Alweer slingert zich de blonde weg, als een eindeloos-ver uitgestrekt
lint, over heuvelen en dalen, door het schoone land.
Helder-frisch-groen golven de bosschen met pijnboomen;
sombertragisch-groen, bijna zwartgroen staan de cypressen om de eenzame,
vale boerderijen. De wegwijkende bergen schijnen violette en roze
wonderen; en in de blauwe, diepblauwe, windlooze lucht, is 't als een
bad van zonnegoud.
De weg ligt open op de heuvelkammen in die zon en in die blauwheid, en
doet er denken aan een reuze-hagedis, roerloos zich koesterend in de
zachte warmte. Maar al spoedig daalt hij weer de diepte in en verdwijnt
onder een lommerrijk gewelf van enorme platanen. Daar ligt ergens een
vaalgrijs, provençaalsch dorpje of klein stadje, zoo heerlijk koel en
frisch beschaduwd, met een fonteintje op de markt, waaruit het water
spuit in zilverreine stralen.
Wat staan ze daar mooi, die oude platanen met hun bij plekken afpellende
grijze schors en hun groote, breede, nu bruinende bladeren. Zij hebben
de kleur van het land en 't romantisme van de streek. Zij staan daar als
de voor-vaderen der geslachten, die van oude, oude dingen weten te
vertellen. Zij staan daar als familie-boomen, met al hun zware,
krachtige, beschermende vertakkingen, en iedere boom lijkt op zichzelf
een gansche generatie.
Zij blijven dan ook in de kleine stadjes en de dorpen. Eenmaal buiten de
bebouwde kom vindt men ze niet meer, of ze zijn kleiner, schraler,
magerder, zonder opvallende beteekenis. Zij zijn weldra verdwenen zonder
dat men het heeft opgemerkt en laten den vagabonden weg zich verder in
zijn eenzaamheid over het wijde land heenslingeren.
O! die eenzaamheid der provençaalsche streken! Die stilte, die
roerloosheid overal om je heen! Men kijkt en ziet er niets bewegen; men
luistert en hoort er niets verroeren. Men hoort enkel het gesjirp der
krekels in het dorre, warme gras. Hoe komt het dat er hier geen enkel
dier rondzwerft? Dat er geen enkele vogel die mooie blauwe lucht
doorwiekt, noch in 't geheim der heesters en der bosschen zijn gezang
laat hooren....?
Helaas! er zijn geen vrije viervoetige dieren, noch vogels meer in 't
Fransche Zuiden! De jagers hebben alles doodgeschoten. De jagers....
zie, daar loopen ze, met weitasch en geweer. Het zijn nagenoeg de
eenige, levende wezens die wij, op dien mooien zondagochtend, langs den
weg ontmoeten. Gaat er, per ongeluk, nog ergens een vogel op uit een
boom, dadelijk is 't pan! pan! pan! uit twee of drie geweren te gelijk,
zoodat het slachtoffer zelden ontsnapt. Doch meestal vinden zij zelfs
niet de minste musch meer om nog op te schieten. Meestal is hun jagen,
zooals Daudet het zoo geestig in zijn Tartarin beschreven heeft. Juist,
die jagers zijn de Tartarins, de beruchte "pettenjagers". Geen enkel
stuk wild, geen enkele vogel meer vindend, gooien zij hun petten in de
lucht en trachten er gaten door te schieten. Dat is wel echt meridionale
sport; de jager geniet althans van 't voornaamste: het knallen van zijn
schot, het lawaai-maken! Dat hoort zoo bij de holle bombast van die
opgewonden kerels. Het verwondert mij niets, dat er zooveel beroemde
politieke redenaars uit 't Fransche Zuiden komen. 't Is slechts een
andere vorm van hun traditioneele pettenjacht. Het hol geknal der
woorden vervangt het hol geknal van de geweren. Die exuberante,
zuidelijke redenaars zijn de pettenjagers van het parlementarisme.