Nancy is een prachtige, nobele stad. Haar Place Stanislas, haar
magnifieke hekken en fonteinen, haar heerlijk park en monumentale Place
de la Carrière, 't is alles van de mooiste, fijnste, verhevenste
aristocratie. 't Is levend Louis XV! Maar behalve haar groote,
indrukwekkende schoonheid, schijnt zij ook te getuigen van een gansch
zelfstandig leven. Men krijgt hier heelemaal niet, als in veel andere,
groote, fransche steden, den indruk van provinciestad, met nabootsing
van het alleen en over-alles-heerschende Parijs. Neen; Nancy geeft de
impressie van een gansch afzonderlijke capitale. Nancy schijnt mij het
levend bewijs eener mogelijke, fransche decentralisatie, iets, waarover
vele Franschen nog steeds blijven wanhopen.
Nancy is de schoone oude stad van grijs en goud, een nobel, fijn juweel
in den prachtgordel van haar groene parken. Er hangt een deftige, rijke
rust over, en 't is of de bevolking zelve eenigszins dien stempel van
voornaamheid draagt. Geen holle drukte, geen joelend lawaai hier op
straat: kalmte, stemming, ernst die bijna een ietsje zwaarmoedig
aandoet, alsof de menschen daar nog meer in 't stil-glanzend verleden
dan in den hedendaagschen "struggle" leven.
* * * * *
In die mooie stad,--het spreekt van zelf--hadden wij ook een
prachthôtel, met al den nieuwst-modernen "comfort". En mijn dames, die
verwend, en wel een beetje vies zijn uitgevallen, toonen zich uiterst
verrukt daarover. Zij beschouwen het hier als de eerste gelegenheid
sinds ons vertrek, waar men zich eens goed en flink kan wasschen, en in
hun kamers zijn de waterkraantjes druk aan 't vloeien. Zij nemen een
bad, en, aangezien men niet weet in welk soort van hôtel men morgen zal
aanlanden, nauwelijks afgedroogd, nóg een bad, als provisie voor later.
't Lijkt wel verrukkelijk. Een echt buitenkansje! Heerlijk om nu zoo
frisch aan tafel te gaan.
Maar waar blijft toch de tweede onzer dames? Wij zitten al een heele
poos, wachtend, in de mooie, lichte, wit-en-gouden eetzaal, en zij komt
maar niet te voorschijn. Zou ze soms een dèrde bad genomen hebben?
Ah! daar is ze....! Maar wat ziet ze 'r vreemd uit, rood, stuiplachend,
gevolgd door een maître-d'hôtel, die zich stijf en deftig poogt te
houden, doch blijkbaar ook alle moeite heeft om niet in een lachbui uit
te barsten.
--Wat is er toch gebeurd? vragen wij met verbazing.
Ach, niets zoo bizonders, maar onze dame, die wel eens aan distractie
lijdt, heeft er weer eentje begaan. Na de bad- en kleedpartij beneden
komend, is zij maar, op goed geluk af, een gang en een deur ingegaan, om
te dineeren. Zoo is ze in een zaal gekomen waar werkelijk menschen--en
nog wel bizonder vroolijke--zaten te eten.
--C'est bien pour la salle des courriers, mademoiselle? had een kellner
op den drempel haar met bedenkelijk gezicht gevraagd. En mijn dame, in
mooi avondtoilet, had maar kordaat "oui oui" geantwoord en was kalm aan
een tafeltje gaan zitten, op ons wachtend.
't Publiek leek haar daar wel niet zoo buitengewoon gedistingeerd, maar
vroolijk, echt vroolijk, meestal vrij jonge mannen en vrouwen aan één
lange tafel bij elkaar gezeten. Enkele van die mannen hadden
donker-grijze jassen aan met koperen knoopen en een paar jonge meisjes
droegen witte mutsjes met lange linten. Aan een kapstok hingen drie vier
petten, met koper omrand.
Toch scheen de entree van mijn dame daar een vage stoornis te hebben
verwekt. Het ging er dadelijk iets minder vroolijk toe en een soort
beraadslaging onder de kellners werd heimelijk in een hoek gehouden.
Eindelijk kwam er één schoorvoetend naar mijn dame toe en vroeg haar,
stil-vertrouwelijk:
--Vous savez, mademoiselle, que vous êtes ici avec les chauffeurs et les
femmes de chambre?
Het was er werkelijk een gezellig hôtel en 't diner was heel lekker.
Als ik me wel herinner hebben we dien avond champagne gedronken.