Ziet onze oogappels als een vier

Eens branden, om den lauwerier

Te plukken, groen van bladen,

Langs ongebaande paden.

Al sneuvelt menig held terwijl,

Die was aan 's keizers hof een stijl[184],

De vroomheid van ons allen

Stut al wat dreigt te vallen.

In 't bed van eeren valt den doôn

Onsterfelijke lof ten loon,

En Mars jont, dat zijn schimmen

Van moud'[185] ten Hemel klimmen.

Dus is ons 't oorloog geen verdriet,

Noch achten 't leven dierbaar niet;

Wij pronken met ons wonden,

En pijlen toegezonden.

Wij vliên het troetlen van 't gemak:

Den blaauwen Hemel is ons dak,

Op 't vlakke veld wij slapen,

En sluimren in de wapen[186].

Schoon de opgesteken moordtrompet

Somtijds ons zoete rust belet,

Wij aarslen voor geen dreigen,

Want dit 's den krijgsman eigen.

Als onzen veldheer rept een woord,

Het slaat gelijk een bliksem voort,

En 't helpt, van bende aan bende,

't Gansch leger over ende.

Is 't vreemd, dat ons trofeên, ten toon

Dan, in de kerken van de Goôn,

En vendels opgehangen,

Afzwieren van haar stangen?

Is 't vreemd, dat Titus houdt in dwang

Het Oosten en den Ondergang[187]?

Dat hij uitzendt zijn stralen

Aan 's werelds leste palen?

Is 't wonder, dat ook 't Joodsch geslacht

Van Rome gansch is t' onderbracht?

En dat wij Salems nekken

Nu met ons zolen dekken?

Hoe vreugdrijk groeit nu Titus' geest!

Hoe viert hij nu zijn zegefeest!

Hoe zacht, na al dat slaven,

Doen[188] ons zijn milde gaven!

Hoe ruiterlijk deelt hij den buit

En roof aan zijn soldaten uit!

Wie zag, ooit van zijn dagen,

Het goud zoo afgeslagen?

Al 't kunstwerk, dat ooit slepen kon

't Prat Solyma van Babylon;

Al wat ze, om preutsch te pralen,

Van Tyrus' merkt liet halen:

Scharlaken, purper, fijn en eêl,

Arabisch wyrook en kaneel,

Haar schatten allenthalven[189]

Nu ons kwetsuren zalven.

Dat troost nog eens fluks krijgsmans hert,

En leert vergeten al zijn smert,

Die hij ooit most bezuren,

In 't stormen op de muren.

O, maarschalk, voor ons veel te mild!

Nu scheept uw legers waar gij wilt,

Waar iemand opsteekt de ooren,

En wekt des keizers tooren.

Al woudy bij den Indiaan,

Aan Indus oever drenken gaan

Uw hengsten, mat van 't hijgen,

Van op en af te stijgen:

Of wildy daar de zon verbaasd

't Gediert wijkt, dat van honger raast:

Daar, op de Noorder wagen,

De winter wordt gedragen:

Of Westwaarts, daar het Hemelsch vuur

Braadt d' Iber, onze nagebuur:

Of aan der Mooren grenzen:

Of de oevers der Cretenzen:

Of wildy, daar geen Fœbus[190] schijnt,

Daar Pluto de arme zieltjens pijnt,

Afstijgen gaan ter Hellen:--

Alom wij u verzellen.

DE TWEEDE HANDEL.

DE DOCHTER SION, REI VAN STAATJONFFREN, REI VAN JOODSCHE VROUWEN,

JOSEPHUS.

DE DOCHTER SION.

Hoe dwaas hij zich verleidt[191], die zijn geluk vertrouwt,

Die op de uitstekendheid van zijn paleizen bouwt,

En troetlen laat zijn ziel van zichtelijke[192] dingen,

Die, hoe ze grooter zijn, hoe meer veranderingen

Haar hangen over 't hoofd, en jagen haar verderf;

Hoe ijdel dat men klutst[193] op 's werelds timmerwerf,

En opboeit[194] 't handgebaar van menschelijke zaken;--

Dat leerde mij de val van Sions hooge daken,

Van dees gebluschte zon, die, met dat ze ondergaat,

De wereld om doet zien, en als voor 't voorhoofd slaat.

Jeruzalem! hoe is uw hovaardij geslonken!

