Z. AANHANGSEL.

Onder de huisvrouwen, die deze bladen in handen krijgen, zullen er

zeker vele wezen, die ten volle bekend zijn met alles wat tot het

dekken, schikken en bedienen van eene goede tafel behoort; maar toch

ook misschien wel eenige die daarvan niet zooveel ondervinding hebben,

en echter wel eens genoodzaakt kunnen zijn, om over het een en ander

het oog te houden. De schrijfster heeft het daarom niet ondoelmatig

geacht om, ten behoeve van deze, hier dienaangaande eenige wenken

te geven.

1. Het dekken van de tafel. Indien men een groot gezelschap verwacht,

zal men wel doen, met de tafel den vorigen dag reeds te dekken. Als men

nieuw tafelgoed heeft, kan men dit ongezoomd gebruiken; het tafellaken

moet rondom eene goede halve el afhangen en aan de punten van binnen

met spelden eenigzins worden vastgestoken. De borden worden zoo

ver uit elkander gezet dat elk der gasten zich gemakkelijk bewegen

kan, zonder een ander te hinderen, en men beoordeelt dit het best

door eenige stoelen naast elkaâr te plaatsen, en zich daarnaar te

regelen. De servetten worden op de borden gelegd met de open zijde naar

de linkerhand en de zelfkanten naar den rand van de tafel gekeerd;

op ieder servet legt men een klein broodje, en slaat de bovenste

helft daar achterover op terug, zoodat het bedekt is. Het gebruik

om op de andere helft kaartjes met de namen der gasten te leggen,

is niet meer zoo algemeen als vroeger, daar men het veelal aan de

heeren overlaat om de dame naast zich te kiezen, waarin de gastheer

hen voorgaat. De messen worden aan de regterzijde van ieder bord

gelegd, met de snede naar het bord gekeerd, en daarnaast de lepels;

de vorken legt men ter linkerzijde met de tanden naar onderen. Bij

ieder couvert worden zoovele glazen gezet als men soorten van wijn wil

schenken, niet op eene rij, maar digt bij elkander, en op de plaatsen,

voor de heeren bestemd, zet men eene flesch met gewonen tafelwijn op

een flesschenbakje. Voor ieder bord, of om de andere plaats, moet

een klein glaasje staan waarin zout en peper is. Het midden van de

tafel wordt ingenomen, hetzij door een milieu de table van zilver

en kristal, waarop men bloemen zet, hetzij door eene bloemenmand,

dat vooral op bruidspartijen het gebruik is. Men kan daarvoor een

mandje met blikken bak nemen, waarin men afgesneden bloemen zet, en

ook kan men, op een plankje, bloempotten plaatsen, die men rondom met

mos bedekt, zoodat er van potten en plank niets te zien is. Ook kan

men nog 2 of 4 vazen met bloemen, naarmate de tafel lang is, over de

lengte verdeeld er op zetten.--Het is tegenwoordig zeer gebruikelijk

om terstond het dessert op tafel te zetten en de warme spijzen van het

buffet te laten voordienen, dat daarom is aan te bevelen, omdat dan

alles warm op tafel komt, en in dat geval legt men bij elk bord een

menu of gedrukt lijstje, waarop alle geregten, in de volgorde waarnaar

zij zullen worden gepresenteerd, zijn vermeld.--Op het buffet zet men

de stapels borden die ter verwisseling noodig zijn, en een komfoor

om ze te warmen; de soepborden, de dessertborden, de noodige lepels,

vorken en messen, de glazen voor madera en marasquin, de waterglazen

en eene gevulde waterkaraf; het olie- en azijnstel en de flesschen met

fijne wijnen die men droog afveegt, maar waar men vooral de étiquettes

op laat blijven. Ook moet er nog eene broodmand met broodjes op staan,

en men legt er een paar servetten neder. Ingeval er geen buffet in

de kamer is, moet men eene afzonderlijke tafel daarvoor inrigten. Ook

zet men er eene lamp.

2. Het schikken van de tafel. Zoo als reeds gezegd is, staat midden

op de tafel het een of ander middenstuk van bloemen of vruchten,

dat men naar verkiezing kan inrigten en met smaak versieren; als men

geen gas of andere hooge verlichting heeft, moeten er in het midden

ook een aantal waskaarsen tusschen die bloemen of vruchten worden

aangebragt, terwijl men een paar lampen wat meer aan het einde der

tafel kan zetten. Al wordt het diner à la Russe gediend, zoodat

alleen het dessert op tafel komt, dan kan men toch een paar koude

vleesch- of vischgeleien ook opzetten, die, als zij gepresenteerd

zijn, door taarten worden vervangen. Voorts zet men vruchten op

tafel, verschillende vladen en geleiën, blanc-manger, confituren,

compotes en bonbons; ook vruchten in brandewijn en gember.--Verkiest

men echter de warme schotels op tafel te zetten, dan moet er gezorgd

worden dat die goed met elkander overeenkomen, en dat er b. v. geene

twee geregten van dezelfde soort van vleesch verschijnen: als men

b. v. eene ossenrib als gebraad neemt, dan kan men geene ossenhaas

in gelei nemen om later te geven, en zoo met alles.--De soep wordt

altijd van het buffet gediend. Als een voorbeeld dat natuurlijk ieder

naar verkiezing kan wijzigen, wordt hier het volgende menu opgegeven:

