Genakende daar 't nu van lijken stonk benaauwd,

Daar de arke voormaals school met Cherubs overschaauwd,

Van waar men deerlijk de Jeruzalemsche wallen,

En ons stadpoorten zag geraâibraakt en vervallen,

En de uitgetrokken doôn naakt, zonder onderscheid,

Den luipaarden tot roof, de myrre en 't graf ontzeid;--

Nadat de wichlers de verwoeste kerk aanschouwen,

Zij van 't verstrooid gesteente een hoog outaar doen bouwen:

De stijlen half gevonkt, de balken zwert berookt,

Tot brandhout staplen[253] op het plat, dat daadlijk smookt,

En willig 't vuur ontvangt: terwijl haar de ossen lieten

De bastert[254] eerst gekoord[255] recht tusschen d' hoornen gieten:

Den krans ontrukken, en die gaâr[256]-gebonden blaân

Den vlammen heilgen, en 't gezouten korengraan:

Den rug opvlijmen en de altaarknechts hun genaken,

Die met 't gewijde mes haar voort den strot afstaken.

Het bloed de leegte koos, en zwalpende over al,

Bootste een verbolgen meer, en rooden waterval.

De buiken opgeschrobt[257] ontslaan haar d' ingewanden,

Die, naauw doorsnuffeld, 't vuur ontving om te verbranden.

De priestren stelden haar voor 't altaar ongeknield,

Dat Titus statig met de slinker vingren hield:

Den rechter hij ontzeî den zwaren veldheers hamer,

Om Hemelwaarts zijn hand te heffen veel bekwamer:

"Teruggeziende God[258]! Godin! die, nooit geschaakt[259],

Om Rome, riepen zij, en onzen Tiber waakt!

O Janus, grijs van haar! en Vesta! die te gader

Ons gunst draagt, met Juppijn, die grootste en beste Vader:

O, vader Mars! en al gij Goôn gezamentlijk,

Die ons genadig zijt, en, om het keizerrijk,

Met zoo veel zegens en triumfen, te bevesten,

't Huis van Vespasiaan hebt uitgekipt ten lesten,

En Titus wakkren erm met zulken punt verzaagt,

't Welk aarsling oversmijt al wat er schepters draagt:

Die gij hem gunstig holpt vermeestren dit tyrannig,

Dit boos verwaten volk, zijn vorsten wederspannig:

O, Goôn! wij danken u: wij loven u, o Goôn!

Knikt onzen offer toe, en opent uwen troon!"

DE DOCHTER SION.

Straft gij geen Heidnen meer, God Abrahams! en laat ze

Afgodisch rooken op uw heilge stede en plaatse?

Waar was uw solferstraal, die nooit dien smaak verdroeg?

Die Ptolomeus plat jeloers ter aarden sloeg?

Was God van God ontkleed? is hij zoo traag in 't wreken?

Wat dood, wat straf, wat wraak, wat volgde voor een teeken

Dien grouwel?

JOSEPHUS.

Onder des was 't altaar aangegaan;

Met weeken oogen wij dien grouwel zagen aan:

De rots, driemaal verschud, van onder spleet tot boven,

En d' afgrond 't licht verzwolg door 't gapen van de kloven.

Den Hemel wierd bekleed met een verbolgen zee,

En dreigde met tempeest 't afgodisch vuur alreê:

Maar de onverlichte[260], die van droomen haar geneerden,

Dit op[261] een morgengroet, en heilzaam spook[262] waardeerden:

De omstaande krijgsliê zulks ten halve naauw verstaan;

"Iô, Titus! Iô, Iô, Vespasiaan!"

Al schaterende zij de klippen weêr doen galmen,

En kransen 's keizers kruin met schaduwende palmen:

De veldheer weder hun een dankbre ziel toekeert,

En met 't geslagen vee den ruiterdisch stoffeert.

DE DOCHTER SION.

Nu treurt, Staatdochters! treurt, en krenkt vrij al uw zinnen:

Want met haar vleuglen nu de goude Cherubinnen

De grouwlen dekken, die de jongling ons toeriep,

Die veilig in de gracht[263] en 't hol der leeuwen sliep:

Waar toe is Aäron en Levi nu gekomen?

Wee tempel, stad, en volk! gij, paradijs der vromen[264]!

Gij, wellust Israëls! hoe ligdy nu vertreên!

REI VAN STAATJONFFREN.