Uw preutsheid overliep, de weelde maakte u dronken

Met haren gouden kop, en haar venijnig sap,

Zoo fluks 't rees in uw brein, maakte u de beenen slap:

Hoe zoudy langer staan? gij raakte aan 't suizebollen,

En kwaamt van d' elpenstoel en marbre trappen rollen,

Naslepende uw perruik, besprenkeld peersch en blaauw:

Daar af gij nog behieldt dees wonden versch en raauw.

Waar is uw schoonheid nu, die, met vergode stralen,

Danste op de oneffenheid van heuvelen en dalen?

Die als een Cherub zweefde op 't dak van 't heilig koor?

En lodderlijk van verr' d' Araber en de Moor

Ontstak met ijver, om te vliên haars afgods drempel,

En te offeren haar goud en wyrook 's Heeren tempel?

Helaas, ze is lang verwelkt! een onverwacht tempeest

Dees bloem de keurs uittrok, in 't midden van haar feest.

Hoe grimmig, van d' Eufraat, 't op mij gebeten Babel

De vonken van haar toortse en bliksems van haar sabel

Mij klonk in 't aangezicht! hoe eislijk en verwoed

De stad aan[195] vlammen vloog, en zwom in enkel bloed:

Hoe schendig 't Heiligdom zijn guldene geschieren[196]

Most laten tot een roof Chaldeên en Assyrieren!

Al was 't, al was 't schoon, dat haar handen Babylon,

Aan Zedechia's zaad en Levi's zonen, schon:

Al sleepte ik 't ijzer van dien Assur Godvergeten,

Nog heeft mijn borst meer ramps en onheils nu gesleten.

Een onweêrstandlijk heer mijn krachten heeft gemat,

En van gebouw ontkleed dees torenrijke stad;

Het muurwerk ondermijnd van ons driedobble wallen

Den stormbok wijken most, en daaglijks[197] is gevallen,

In 't[198] zakken driemaal slaat de bergen krom gebuld,

En 't puin de locht met stof tot aan de wolken vult.

De vijand tracht de vest, met bruggen en met leêren,

Spijt d' afgebraakte[199] wacht, gewapend te passeeren,

En dringt steeds stadwaart aan, en houdt ons in alarm.

Onze ooren zijn gevuld met jammerlijk gekarm,

Onze oogen zijn vol slaaps, ons hert is mat van zuchten,

De mond is vol geklags, de voeten willen vluchten,

En de ermen evenwel (dan ach, met luttel baats!)

De stormen nog weêrstaan des Heidenschen soldaats,

En worstlen; maar helaas! zij worstlen met een sterker,

Die reede ons vrijheid heeft verwisseld in een kerker.

Wat nood, wat nood waar 't nog in 't midden van de brand,

Voelde ik geen burgerkrijg in 't zwanger ingewand!

Al dronk ik zulken kelk met grondsop en met droesem,

Had ik die slangen niet gekweekt in mijnen boezem;

Waar' 's tempels vloer met 't bloed der priestren niet besprengd,

Zag ik die vuisten van mijn burgers niet vermengd,

En bieden 't scherpe spits elkanders heupe en lenden:

Wij hadden nog gekampt, eer ze ons ons vrijheid schendden.

Maar ach, rampzalig volk! omdat u God verlaat,

De een aangewreven plaag tot duizend erger slaat:

Uw lijftocht oorlof neemt[200]: dies, met zijn dorre schinklen,

Den honger uitgevast, dat zijn gebeenten rinklen,

Spookt straten op en neêr, en stookt een nieuw rumoer,

En raast, en smijt, en loopt de deuren op de vloer.

Het uitgemergeld lijf, als 't hooger niet kan lijen,

Misthoopen ommewroet, en boet zijn lust aan prijen[201],

En haalt zich op den hals zoo doodelijken pest,

Dat de onbegraven doôn men slingert in de vest.

Wee, wee! den vijand zelf moet 't hert in 't lijf bezwijken,

Zoo fluks de stank opgaat van de opgehoopte lijken,

Hij heft zijn handen op naar 't sterrenrijk gewelf,

En zweert, zulks is niet zijn, maar 't werk der Goden zelf.

Broodhonger, 't scherpe zweerd, de braafste om weer te bieden

Tot 's keizers tenten gans mismoedig dwingt te vlieden:

Daar, als 't roofgierig volk doorsnuffelende ontdekt,

Hoe 't ingewand een schrijn[202] den vluchteling verstrekt,

De goudzucht 't hert bekoort, dat, zonder haars t' erbermen,

Geen rijker mijnen wenscht als die goudrijke darmen:

Den hongerigen buik dien rijkdom wordt misgund,

En krijgt voor gerstenbrood eens stalen degens punt.

