voor dan overal elders in

Frankrijk--hebben dat stil-gedrukte over zich. Van hun taal, die men

zelden luid hoort spreken, begrijpen wij geen iota.

Cambo! het dorpje waar Rostand woont. Hier moet ik wel even ophouden.

Mijn dames zouden 't mij nooit vergeven als ik er zoo maar langs reed.

Waar zou hij toch wonen? Waar zou zijn villa staan, die villa, dat

kasteel, dat paleis, waarvan men wonderen vertelt.

--Dáár, zeg ik, op goed geluk af, naar een chaletje, dat boven op een

heuvel staat, wijzend.

Mijn dames zijn verontwaardigd, vinden mij een soort van heiligschenner.

De geniale dichter bewoont immers een soort van aardsch Paradijsje!

--Pardon, monsieur, vraagt een van mijn dames aan een man die juist

langs komt, pourriez-vous me dire où habite monsieur Rostand?

Goeie morgen, 't is of mijn dame Turksch sprak; de man haalt zijn

schouders op, begrijpt geen steek.

--Heusch, het is zoo, hoor maar, daar kraait een haan: Chantecler!

herhaal ik ongestoord.

Mijn dames gunnen mij zelfs geen blik meer. Zij beschouwen mij als een

láág wezen. Gelukkig komt ginds een oude cantonnier aan; die moet

natuurlijk Fransch kennen; en, zoodra hij in 't bereik is, klinkt

opnieuw de vraag:

--Pardon, monsieur, pourriez-vous me dire où habite monsieur Rostand?

--Là, zegt de man, omhoog naar het chaletje wijzend, precies zooals ik

zelf gedaan had....

Ik heb mijn triomf met bedaardheid gevierd. Ik heb niet gepoogd mijn

ontstelde dames onder mijn onbetwistbare superioriteit te vernederen.

Met haar was ik het er eens over dat de woning van den opgeblazen poëet

er uiterlijk niet bizonder poëtisch uitzag: een vrij gewone Baskische

villa, wit en roodbruin, als alle andere.

--Mais ce n'est pas beau! riepen mijn dames, op een toon van verwijt tot

den ouden cantonnier, alsof deze het beteren kon.

--C'est bien beau quand on est là-haut, verzekerde, kalm-bewust, de man.

--Peut-on visiter la propriété? vroeg nog een van mijn dames.

--Oh, non, madame, antwoordde de man meelijdend-glimlachend het hoofd

schuddend, als iemand zou doen aan wien een kind vraagt of het den

hemel mag bezoeken.

Mijn lieve dames waren zeer, zeer, zéér teleurgesteld.

De vroolijke tocht · 第 33 / 41 题