Eerst soep, en daarna wordt madera gepresenteerd, terwijl men, als

het saizoen zulks medebrengt, voor iederen gast een bord plaatst

met 6 oesters in de schelp, en de achtste part van een citroen;

ook wel caviaar op geroosterd brood; anders presenteert men den

eenen of anderen visch. Dit alles staat niet op tafel.--Men kan een

stuk ossenvleesch tegenover ham of kalfsvleesch zetten; côtelettes,

zwezerik, kleine pasteitjes en croquettes of eene timbale in vier

bij elkander behoorende schaaltjes, schuin tegenover elkaâr. Voorts

vier verschillende groenten (aardappelen komen niet op tafel),

twee verschillende puddings en een paar soorten van fijne compotes,

om bij het gebraad te presenteren, benevens eenige kleine schoteltjes

met ingemaakt zuur. Nadat het groote vleesch is voorgediend, vervangt

men die schotels door groot gebraad, b. v. een kalkoen en een haas; in

plaats van het kleine vleesch geeft men klein wild, zoo als snippen,

vinken en dergelijke soorten, ook wel ragouts. Als de puddings zijn

gebruikt, zet men op die plaats de voor het dessert bestemde taarten,

en de groenteschalen verruilt men voor salade en visch in gelei,

b. v. paling of zalm, ook wel gekookten zalm.--De volgorde is deze:

Indien men na de soep geen visch geeft, wordt er eene warme pastei

gediend, of kleine pasteitjes gepresenteerd; dan ossenvleesch met

aardappelen; daarop het kalfsvleesch of de ham met de eene of andere

groente; vervolgens de kleine vleeschsoorten met groenten, en dan de

puddings. Nadat deze gebruikt zijn, volgt het gebraad of de ragout,

eerst het witte en dan het bruine, met de compotes, of, indien men

geene vischgeleiën geeft, laat men bij een van deze schotels ook

wel salade rondgaan; anders volgt die daarop met den visch.--Dan

laat men blanc-manger, wijngelei en dergelijke zaken presenteren;

vervolgens ijs, en eindelijk volgt het dessert, waar men natuurlijk,

behalve een paar taarten, de vruchten geeft die het jaargetijde

oplevert, met smaak geschikt, op vruchtstandaards of in mandjes,

met wijngaard- of dessertbladeren er tusschen. Hiervoor voldoen

bijzonder de krullende bladeren van gekleurde boerenkool, bij welke

men de schoonste nuances van rood, geel en groen aantreft. Heeft men

een ananas, dan wordt die in het midden op tafel in eene vaas met

bloemen rondom gezet. Men bezet voorts de ledige plaatsen met zoete

vladen, kleine gebakjes, confituren, beschuit, suiker, boter en kaas,

benevens gember of vruchten in brandewijn. Bij minder omslagtige

partijen, waar het aantal geregten minder is, blijft toch de volgorde

dezelfde.--Wat den wijn betreft, laat men, zoo als gezegd is, na

de soep madera schenken, bij visch presenteert men witten wijn,

bij het ijs marasquin; champagne en fijne roode wijnsoorten worden

door den geheelen gang van het diner geschonken, en op het dessert

komt daarbij ook nog rhijnwijn.--Na afloop van de tafel wordt in eene

andere kamer koffij gediend, die natuurlijk geheel gereed moet staan,

en, ingeval de heeren nog aan tafel blijven zitten, wordt ook daar de

koffij gepresenteerd; de ingeschonken kopjes worden op een blad gezet,

met suiker, room en een klein karafje met rhum erbij. De theelepeltjes

legt men bij de suiker en een dessertlepel bij den rhum.

3. Het bedienen van de tafel. Bij de best voorziene tafel kan een

gastmaal zeer veel lijden door eene slechte bediening; en vooral de

gastvrouw zal daarvan groote ergernis hebben; het is dus eene zaak

van belang, dat men zijne bedienden, indien die niet dagelijks gewoon

zijn zoo iets te verrigten, vooruit de noodige inlichtingen geve. Men

zorge in de eerste plaats, dat zij behoorlijk gekleed en geschoeid

zijn en witte handschoenen aantrekken.--Diegene waarop men zich het

best kan verlaten, wordt belast met het voorsnijden en dienen aan

het buffet, en de anderen loopen om de tafel rond. Het presenteren

moet met de linkerhand, aan de linkerzijde van de gasten geschieden;