Nog overwoeg een kwale alle andere kwellagiën,

Doen die verdufte smook van 's tempels timmeragiën,

Doen d' hongerige vlam dat priesterlijk gebouw-- -- --

O hertsteek! o verdriet! o smert! o druk! o rouw!

Wat Israliet, voortaan verschoveling der menschen,

Zal eeuwig niet dien dag vervloeken en verwenschen!

Ik zag een Roomsch soldaat, met zijn gekamden helm,

Op kerkdiefte afgerecht (God Jacobs, keert dien schelm!),

Ons vliênde schildwacht kort navolgen met de glensters[203]

Eens gloeyendigen brands: daar hij de goude vensters

Van 't heiligdom meê blaakte, en, Godvergeten stout,

't Vervloekte vuur stak aan 't gewijde cedrenhout:

De ceder reikt' zijn hitt' d' olijf, te vet om lesschen[204]:

D' olijf den den ontvonkt: de denne den cypressen[205]:

Dies, eer men ommeziet, dat schoon getimmer bernt,

En braakt zijn vonken uit naar 't flonkrende gesternt'.

Help God! de brand steekt op, en een geschrei met eenen

Zwilt met de opgaande vlamme en klatert door de steenen.

't Barbarisch volk komt aan op 't vuur en op 't geluid,

En vlamt op zoete wraak en ruiterlijken buit.

De keizer in zijn droom, zoo onverziens gedagvaard,

Vliegt op, grijpt schild en helm, en d' appel van zijn slagzwaard:

Verneemt, hoe 't vuur met asch 't gewijde marmer dekt,

En 't golven van de vlam de gulde daken lekt:

Speurt, hoe een roode gloed versmilt die goude schaliën[206],

En 't hoog verhemeld koor worpt vonken door zijn traliën:

Dies zweert hij, bij zijn staf, zijn purper, en zijn kroon,

Dat elk om 't eerste lesch[207], en 't Joodsch gebouw verschoon:

Maar ach! hij roept te spâ, zijn krijten is verloren:

Hij buldert schoon om zunst, het oorloog heeft geen ooren.

Daar mocht men Moria ten Hemel rijzen zien,

En ons verbaasd den brand in 's vijands staal ontvliên:

Daar zag men Salomons herborene paleizen

In heete kolen staan, als gloeyende forneizen[208].

D' Olijfberg, heet geroost, amechtig zweet alreê.

Het strand wenscht hooger vloed, de eilanden in de zee,

Thabor en Hermon, haar voor zulken gloed ontzetten,

En Kedrons zilvren nat en Gihon droogt van hetten.

Het krakende gedreun doet aarslen ons Jordaan,

En doodverwt 't aangezicht van d' onvoldragen maan.

Hier vluchten wij te spâ: d' een braden moet en hersten[209],

En d' ander half geschroeid van boven springt te bersten.

D' een, in de borst gekwetst met een vervlogen hout,

Beklaagt, dat hij zijn ziel heeft 't heiligdom vertrouwd:

En d' ander, die getroost omhelsde 't heilig alter[210],

Wordt van het zweerd verrast, en sneuvelt er, en valt er.

De nood beveelt t' ontwij'n, en ieder te betreên

't Plaveisel, afgekeurd[211] voor 's priesters zool alleen:

Maar wat kerkschender heeft hier 't heilige in hoogachting!

Genade, o Davids God! wat 's dit een wreede slachting!

De ontbonden wraak, die 't al wat uitmunt fluks verderft,

Wiens slippen zijn met bloed scharlakenrood geverfd,

Het Jodenvleesch goedkoop aan riemen snijdt en lappen.

Het slibberige rood stroomt langs de marmre trappen,

Dat slippren ruglings ons verdervers lichtevoet,

En zelf de vlamme wijkt voor 't uitgestorte bloed.

Op 't jammer en 't gekerm der gener, die hier sneuvlen,

Geeft antwoord Davids stad, en de omgelegen heuvlen.

De krijgsman afgebraakt maait eenen gouden oegst[212]:

En doôns en moordens zat, eer 't alles is verwoest,

Aan 't plondren valt, en ruit en rooft de gulde vaten,

En al wat half geblaakt hem 't vuur heeft nagelaten.