Helaas! mevrouwe, helaas! geen godlooze onbesneên

De driemaal heilige aarde ontwijdde, noch schoffeerde.

DE DOCHTER SION.

Wie dan?

REI VAN JOODSCHE VROUWEN.

Maar[265], 't boevenschuim dat onzen staat verheerde,

Lang eer de gramschap nog des keizers, veel getergd

Zijn hengsten briesschen dede, en draven in 't gebergt:

Lang eer nog Titus kwam aanbrallen op ons vesten,

En ons paleizen den uitheemschen gaf ten besten:

Den volkren, die de maan zien dobbren op d' Eufraat,

Wanneer z' haar toortse ontsteekt, en ons den dag ontgaat

Die Tigris golven zien uit Taurus lenden dringen:

Die over Caucasus al hooger Noordwaart springen:

Die op Pactolus' strand het goud in d' oogen raait[266]:

Die in d' Ægeesche zee zijn hier en daar gezaaid:

Van 't West, daar Tagus laaft den half gebraden Iber:

Daar 't oever wederzijds gelekt wordt van de Tiber:

D' Ægypter, die den Nijl ziet vloeyen over 't droog:

D' Araber, toegerust met pijlen, tros[267], en boog:

Meer andren, die verhit op 't moorden en op 't plondren,

Met 't weêrlicht kwamen van haar beukelaars opdondren.

DE DOCHTER SION.

Maar zegt, Josephus! hoe 't ons manschap is vergaan,

Die d' overwinner hield zoo strengelijk gevaân

In 't leger, als er niets verschoond bleef onbedorven.

JOSEPHUS.

Der boozen rot heeft meest verschulde straf verworven.

DE DOCHTER SION.

Dat was 't, daar ik na haakte! o, Scheidsman! die recht scheidt,

En in de weegschaal hangt van uw rechtveerdigheid

Der menschen zaken, die omwentlen hier beneden:

Nu zien wij, dat bij u geen boosheid wordt geleden,

Die luid van de aarde naar den Hemel roept om wraak.

JOSEPHUS.

Nu luistert, dat ik u ontvouw de gansche zaak:

DE DOCHTER SION.

Gij Reyen, geeft gehoor!

JOSEPHUS.

Zoo fluks de krijgsliê hoorden

't Geblazen koper hun ontzeggen 't vorder moorden:

(Behalven dat het was geoorloofd te verslaan

Al, wat d' onstuitbre nood in 't harnas te weêrstaan

Droomde, uit mismoedigheid) zij haren veldheer boden

Nog een ontelbre schaar van afgematte Joden:

Die 's keizers omzicht liet door zijner Drossaarts een

Uitzondren, en de vrome en schuldige onderscheên:

Maar d' onderzoeker heeft[268] 't verborgen goed[268] te visschen,

In 's moorders voorhoofd leestm'[269] het knagende gewissen:

Dus strekt hij zoo terstond gedoemd, met ziel en lijf,

Den woedenden soldaat een zeldzaam tijdverdrijf.

Hier moet er een goed deel, met handen en met voeten

Genageld aan het kruis, bebloed haar bloedschuld boeten:

Daar stuurt mender een hoop van Moria te fel

Naar Kedrons afgrond toe, als naar de donker Hel,

En dekt ze in 't vallen met muurstukken en met steenen,

Dies vinden zij haar einde en uitvaart al met eenen:

Hier jagen ze, om van 't vuur den heeten gloed t' ontgaan,

Haar zelf aan palen dood, geschroeid en half gebraân:

Daar sterven nog, uit nijd en afgunst van de wachters,

Veel honderden van dees godlooze Godverachters:

Hier breektmenze de leên met knodsen zwaar van wicht:

Daar kwetst men andren 't hert, de darmen, en 't gezicht:

En duizenderlei slag van nieuw gevonden straffen

Haar boosheid achterhaalt.

DE DOCHTER SION.

Dat leert, dat leert ze blaffen,

Die honden! tegen God, die, oprecht Rechter, niet

Verschoont in zijnen toorne, of door de vingren ziet

Oogluikende eenig kwaad.

REI VAN STAATJONFFREN.

Hoe zijn ze voort gevaren,

Die aan Jeruzalems verderf onschuldig waren?

REI VAN JOODSCHE VROUWEN.

Hoe anders, als bewaard tot een veel strenger lot,

Als die booswichten zelve, en menschen zonder God.

JOSEPHUS.

