Veronderstel een kalme Nederlander, slenterend voor zijn boodschappen,
voor zijn pleizier of zijn gezondheid op het Spui of in de Veenestraat.
Een auto met vlaggetjes, waarin vreemdelingen zitten, komt hem achterna
gereden, de chauffeur houdt even stil, groet zoo beleefd als hij kan en
vraagt aan den Nederlander den weg naar Leeuwarden!
Het is begrijpelijk dat de Nederlander daarbij een verbaasd gezicht
zet. De weg naar Leeuwarden! Ja, hoe zal hij dat uitleggen? Hij ziet er
blijkbaar geen kans toe en eindigt met zich te excuseeren dat hij 't
niet weet. De chauffeur, geërgerd, noemt in zichzelf den Nederlander een
stommerik, die den weg in zijn eigen land niet kent, en rijdt zoekend
verder. Hij komt niet op het idee dat hij zelf, en niet de Nederlander,
in dit geval de stommerik is.
Zoo zaten wij te sukkelen in Nancy, om den weg naar Dijon te vinden. Op
de fransche landkaart leek het toch zoo'n heel klein eindje: een paar
vingertjes breedte maar; doch een paar vingertjes, die een afstand van
ongeveer twee honderd vijftig kilometer beteekenden. Nog al begrijpelijk
dat de verbaasde Nanceërs hetzelfde gezicht zetten als de
Spuistraat-Nederlander aan wien men den weg naar Leeuwarden vroeg.
Doch alles komt terecht, evenals in de verstandig-geschreven romans en
weldra reden wij weer over bergen en door dalen, als over een eindelooze
roetschbaan.
't Is een animeerende, bijna opwindende manier van rijden, althans
wanneer de weg goed is en er geen hindernissen voorkomen. Niet zonder
eenige inspanning is de sterke auto boven op den berg gekomen; maar hij
is er en mag nu even uitblazen. 't Kontakt wordt afgezet, de motor
uitgeschakeld en de wagen vliegt op zijn eigen zwaartekracht de helling
af, in een heerlijk-zacht gesuis en veerende beweging. Maar ginds
verder rijst alweer een muur-steile berg, de vaart mag niet vertragen,
wel integendeel, de wagen moet zijn aanloop nemen en op de laatste paar
honderd meter der daling wordt 't kontakt weer aangezet en volle gas
gegeven, en als een razende snort de auto donderend den berg op. 't Is
wonderbaar hoe die helling, die daar als een rotswand stond, als een
gewone effen vlakte wordt verslonden; en men moet even omkijken, en nu
de helling waar men afdaalde, als een muur achter zich zien verrijzen,
om te beseffen welk waagstuk men heeft volbracht.
De wegen zelf zijn er, helaas! in Frankrijk niet op vooruitgegaan. Wat
is er geworden van die heerlijke blauwe glijbanen, zooals ik ze vond,
vijf jaar geleden, toen ik met Maeterlinck door Frankrijk toerde? Twee
jaar van bijna onophoudende regens hebben er putten en kuilen in
gegraven, die haast niet meer te dempen zijn. Wel vindt men hier en daar
nog een eind als vroeger, maar 't zijn altijd slechts betrekkelijk korte
eindjes, die dan weer in reeksen van hobbelgaten uitloopen. De klachten
zijn groot, algemeen, en de herstellingsonkosten zullen schrikwekkend
zijn. In sommige departementen vraagt de bevolking zelfs keien, in
plaats van grintwegen.
Die bevolking vermoedt zeker niet wat haar in dat geval boven 't hoofd
hangt, of, juister uitgedrukt, wat haar alsdan voor en onder de voeten
zal worden geworpen:
Kinderhoofden, doodshoofden, zooals wij die in Vlaanderen hebben!
Laat de bevolking toch verstandig en voorzichtig zijn!