Helaas! als ik 't gedenk, het haar te berge stijgt:

Wat wordt mij bange! ik zwijm, ik sterf, het herte ontzijgt;

Staatdochters, reikt me--amy[213]!

REI VAN STAATJONFFREN.

Hoe is 't? hoe is 't, mevrouwe?

REI VAN JOODSCHE VROUWEN.

Wee onzer! och, zij valt, zij zwijmt, zij sterft van rouwe!

Brengt hier welriekend kruid, kaneel, en kruidery.

O droefheid!

REI VAN STAATJONFFREN.

Zij bekomt.

REI VAN JOODSCHE VROUWEN.

Hoe is 't, mevrouwe?

DE DOCHTER SION.

Amy!

REI VAN STAATJONFFREN.

Hoe is 't, princesse?

DE DOCHTER SION.

Amy!

REI VAN JOODSCHE VROUWEN.

Wat droefheid kwetst uw herte?

DE DOCHTER SION.

Helaas! is 't vragensweerd, die gij gelijke smerte

Met mij deelachtig zijt? Staatjonffren zonder staat!

Ontslaat u mijner; ach!

REI VAN STAATJONFFREN.

Nu, stelt uw droefheid maat.

DE DOCHTER SION.

De rouw heeft veel te diep haar wortelen geschoten,

Ons past dit treurgewaad; en gij, mijn speelgenooten!

Terwijl ik wat bedaar, waarom en kweeldy[214] niet,

En spijst mijn droeve geest met eenig klaaglijk lied?

Mijn ziel vermaken schept in grouwelijke dingen,

Die voorgevallen zijn in dees veranderingen.

Meldt, hoe door hongersnood een moeder afgetreurd

Uit razernije moordt, rooft, en met tanden scheurt

De zoete vrucht haars lijfs.

REI VAN JOODSCHE VROUWEN.

Watte eiselijke stukken!

Wee onzer! zouden wij met nieuwe ellenden drukken

Onze afgepijnde ziel, door 't wederroepen[215] van

Een daad, die van de felste, en bloedigste tyran,

Hoe onverbiddelijk, kan 't steenen hert verzachten!

Ons brein te zeer ontsteld, en vliegende gedachten

Eer willen zijn gesmeekt[216] en zoetelijk gestoofd:

Ons wonden zijn te versch, dus slaat dat uit uw hoofd.

REI VAN STAATJONFFREN.

Te schendig luidt dat feit, princesse! 't mocht u storen.

DE DOCHTER SION.

Vermag ik iets bij u, te liever wil ik 't hooren.

REI VAN JOODSCHE VROUWEN.

Als 't anders niet mag zijn, als 't immers wezen moet:

Nature (die den band van 't moederlijk gemoed

Ontbond, doen[217], uitgeput en razende van zinne,

De moeder overtrof in wreedheid een leeuwinne,

Die in 't Libaansche[218] bosch, van honger afgejaagd,

Nog nuchtren haren roof in haren leger draagt,

En aast[219] zorgvuldig eerst haar eerst geworpen leeuwen,

Die nu de vijfde dag heesch om de voedster schreeuwen)

Ontbindt den band, die nog houdt 't vrouwelijk geslacht

Aan deernis streng verplicht, door een verborgen kracht,

Opdat wij, heel en al ontaard van mededoogen,

Dit treurspel ons vorstin bij beurt[220] vernieuwen mogen.

REI VAN JOODSCHE VROUWEN.

Als de vloek met duizend benden

Van het Westen donderde op,

Om Jeruzalem te schenden

Van haar zolen tot de top,

Heeft ze Sions gaalderijen[221]

Met een muur omlegerd heel,

En dat zegenrijk kasteel

Ons een kerker doen gedijen.

Och! ons voorraad slijt en mindert,

Mindert, eer wij ommezien,

En 't Latijnsche bolwerk hindert

Nog d' aanstaande nood t' ontvliên:

Dies ons vleesch en been komt knagen

Deze worm, die honger heet:

Dies elk fluks van smert vergeet

De ander opgehoopte plagen.

Als men 't leder van de schoenen,

Katten, prijen, heeft geknaauwd,

En de maag haar niet verzoenen

Laat, uit hongersnood benaauwd,

En hoe langer hoe verwoeder

Ons die beul in 't woeden stijft:

Hoort, waar toe zijn wreedheid drijft

Hersenloos een droeve moeder.