Van jongelingen, sterk van lijf, zijn zeven honderd

Tot d' aanstaande triumf des keizers uitgezonderd;

En die bereikten nog geen zeven jaar en tien,

Als beesten omgeveild; men heeft verwisslen zien

Voor éénen penning tien en tweemaal zoo veel zielen,

't Welk zalig loofden, die door 't zweerd in 't oorloog vielen:

Als zij met 't ijzer van haar ketens overlaân,

Den bolpees schroomden van een strengen gardiaan[270].

Voorts, om in schouwplaats 't oog te dienen der tyrannen,

Zijn tot der dieren aas geschikt veel strijdbre mannen,

Of om te schermen lijf om lijf, en hand voor hand:

Waar 's princen wellust dan haar omvoert achterland[271],

Het[272] most eenen steenen hert geborsten zich erbarmen,

Die hier voor 't lest de zoon den vader zag omermen,

De vaders vallen weêr haar zonen om den hals,

Den stok[273] haars ouderdoms, den troost haars ongevals:

Als elk zijns weegs bedrukt most volgen die hem leiden,

En, ziende tienmaal om, in 't al te bitter scheiden

Gaf teekenen genoeg, hoe streng natuur verbindt,

Door onderlinge trouw, den vader aan het kind,

Het kind aan 's vaders ziel, de broeders aan haar broeders:

Die eertijds, hangende aan de borst eens zelfde moeders,

Versloegen d' eerste dorst met d' ongevalschte melk

Die uit één ader vloeide: o, welken bittren kelk

Most hier gedronken zijn! en zoude ik ons vermanen[274]

De klachten, het gebaar, 't verzuchten, en de tranen,

Ik most bezwijken, en uw luider[275] droeve staat,

Beschreide vrouwen! dit nu geensins toe en laat.

Daar is 't verhaal in 't kort.

REI VAN JOODSCHE VROUWEN.

Nu wreekt uw leed met schreeuwen[276]

En huilen overluid, gij onbestorven weeuwen!

Roept luider als gij pleegt eertijds in barens nood,

Doen d' eerstgeboren haakte in uw benaauwde schoot

Naar 't wenschelijke licht des levens, dat ons langer

Verdrietelijker valt, en gaat met plagen zwanger.

Onze echte mannen ach! gaan, zonder den adieu,

Het afgeworpen jok opnemen op een nieuw!

Onze oudstgeboorn' helaas! gejukt, voor een godloozer

Herboren Faro, vliên en Nabuchodonoser.

Ach, jonffren! met ons treurt!

REI VAN STAATJONFFREN.

Helaas! waar blijven wij?

De geilheid des soldaats (och! moeders blijft ons bij!)

Brandt na ons reinigheid met trommelen en pijpen.

Zij naderen, om uit uwe ermen ons te grijpen.

Ons kuischheid lijdt gevaar, die, o wat leider[277] smet!

Jeloers de dorpels hield van 's vaders huis bezet:

Die heerlijk aan den rei der maagden plag te brommen,

En was geheiligd voor zoo schoonen bruidegommen,

Die 's vijands wreedheid gaat verstrooyen West en Oost.

Helaas! helaas! helaas!

REI VAN JOODSCHE VROUWEN.

Nu dochters, zijt getroost!

REI VAN STAATJONFFREN.

Och, Moeders! blijft ons bij.

DE DOCHTER SION.

Nu zet[278] u wat te vreden.

REI VAN JOODSCHE VROUWEN.

God Jacobs! ziet ons aan, en red ze in zwarigheden,

En zalft ze, die gij sloegt!

JOSEPHUS.

Deze ijdle tranen spaart,

Gij Joodsche vrouwen! die uw droefheid maar verzwaart.

Gij maagden! schept wat moeds; wie weet nog, van wat enden

onverwachten troost kan Jozefs trooster zenden.

DE DOCHTER SION.

Matthias' zoon, die de eer zijt van uw oud geslacht[279],

Die de overwinners vaak vermorwd hebt en verzacht,

En met uw lippen kneedd' haar hert van diamanten,

Van dat z' haar grof geschut[280] eerst op dees hoogten plantten;

Josephus! of hem nog de maarschalk zoo beried,

Dat hij, door u beweegd, een maat stelde ons verdriet,

Zoudt gij tot Jacobs heil en troost gebruiken laten

Uw redenrijke tong gedoopt in honigraten?

JOSEPHUS.

