Niet op de oude, half in 't water neergestorte brug "où l'on danse en
rond" is het gebeurd; maar op de nieuwe, de moderne, die door
voetgangers en rijtuigen gebruikt wordt.
Ik weet niet of het dien dag in Avignon paardenmarkt of paardencongres
was: nog nooit, althans, heb ik ergens zooveel paarden, wagens, karren
en rijtuigen bij elkaar gezien! Het was er eenvoudig niet om door te
komen. Ik geloof heusch dat er iets-bizonders was voor paarden, op dien
dag, in Avignon. Ik blijf overtuigd dat Avignon en zijn omgeving _de_
paardenstreek bij uitstek is, zooals Haarlem en omgeving _de_ streek is
van de bollen.
Men kan een voorgevoel hebben van de dingen die gebeuren zullen. En 't
drong zich aan mij op, dat er, met ál die paarden, fataal iets moest
gebeuren.
En, werkelijk, het gebeurde....
Wij waren naar Villeneuve gereden, eertijds het zomerverblijf der
pausen, aan de overzijde van de Rhône, en keerden kalm na ons bezoek,
over de brug, naar Avignon terug.
Daar komt ons, in stormloop, iets te gemoet gehold. Een paard
natuurlijk, een van de duizenden "périlleux imbéciles" zooals Mirbeau ze
noemt, die ons den ganschen dag gehinderd hebben.
In stormloop, kop omlaag, de vier hoeven te gelijk op de brug dreunende
neerbonzend, een uit elkaar gesplinterd stuk hout krakend achter zich
meesleurend! Het is toch iets afschuwelijks, die paarden!
Haastig dring ik zooveel mogelijk op zij, mijn wielen tegen het
verhoogde gedeelte der vrij smalle brug aanschurend, en als een orkaan
stormt het akelig gevaarte rakelings voorbij.
Mijn dames zijn gelukkig niet als gek uit den wagen gesprongen, hebben
niet al te vreeselijk gegild, niet naar mijn stuur gegrepen. Wij zijn
gered en kijken angstig om, naar wat nu achter ons zal gebeuren.
Ginds verre, aan den kant van Villeneuve, komt een fransch soldaatje op
zijn fiets over de brug gereden. Nauwelijks heeft hij 't hollend paard
gezien, of vlug stapt hij af, zet zijn fiets tegen de brugleuning, stelt
zich in positie.
Daar komt het beest donderend op hem afgestormd. Wij zien hem de handen
uitstrekken, grijpen, in verwarring, hals over kop, met het paard
neerstorten....
Is hij dood? Gewond? Ligt het paard met gebroken beenen boven op hem?
Gelukkig niet! De kluwen ontwart zich, 't soldaatje springt overeind,
rukt aan de leidsels van het dier dat ook weer recht staat, overhandigt
het gansch veilig aan een paar toegesnelde mannen.
Wij juichen, opgetogen! Wij willen niet verder doorrijden, vóór wij 't
soldaatje van dichtbij gezien en om zijn kranigen moed geluk gewenscht
hebben. Ik keer mij tot mijn dames om en zeg: "Jullie zijn hier de
gratie, de schoonheid, de liefelijkheid in dezen wagen; jullie moeten in
verbeelding dezen jongen held omkransen en omlauweren, hem de zachte
streeling van de vrouwelijke adoratie laten voelen!"
Daar komt hij, te voet, zijn rijwiel aan de hand, met de andere vrije
hand het stof van zijn bezoedelde kleeren kloppend.
--Bravo! Bravo! juich ik, het signaal gevend. En mijn dames juichen
handklappend mee, in geestdriftige vervoering.
Hij glimlacht bescheiden, dankt en groet. Hij heeft een aardig,
vriendelijk-blozend gezicht, met donker haar, dat achter zijn ooren,
onder de kepi, een weinig krult. Hij houdt zich niet op, zoekt niet over
't geval te praten, van zijn triomf te genieten; hij gaat bescheiden en
kalm verder zijn gang, als 't ware alleen bekommerd om zijn uniform,
waarvan hij hier en daar, met de vingers het stof nog eens afklopt.
--Wat is hij aardig en bescheiden! zeggen gansch ontroerd, mijn dames.
En hij verdwijnt in de menigte, die, ginds aan de Avignon-zijde der
brug, om een gebroken kar, staat op elkaar gepropt.
Er zijn toch nog kranige jongens op de wereld; en zoo eenvoudig, zoo
gewoon, alsof het maar niets was. Het doet goed zoo iets bij te wonen;
het troost. Alleen spijt het mij, dat ik zijn naam niet heb gevraagd, om
er aan den kolonel van zijn regiment over te schrijven. Hij verdient een
decoratie, een belooning. Maar hij was ook zoo gauw weg; wij hadden geen
gelegenheid met hem te spreken.
Ik hoop van harte, dat een ander het gedaan heeft.