REI VAN STAATJONFFREN.

Mag ik anders 't graf niet erven,

Zegt ze, nu mij 't licht verdriet?

Moet ik dan van honger sterven?

Kent me[222] nu mijn adel niet?

Troost mij nu noch schat, noch have?

Was mijn toevlucht d' heilge berg

Daarom, dat ik 't vleesch en merg

Dien tyran tot voedsel gave?

Dat zij God geklaagd hier boven,

Die met duizend oogen ziet,

Hoe ellendig en verschoven

Mij geweld en kracht geschiedt:

Hoe rampzalig van benouwdheid

Ik dien slinkschen pad insla,

En een schendig stuk besta:

Heer, vergeeft me deze stoutheid!

REI VAN JOODSCHE VROUWEN.

Kind! wat hangdy aan mijn spenen,

Aan mijn borsten, droog en slap,

Daar mijn adren dorr' verleenen

U noch melk, noch bloedig sap?

Snakt uw keeltjen naar mijn leven?

Moeders ziel drukt uit dees mam!

Als uw hertjen maar bekwam,

Daar was weinig aan bedreven[223].

Maar helaas! wie zou mijns zoontjens

Voedster zijn na moeders dood?

En dees ingevallen koontjens

Stoven poezlig in haar schoot?

Ach, mijn schaap! gij bleeft vergeten,

En mijn asschen onverzaad[224];

Ook, mijn troost! een wreed soldaat

Mocht u aan zijn lanci speten[225].

Waar 't niet beter 't licht te mijden

Door uws eigen moeders hand?

En dat ze u een kerkhof wijdden

In haar duister ingewand?

Als van kraayen opgezwolgen

Of een tijgerdier geaasd?

Of een leeuw, die brult en raast,

Grimt, en slingersteert verbolgen?

Zwangert dan uws moeders lenden,

Daar uw geest ontving zijn geest;

Dekt ze een tafel der ellenden,

Dat ze vier' haar leste feest.

Sus, mijn schaapken! wordt u banger?

Is u 't lieve leven leed?

Ik heb mijn gemoed ontkleed:

Wij zijn kind noch moeder langer.

REI VAN STAATJONFFREN.

't Woord drupt van de lippen nouwlijks

Of ze keelt dat mager dier;

Vliedt, die[226] schroomt voor iet wat grouwlijks!

't Heilig zieltjen vliegt van hier.

't Versche vleesch, op heete kolen

Half geroost, ten halven gaar,

Vreet ze, als of 't wat lekkers waar,

En houdt 't overschot gescholen.

REI VAN JOODSCHE VROUWEN.

Als de wachters spijze roken,

Bonsden zij de deur in twee:

Vloekten: "hoer! wat 's hier te koken?

Deelt ons van uw wildbraad meê:

Op, schaf op, uw bradelingen[227]!

Op, schaf op du, looze tesch!

Eer wij elk 't getrokken mes

Driemaal in uw borst omwringen!"

REI VAN STAATJONFFREN.

"Stilt uw gramschap, weest te vreden!

Hier is," zegt ze, "'t overschot

Van mijns kinds gebraden leden:

Eet vrij, dat u zegent God!

Dat zijn d' ermkens, dit de voetjens,

Dat de spierkens van mijn zoon,

Dien mijn honger dwong te doôn:

't Vleesch, dat smaakte mij zoo zoetjens[228]."

"Zet u neder, weest mijn gasten,

Proeft mijn leste dischgerecht!

Waarop wildy langer vasten?

Schijnt mijn maaltijd u te slecht?

Waarom deinsdy? zal een vrouwe,

Zal een wijf geherter[229] dan

Wezen als een oorlogsman,

Die het harnasch gespt getrouwe?"

"Zijt slaphertiger noch weeker,

Als de moeder, die noch leeft,

En ter nood zoo bittren beker,

Vol vergifs, gedronken heeft.

Gij zijt de oorzaak van mijn smerte,

Die mij 't brood in tegenspoed

Roofde, en 't moederlijk gemoed

Wisselde in een wolvenherte."

REI VAN JOODSCHE VROUWEN.

't Was gezeîd; de roovers brulden,

Vloden het onmenschlijk dak;

Klachten Salems straten vulden;

Waar men van dit grouwel sprak,

Daar vangt siddren aan en beven;

Daar wenscht elk, met droef gehuil,

Dat hij, in die leeuwenkuil,

Mag den lesten doodsnak geven.