Wel duizendmaal zoo veel, mevrouwe!--Voor gewis

Houd, dat Josephus' gunst tot uwen besten is.

's Wets heilge bladen ik ge-eigend heb door 't bidden,

Mijn bloedverwanten ook behouden, in het midden

Der slachting, daar verbaasd elk zag naar 't vluchten om;

Des keizers mildheid mij den vrijen edeldom

Vereerde, en heb gestuit veel razende soldaten,

In 't moorden, branden, als de wereld scheen gelaten

Te wezen zonder Gods bestiering: dies ik veil[281]

Mijn jonste willig nog tot uw en ieders heil:

Dan[282], overmids ik nu, met Titus meer te vergen,

Zijn goedheid schijnen mocht te sarren en te tergen:

Verzoekt veel liever zelf nog, met gebogen kniên,

Verzachting van uw kwaal! wie droomt, wie weet misschien

Wat gij verbidden mocht van hem ter goeder uren!

Der vrouwen tranen doch zoodanig van naturen

En aard zijn, dat ze vaak beroeren nog die geen,

Die onverbiddelijk in ieders oogen scheen.

Gaat, vrouwen, maagden! gaat dan d' overwinner smeken,

Die morgen of in 't kort zijn leger op zal breken.

Vaart wel, mevrouwe! ik ga. Hij wende uw ongeluk

Die al uw onheil weet!

REI VAN STAATJONFFREN.

Laat gij ons dus in druk?

REI VAN JOODSCHE VROUWEN.

Josephus! mag ons meer voor ditmaal niet gebeuren?

DE DOCHTER SION.

Staatjonffren! volgt mij na, en houdt wat op van treuren.

Tza, gaan we, laat ons gaan! gij vrouwen, volgt mij na!

Wij moeten dwalen op der vijanden gena.

REI VAN JODINNEN.

Laat ons beschreyen 't algemeen

Verderf, en 't licht, dat jongst bescheen

Die Hemelhoog getoornde klippen[283]

Van Davids veel bestormde stad,

Als God haar val gezworen had

Met onbedriegelijke lippen.

Of 's tempels grondvest, nacht en dag,

Naar 't sterren welfsel open lag,

Geverwd van 't bloed der welgeboornen,

En of men 's keizers adler mocht

Zien, met zijn pennen, slaan de locht,

En schittren af van stompe toornen:

Nog even trotsch en onbezorgd,

Op de opperstad en Davids borcht

De muiters haar borstweeren manden[284]:

En wie zijn doodverw had gezet

Uit vreeze, 't vluchten wierd belet

Van boeven, die hier t' zamen spanden.

Maar als zijn opzet en besluit

God tegen ons woû voeren uit,

Is schielijk 't leeuwen hert ontvallen

Ons manschap, die beangst uit nood

Den vijand, zonder slag of stoot,

Beklimmen liet de trotsche wallen.

De vijand, die zijn vaan alreê

Van ons rondeelen zwieren deê,

En blies triumf van vreugde dronken;

Doen kwam die dag en uur, dat God

Ons had bescheerd[285] dat strenge lot

Zijn gramschaps, die bestond t' ontvonken.

't Roomsch krijgsvolk, als 't geen wederstand

Noch tegenweer van mannen vand[286],

Drong 't met geslepene rapieren

In d' enge straten bol en dik[287]:

Daar 't waadde, in eenen oogenblik,

Ten enklen toe in bloedrivieren.

De een, om te ontvliên de bleeke dood,

In onderaardsche kelders vlood,

Wiens toegang wierd gestopt met blinden:

En d' ander, door mistroostigheid

En wanhoop, in zijn ziel verleid,

Gewapend ging zijn kerkhof vinden.

Hoe menig held, die, trotsch van moed,

Woû 't vaderland zijn heldisch bloed

Opoffren in 't gevaar der straten,

Van vrouwe en kindren om den hals

Gevallen wierd, met veel geschals:

"Wat wildy, vader! ons verlaten?"

't Kind, dat nog eerst aan banken[288] ging,

Aan 's moeders achterslippen hing;

De voêster 't zuigeling liet weenen,

En kwam haar vrouw te hulp, zoo ras

De meester greep naar 't cortelas[289];

't Riep deerlijk al: "waar wildy henen?"

Als d' huisweerd ziet, dat uit noch in

Hem laat 't bestorven huisgezin:

"Laat los, laat los!" roept hij ten lesten,

"Dat ik alleen, van 't hooge dak,

Mijn poorte[290] vrij van ongemak,

En ons ontsla dees Helsche pesten."