het wegnemen van de gebruikte borden echter met de regterhand,

aan de regterzijde. De knecht moet daarbij een blikken bak in de

linkerhand hebben, waarin hij telkens de lepels, vorken en messen legt,

terwijl hij de borden in den linker arm houdt; op hem die wegneemt,

moet terstond een ander volgen die alles schoon weder voor de gasten

nederzet. Dit verwisselen van borden geschiedt bij ieder geregt, en

bij den overgang van vleesch op pudding, van pudding op visch, en dan

weder op zoete schotels, verruilt men ook de vorken. De lepels, die na

de soep zijn weggenomen, worden niet teruggegeven vóór dat de vladen

aan de beurt zijn om gediend te worden: dan legt men een dessertlepel,

die kleiner dan een gewone lepel is, op ieder bord dat men rondzet. De

maderaglazen worden, gebruikt zijnde, weggenomen. Twee schotels die

bij elkaâr behooren, moeten door twee bedienden, die onmiddellijk

op elkander volgen, worden gepresenteerd, zoodat men b. v. bij het

ossenvleesch ook terstond aardappelen, jus en ingemaakte zuren krijgt,

en zoo met alle volgende zaken. Hij die de gasten bedient moet bij

iederen persoon den naam noemen van het geregt dat hij aanbiedt,

of den wijn dien hij schenkt, en met het presenteren niet altijd

bij denzelfden gast beginnen, maar nu bij de eene dame, dan bij de

andere. Bij eene zeer lange tafel moeten twee bedienden te gelijk

hetzelfde geregt presenteren, en aan twee tegenovergestelde zijden van

de tafel beginnen; de een moet dan regts en de andere links van den

gast, bij wien hij begonnen is, vervolgen.--Tusschen het eten en het

dessert gebeurt het meestal, dat het gezelschap even opstaat, en dan

maken de bedienden van die gelegenheid gebruik om de tafel op nieuw in

orde te brengen: de broodkruimels worden weggeschuijerd, de servetten

weggenomen en de dessertborden, die kleiner dan de andere moeten wezen,

voor de plaatsen der gasten neergezet; daarop wordt in plaats van het

servet een zoogenaamd vingerdoekje gelegd, waar men een klein mes,

met daarbij passenden lepel en vork, kruisgewijs bovenop legt; soms

voegt men er ook een zeer klein broodje bij. Eenige zeer oude wijnen,

die aan de flesch zijn aangezet, worden niet rondgeschonken, maar men

legt er eenige op wijnsleedjes, die opgeligt worden, zoodat men den

wijn kan schenken zonder de flesch te schudden. Deze plaatst men op

verschillende punten van de tafel en de gasten bedienen zich zelven.

4. Déjeuner à la fourchette. De tafel wordt gedekt als voor een diner,

en de geregten kunnen ook dezelfde zijn, maar op het midden van

de tafel zet men soms een bowl, die des winters met warme dranken,

en des zomers met kruidenwijn gevuld is; ook kan men met den wijn

limonade en vruchtensappen, met water aangelengd, ronddienen.

5. Collation. De tafel gedekt als voor een diner, maar het gebraad,

dat warm kan zijn, alsmede aardappelen en groenten, komen niet op

tafel, doch worden van het buffet gediend.

6. Souper. Men kan daarop alles geven, wat op een diner voorkomt,

maar geen soep; ook behoeven de schotels niet zoo talrijk te zijn.

7. Gewoon déjeuner. Men dekt de tafel met dessertborden, messen

en vorken, zonder servetten, en plaatst er peper, zout en mosterd

op. In het midden zet men eene taart die in stukken is gesneden,

zonder dat het zigtbaar is; rondom schikt men boter en allerlei dat

bij het brood past, b. v. rookvleesch, ossentong, gerookten zalm,

hoofdkaas, gemarineerden haring, harde eijeren aan schijfjes gesneden,

met gehakte pieterselie bestrooid, foie gras, verschen haring, kaas

en soortgelijke zaken, zooveel men verkiest; ook vruchten. De vleesch

soorten zijn gesneden, en op ieder schaaltje moet eene vork liggen. Het

brood wordt aan de einden van de tafel gezet, en men plaatst er ook

eenige kleine gebakjes op, zoo als soezen, spritsen, baisers, Berliner

bollen, zandkoekjes of dergelijken. Men presenteert wijn, maar ook

koffij en chocolade, die op eene andere tafel geschonken wordt.

8. Thé's. De thee wordt in eene andere kamer geschonken, en op groote

bladen gepresenteerd met suiker, melk, rooden wijn en rhum er bij;

de kopjes worden telkens omgespoeld, en tot driemalen toe gevuld

binnengebragt. In de pauzen tusschen het spelen of het muziekmaken,

laat men eerst kleine gebakjes presenteren; daarna eene taart; men

geeft hierbij wijn, bisschop of kardinaal, ook wel ijs. Wat later

presenteert men de eene of andere vlade, waarvan porties op schoteltjes

zijn geschept, met een theelepeltje er bij gelegd. Daarna kan men nog

eene tweede, van de eerste verschillende, taart laten rondgaan, en

ten slotte, geeft men kleine broodjes met rookvleesch, kaas, of wat

men verkiest in eenige soorten er op gelegd, met eene tweede soort

van klein gebak, b. v. Berliner bollen of iets dergelijks.--Op een

thé dansant geeft men hetzelfde, maar presenteert als dranken: wijn,

limonade, orgeade en vruchtensappen, terwijl men er ook china'sappelen

en appelsalade bijvoegt, en het laatst een kop bouillon.

Keukenboek · 第 56 / 64 题