REI VAN STAATJONFFREN.

Als de keizer leent zijn ooren

Zoo beschreyelijken feit,

Wenscht hij nooit te zijn geboren,

Dondert in zijn toornigheid:

"'k Wil uitspoelen deze vlekken,

En dit aardrijk, lang gedreigd,

Dat al meer tot boosheid neigt,

Gants met gruis en steenen dekken."

DE DOCHTER SION.

Ja, dekt met gruis, met puin, en met zijn leste steenen,

Dit aardrijk, veel te lang beregend en beschenen:

Verwoest, verbrandt, en blaakt dees stad te lang verschoond,

Daar langer, langer meer geen menschlijkheid in woont,

Maar eenig ongediert': dat, als 't geen roof kan vinden,

Ontziet zijn eigen nest en vleesch niet te verslinden.

Hier is geen blijven niet[230], Staatdochters, laat ons vliên!

Ons zolen branden.

REI VAN STAATJONFFREN.

Maar helaas, helaas! tot wien,

Of werwaarts roepty ons in ballingschap te dolen,

Mevrouwe! die wij[231] nu zijn 's keizers gunst bevolen?

REI VAN JOODSCHE VROUWEN.

Wij vlieden tijds genoeg, wanneer de bittre nood

Ons van Cæsariën scheept geboeid, met Titus' vloot,

Langs de Africaansche kust, en toeschuift den Latijnen,

Daar andren Hemel dwaalt[232], en andre sterren schijnen:

Daar Rome ondraaglijk ons gevangen halzen perst,

En Memfis' slavernije, en Babels juk ververscht.

REI VAN STAATJONFFREN.

Maar wie of ginder ons komt nieuwe vreeze inprenten?

REI VAN JOODSCHE VROUWEN.

't Gelijkt een Roomsch heraut, die uit des vijands tenten

Zet herwaarts zijnen tred; wat boodschap of hij brengt?

Heer, met wat honigs doch dees bitterheid vermengt!

Eens winters koude ontstelt de leden van verschrikken.

't Valt al ten ergsten uit, wat wij ten beste schikken.

REI VAN STAATJONFFREN.

Geen onbesneden is 't, maar iemand van de Joôn,

Zoo 't oog mij niet bedriegt.

DE DOCHTER SION.

Och! 't Is Matthias' zoon.

Josephus! zijdy 't zelf, of is uw schim verrezen,

Die gij[231] voorlang bij ons begraven waart voor dezen?

Josephus, zijdy daar? wat komdy nu zoo spa

Den brand uitlesschen van 't woest Hierosolyma[233]?

De daken neêrgezakt gekeerd zijn lang tot asschen:

Het krijgsvolk heeft in 't bloed zijn handen lang gewasschen,

En 't heilig goud verklaard voor keizerlijken buit:

't Is hier schoon uitgeveegd, gemoord, geroofd, geruit:

De felheid van zoo veel Hierosolymitanen

Dit mager hoopken liet het aangezicht vol tranen.

JOSEPHUS.

Onzalig Sion, die uw zinnen overlaadt,

En mijmert om uw ramp en omgevallen staat!

Gij derft Josephus niet uws herten grond uitputten[234],

Die alsins heeft gepoogd uw dorpels te beschutten:

Die onlangs, daar men 't al de keel afstak en sneed,

Daar hem de vlamme schoer de noppen van zijn kleed,

Daar 't bloed zijn lijfrok smette, en 't brein hem sprong om d' ooren,

U uit die slachting redde, en liet u niet verloren.

DE DOCHTER SION.

Vergevet mij! genade! het is, het is mijn schuld;

Verbijsterd staat mij 't hoofd van enkel ongeduld.

Ik ben mij zelven noch gelijk, noch ook niet machtig.

Een bladeken, dat ruischt, mijn ziele maakt vreesachtig.

Maar zegt ons, wat 's er gaans in 't heer van de onbesneên?

Wat juichen gaat er om? waar wil men met ons heen?

Wat zwerven langer wij op dees geslagen toppen

En rotsen, die, nu 's nachts nu 's daags, met heesche kroppen,

Ons klachten volgen, als wij zien van verre opgaan

Den smook, daar onlangs nog plag d' heilge stad te staan?

JOSEPHUS.