't Is naauw gezeid, men vliegt er knap

Na boven, langs den wenteltrap,

Met steenen toegerust en blokken;

Daar ziet hij, hoe een blaauwe wolk[291]

En rot van 't fel Latijnsche volk

Komt op zijn dorpels aangetrokken.

Maar als zij dreigen klop op klop

Te drijven, met heerhamers, op

De poort[292], bewaakt van slot en grendel:

Wreekt hij dien euvel heel goedkoop,

En kneust de voorste van den hoop,

En hagelt onder 't moorders vendel.

De ruiters 't bloed, verbitterd heel,

Krimpt van de zool in 't bekkeneel,

Zoo[293] man en ros de beenen breken;

Dies zenden ze, met stijve boog,

Wraakgierig haar geschut[294] om hoog,

En branden om dien smaad te wreken.

Wat groeit hier een nieuw stads rumoer!

De deur gescheurd vliegt op de vloer,

Van toorn zij op haar tanden knersten;

De voêster, die betaalt 't gelag,

De moeder sneuvelt in[295] een dagg',

En 't zuigling treên ze 't hert te bersten.

Terwijl 't beneên, al uitgeleefd,

Den lesten schreeuw en doodsnak geeft,

D' huisvader, om haar voor 't verderven

Te hoên, van boven rolt verbaasd,

Dien de ongebonden moorders haast,

Uit toorne en wraak, aan hutspot scherven[296].

De maagden, naauwlijks houwbaar nog,

Zij, na veel dreigementen, och!

Van hare jongvrouwschap onthulden;

Die, na veel zwijmens, riepen luid:

"Is 't Godlijk recht in Isrel uit,

Dat God dien overmoed kan dulden?"

Wie kan afmalen al d' ellend,

Die, waar me[297] 't aanzicht keert of wendt,

Gebeurt? wat blijft er onbedorven

Van 't roofgier spook, op snood gewin

Verhit, dat menig huisgezin

Aan honger leêg vond uitgestorven.

De zon al vroeger, dan zij plag,

Den draaiboom toesloot van den dag,

En week dees grouwlen in de baren.

De menschenslachters, moordens zat

Maar woedens niet, doen[298] nog de stad

Met vuur ten Hemel deden varen.

Gelijk den dag was doorgebracht

Met moorden, zij den duistren nacht

Met blakren sleten en met branden.

God! waarom ledy[299], dat uw Kerk

En stad, der Eng'len timmerwerk[300],

Geschend wierd van zoo snooden handen!

DE DERDE HANDEL.

FINEAS, priester.

Melchisedech! o, die ooit[301], de eerste priester Gods,

Het priesterschap bekleedde op Salems hooge rots,

Wiens hoofdscheêl van God zelf met balsem wierd bedropen,

Gezalfd en toegekend den myter, boven open:

Doen 's Heeren heuvel gij wat hooger trokt, tot dat

Hij 't aanzien en den naam van een ontworpen stad

Bereikte in Canaän;--Aäron uitverkoren!

Die 't reukwerk aanstaakt met uw zonen welgeboren;--

Ziet op, gij helden Gods! Aartspriestren, ziet eens om,

Hoe 't van den Hemel hooggeadeld priesterdom,

Ontkleed van zijnen glans, treurt zonder glimp of luister,

Gelijk, bij zonnezwijm[302], al schemerende in 't duister

De wereld sprietoogt[303], zoo, wanneer de maan jeloers

Den sterflijken te spijt dekt 't aangezicht haars broêrs:

Treurt, als 't gerantsoend lijk eens konings, die verslagen

Wordt, op een rosbaar, versch gebalsemd thuis gedragen.

Waar is, Jeruzalem! nu uwen konings-staf,

En 't priesterlijk cieraad, dat u Jehova gaf?

Waar is uw blank ivoor? uw marmer, klaar van schimmer?

Uw purper, fijn van draad? uw kerkelijk getimmer[304]?

Uw koninklijk paleis? waar zijn uw cedren? waar

Uw pijlers, bogen, en gewelven allegaâr?

Waar 't zilver? waar het goud? waar zijn de Cherubijnen?

Waar 't altaar, 't wyrook, en dees blinkende gordijnen?

Waar de Arke des Verbonds? waar Gods geheimenis?