Het heerkracht, naauwlijks zat van woên op d' uitverkoornen,

Verschoond hadde alleen, drie Herodiaansche toornen[235]:

Opdat nog eeuwig de nakomeling onthield,

Wat muurwerk Rome eertijds heeft tot den grond vernield,

Als d' overwinner laat een gaalderije oprechten,

Van waar hij zelf aldus toeredent[236] zijn landsknechten[237]:

"Krijgshelden, die dusverre uw rechterhand alom

En ijver hebt besteed tot nut van 't keizerdom

Die 's vijands hoogmoed deedt op dees steenrotsen krimpen,

Van waar halsstarrig hij ons legers dorst beschimpen:

't Is recht, dat 's maarschalks gunst uw deugd loop' te gemoet,

En 't zweet uws arbeids met belooningen verzoet!"

Zoo sprekende, met een glad voorhoofd[238] hij der scharen

Verdiensten vrolijk gaat met giften evenaren,

En haar deelachtig maakt den buit en rijken roof,

Die 't Heidensch volk aanveerdt, na[239] haar soldaats geloof[240].

De vroomste[241], van wiens huid de sabelen afschampten,

Hij met halsbanden troost, kleinoodje, en hooger ampten[242]:

Dies 't gansche leger juicht, en in zijn handen klapt,

En elk het bloed vergeet, dat hem is afgetapt.

DE DOCHTER SION.

Die feest was voormaals ons, was Sions, en geen ander,

Als David, Jesses zoon, die rechte Salamander,

Die midden in de brand van 't oorloog 't leven vond,

't Hovaardig Rabba brak, daar Ammons hert op stond;

Als Assur week, verstrooid in velden en woestijnen,

Dien, die niet zoeters vond als 't bloed der Filistijnen,

En (overlaân met roof) met rei, en met tamboer,

Op 't maagdelijk muziek ter poorten inne voer.

JOSEPHUS.

Den overwinner, om zich dankbaar te bewijzen,

En d' hongrige afgoôn ook met offervuur te spijzen,

Ten heuvel spoedde, daar het woeden zoo goed koop

Wierp 't heilge metselwerk der kerken overhoop:

Omcingeld met een stoet schildknapen en hartsieren[243],

En krijgsliê, vrolijk om dees zegefeest te vieren.

De beesten afgekeurd[244] ter slachting, klommen stout,

En zonder aarslen voor zijn aanzicht: doende 't goud

(Dat onlangs was geschrabt, met messen en met bijlen,

Van 's tempels balken en van d' halfverbrande stijlen,

En om haar hoornen nu gegoten) blinken, als

Zij t' elken[245] staken op vrijpostig haren hals.

De kransen, versch van kruid gevlochten, men van verre

Zag lieflijk groenen en omschaduwen haar sterre,[246]

En 't zoute[247] veldgewas verzwolgen van de krans.

Twee priestren glad gehelmd, met koper schoon van glans,

Geborstweerd met een plaat, die 't overkleed bedekte,

Dat bont gespikkeld zich ten halven lijve strekte,

Vanwaar de lijfrok zond zijn vouwen naar beneên,

Omgord met eenen riem vol schilden rond en kleen,

Nabootsende een schalmei, met huppelen en springen,

En tromlende op haar borst, voor uit als leidsliê gingen.

't Opsteig'ren kostte zweet; de weg lag ongebaand,

En 't steil gesteente woest, wanschapen van gedaant'.

Het gladde horenvee vermoeid van bangheid rookte,

Om strijd met 't molm verduft[248], dat half gestikt nog smookte,

En mijdde[249] in 't klimmen nog 't gebeent', dat moedernaakt

Des Heeren berg tot een ellendig kerkhof[250] maakt.

De kraayen vloôn 't gebulk, en de arenden verschrikten,

Die hier ter feest gebeên de doôn[251] 't gezicht uitpikten.

DE DOCHTER SION.

Zwijgt, zwijgt, Josephus! zwijgt van arenden, en kraayen:

Onze ooren zijn te teêr, ons hoofd bestaat[252] te draayen:

Dat schouwspel luidt te vremd: hij zielbraakt die 't aanhoort

(Wij zwijgen, die 't beschouwt); maar neen, vertelt ons voort:

Daar is geen grouwzaamheid ter wereld zoo bezeten,

Of wij zijn 't nu gewoon, en lang al doorgebeten.

JOSEPHUS.

De complete werken van Joost van Vondel. Hymnus of Lofzang van de Kristelijke Ridder, [etc.] · 第 3 / 7 段