Helaas! 't is verr' gezocht, dat niet te vinden is.

Wie had gedocht[305], dat God, te streng op ons gebeten,

Zijn erfdeel zoo geheel vertreên zoude en vergeten?

Schoon of de muur omringd van zulken heerkracht was,

Dat[306] in 't gebergte alom vertrad het kruid en 't gras;

Schoon of de stad verzonk in 't uiterste benouwen,

Ons hoop steunde op de Kerk, en d' heilige gebouwen;

Wij riepen: "zijt getroost, laat God begaan al stil,

Jehova blijft onz' borcht, om zijnes tempels wil!"

Maar ach, rampzalige! als[307] 't den Hemel woû gedogen,

Wij wierden in ons hoop te jammerlijk bedrogen,

In die vervloekte nacht, als, eer het licht opkwam,

Ons kerk aan kolen ging, en stond in lichte vlam:

Als[308] met de vlamme opsteeg ons krijten en ons kermen,

Dat God noch Engel mocht bewegen tot erbarmen;

Doen[308] al den berg, gesteld in vuur en enkel bloed,

Sloeg d' overwinner met meêdoogen in 't gemoed;

Doen riep me spâ: "vertrouwt noch kerken noch outaren,

Haar heiligheid geen stad kan voor 't verderf bewaren!"

Ik zelf ontvlood den moord, en riep luidskeels in 't vliên:

"Vlied met mij! 't is vergeefs den vijand weer te biên;

Hij heeft de stad voorlang, en houdt haar sterke wallen;

De tempel is vergaan: onz' hope is nu gevallen."

Zoo bergde ik naauwlijks 't lijf, en rukte, met dees hand,

Veel heilge schatten ongeschonden uit den brand.

Maar waarom vlood ik? ach! wat hield ik dier mijn leven?

Hadde ik mijn ziele in 't vuur des tempels opgegeven,

Als Meirus wel beraân, en als Daleus' zoon,

Of waar ik in 't hoog koor geteld bij d' ander doôn;

Zoo zoud' nooit zijn gebeurd, dat ik, gevaân, most laten

Den Heidenschen monarch de goude' en zilvren vaten,

't Scharlaken, 't reukwerk, en 't hoogpriesterlijk gewaad,

En andre ciersels: daar een booswicht, een soldaat

Zijn vingeren aan schendt: zoo waren voort mijn beenen

Begraven met den val van d' afgekeurde[309] steenen!

Nu houde ik de uitvaart van 't onzalige geslacht,

Om welkers ondergang het volk van Rome lacht,

En op de diensten smaalt, die Mozes heeft geboden,

En prijst voor onzen God een hoop verdichte Goden,

Die Abraham verzaakte: en of mij schoon genâ

Geschied is, zoo dat ik op vrije voeten sta,

Wat batet? want, waarheen dat ik mij keere of wende,

Ik zie mijn hertenleed aan Israëls ellende!

Indien ik zie rondom, ik zie hem, die ons dringt,

En vind mij van de macht der Heidenen omringd.

Sla ik 't gezicht om leege, ik zie, hoe met den zweerde

't Huis Jacobs ligt verdelgd, de stad geslecht met d' eerde:

Ik zie van d' afgrond op nog smooken 't heerlijk slot,

Daar David vaak uit heeft den Filistijn bespot.

Heffe ik mijn lichten op, den Hemel is gesloten,

Noch draagt niet langer gunst zijn ouden bondgenooten.

DE DOCHTER SION, REI VAN STAATJONFFREN, REI VAN JOODSCHE VROUWEN, TITUS.

DE DOCHTER SION.

Gij spoken[310], die wel eer verhoogd pronkte' in de traliën

Van 't goude Blijenburg, behangen met medaliën,

Waarmeê de Godheid hadde onsterflijkt uwen rei,

Als gij zijn eersleep volgde, en droegt zijn leverei,

Als gij Gods Majesteit omschanste met uw stoeten,

En zaagt 't gesternt', de zon, en maan beneên uw voeten

Verschieten flaauwer[311], als de klaarste diamant[312]

Ons van d' uitbreidsels zendt zijn stralen overkant[313];

Die gij, getuimeld, moogt op 't aldernaauwst' vertellen,

Hoe veel van 's Hemels top schilt 't middelpunt der Hellen:

Ten waar 't lang vallen u gewiegd hadd' heel in zwijm,

Eer gij ten lesten plofte in 's afgronds vuilen slijm

En diepen zwavelpoel, die fluks is aangevlogen,

Doen vonken stoven neêr uit Gods vuurvlammende oogen;

Gij spoken! zegge ik, breekt uit uw gevangenis,

Aanschouwt, wie 't vallen nog met u deelachtig is;

Ziet, hoe die bliksem Gods mijn hemelhooge cedren,

En marbren gepolijst, ter Hellen ging vernedren,

Als ik te trotsch van nek in mijnen plicht ontbrak,

En opgeblazen naar zijn kroon en glorie stak:

Ziet, hoe die lusthof is verkeerd in een woestijne,

En herberg van 't gediert', waarin ik eenzaam kwijne!

O, strekten de oogen mij een sprongrijk[314] Siloa,

Nu ik mijn handen wringe en voor mijn borsten sla,

En scheur mijn treurgewaad! och, of ze tranen lieten,

Wat zou mij daar een pak, een pak van 't hert afschieten!

Nu houdt de rouw, zoo 't schijnt, de dorpels toegestopt,

Een rouw, die ik al meer en meer hebbe ingekropt,

Daar ik aan stikken zal, daar ik aan _moet_ verstikken,

Hoe flaauw bezwijkt mijn hert schier allen oogenblikken!

O wee! o wi! o wach!--hebt gij, bedrukte maagd!

Uw hert nog niet van rouw geleêgd, en uitgeklaagd,

En moogdy niet een traan tot uwen troost verwerven,

Zoo treurt u voorts in 't graf, en zoekt uw heil in 't sterven.

REI VAN STAATJONFFREN.

Wat krijgsliê komen hier, die meer zijn als gemeen?

Waar vliên wij? och! wie is 't? zijn 't hopliê?

REI VAN JOODSCHE VROUWEN.

En met een

De veldheer Titus zelf; ik zie, hij staat in 't midden.

DE DOCHTER SION.

Staatjonffren! volgt mij na, en helpt ons straf verbidden.

Aanveerdt een droef gelaat, en jammerlijk gebaar.

Slaat voor uw borst, verscheurt uw kleedren, en uw haar,

Als ik mijn stem verhef; bevochtigt met uw tranen

't Hert des verwinners: of gij zoo een weg mocht banen

Tot mededoogen; schaamt, rampzaalge rei! u niet,

Nu aan te gaan al 'tgeen de bittre nood gebiedt.

Vergeet uw oud geslacht van priesteren en vorsten

En koningen, die 't al ten strijde ontzeggen dorsten.

Ootmoedigheid u voegt; ik ga u allen voor.

God! om[315] wiens aanschijn juicht de rei van 's Hemels koor,

Mij aangenaamheid jont, druipt honig op mijn lippen,

Dat ik bewegen mag zoo zielelooze klippen,

Als zijn der vijanden onbuiglijke gemoên!

TITUS.

Wie knielt hier neder om t' erlangen haren zoen?

DE DOCHTER SION.

Grootmogende monarch! wilt met geduldige ooren

Ons klacht, ter zielen[316] uitgeborsten, doch aanhooren:

Wij, 't overschot des volks, die vallen u te voet,

Wij eischen geen genâ, maar dat gij met ons doet

Al 'tgeen wat u behaagt: laat vrij uw dienaars stooten

Haar degens door ons borst, die wij voor u ontblooten:

Of dat ze ons werpen van dees rotsen, scherp en steil,

En plettren ons gebeent', want 't sterven is ons heil,

De dood ons toevlucht, en haar komst, daar andre menschen

Voor schrikken, is den troost en 't zoetst', daar wij om wenschen,

Om te geraken door d' eindlooze zwarigheên,

En eens ons leed t' ontgaan; of zijdy door gebeên,

Ontzichelijke vorst! nog tot genâ te neigen,

Verzacht de penen[317] doch, die d' overwonnen dreigen.

't Van ouds beroemd geslacht, dat van de vadren daalt,

Bijna is uitgeroeid; dien lof hebdy behaald:

Een handvol blijft er, uitgeput van ongenuchten[318],

Die 't leven valt te bang, die niet doen dan verzuchten:

Erbarmt u haarder, en verschoont ze, o vorst! althans[319],

Die 't lot spaarde om te zien den val haars vaderlands!

TITUS.

De complete werken van Joost van Vondel. Hymnus of Lofzang van de Kristelijke Ridder, [etc.] · 第 4 / 7 段