En van uw poorten mij de sleutlen aangeboden,
Als uws stads grondvest nog haar hooge muren droeg,
Als ik om Sions kreits nog eerst mijn leger sloeg:
Gij stondt nog daar gij stondt, en van uw sterke wallen
En waar de cingel[320] nooit ter aarden neêrgevallen.
Hoe vaken[321] hebdy, met een ingeboren haat,
Mijn keizerlijke gunst en goedigheid versmaad,
Als ik u hulde[322] aanbood, en, uit een mild ontfarmen,
U zwoer gezamentlijk voor onheil te beschermen:
Hoe menigwerven blies ik d' aftocht, alzoo ras
Gij nood leedt, als de strijd en storm op 't heetste was:
Hoe dikmaal breidelde ik mijn ongetemde benden,
Van vreeze, dat ze uw kerk en Godsdienst zouden schenden!
Nu komdy smeeken; op, staat op!
DE DOCHTER SION.
Ertsmaarschalk[323], ach!
Dat wij u kwetsten ooit is, laas! al ons beklag.
TITUS.
Nu 't glas verloopen is, nu roept men om genade.
DE DOCHTER SION.
Erbarmt des armen volks, al komet[324] vrij wat spade.
TITUS.
Zoo spade, dat er niets voor u te hopen staat.
DE DOCHTER SION.
Een welgeboren vorst zich nog erbarmen laat.
TITUS.
Een welgeboren vorst zoekt 't voordeel van den lande.
DE DOCHTER SION.
't Ontfermen voordeel brengt, gestrengheid schade en schande.
TITUS.
't Ontfermen brengt ook ramp, gestrengheid voordeel toe;
Zoo houdt men 't volk in tucht.
DE DOCHTER SION.
Elk een verwenscht de roê.
TITUS.
De booswicht haat zijn straf.
DE DOCHTER SION.
Ons heeft geen straf ontbroken.
De veldheer heeft zijn leed ten uiterste gewroken.
TITUS.
Waar mijnen doortocht valt, daar eischen[325] nog te staan
Dees muiters, tot een les en spiegel voor de kwaân.
DE DOCHTER SION.
Die 't spieglen lust, beschouw dit graf vol doode beenen,
Dees omgekeerde stad, en die verstrooide steenen!
TITUS.
Licht slaat men in de wind 'tgeen zelf men niet en ziet.
DE DOCHTER SION.
Al ziet men 't niet, de faam meldt wat er is geschied.
TITUS.
De Joden voor 't gerucht nooit eenen voet verzetten.
DE DOCHTER SION.
't Is een Godsdienstig volk, dat ijvert om[326] zijn wetten.
TITUS.
Is 't ijver, dat men muit?
DE DOCHTER SION.
Het acht de vrijheid weerd.
TITUS.
Derft hij ook vrijheid, die al heeft wat hij begeert?
Den Joden was 't vergund haar dorpels te bewonen,
Te lezen haren oogst, en koningen te kroonen,
En vorsten van haar bloed met purper te bekleên,
En vrank te leven naar der bestevadren zeên;
Dies mosten zij den stoel van Romen onderstutten
Met dragelijken tol, daar voor wij haar beschutten
Van allen overlast des woedenden soldaats:
Ja, wie ontwijen dorst 's kerks afgekeurde[327] plaats,
Naar d' uitgedrukte wet, geprent[328] in zuiver marmer,
Die brocht zijn vonnis mede, en vond geen lijfsbeschermer.
Is dit geen vrijheid, die 't gespuis vernoegen mag?
Veel andre zijn te vreên, en dragen ons ontzag;
Maar uw herdnekkigheid (en niet de zware tollen)
En 's keizers slappen moed, die brachten u aan 't hollen:
Ons goedheid vaak misbruikt u stouter heeft gemaakt.
DE DOCHTER SION.
Doorluchte prins! 't is waar, 't en kan niet zijn miszaakt[329];
Doch overweegt, dat eerst door woedende tyrannen
De ketenen van twist en oproer zijn gespannen:
Nooit had de vrome deel aan zulken overmoed.
TITUS.
De vrome vaak ontgeldt 't kwaad, dat een ander doet.
DE DOCHTER SION.
Wie wijs is en beraân, die schift ze van malkander.
TITUS.
Elk wascht zich af van 't vuil, en schuift het op een ander.
DE DOCHTER SION.
Wie niet handdadig is aan eenig kwaad beleid,
't Is billijk, dat hij staat op zijn onnoozelheid.
TITUS.
Zoo spreekt de kwaadste schelm.
DE DOCHTER SION.
Men ziet op niemands spreken,
Men let op ieders feit, en al 'tgeen heeft gebleken.
De aanstellers van 't rumoer zijn elkeen openbaar.
TITUS.
D' handhavers zijn al dood, en die[330] verbergen haar.
DE DOCHTER SION.
Men houde 't die te goê, de straf hun hoofden wrake.
TITUS.
Rechtveerdigheid, die 't meent, eischt over beiden wrake.
DE DOCHTER SION.
Uit slechtigheid[331] is 't vaak, dat iemand 't kwaad bestemt.
TITUS.
Al boet hij 't met zijn hals, dat schijnt dan niemand vremd.
DE DOCHTER SION.
Wie 't uit onkunde faalt heeft in dit pleit groot voordeel.
TITUS.
Zoo groot niet, of hij moet uitstaan zijns rechters oordeel.
DE DOCHTER SION.
Een oordeel, hecht gesmeed op 't aanbeeld van de reên.
TITUS.
Een oordeel, dat de wet en krijgsraad stelt te vreên.
DE DOCHTER SION.
O vorst! vernoegt u met de straf alreê genomen,
En die der boozen rot nog versch is overkomen;
Het overschot meest al onschuldig is aan 't kwaad,
Daarmede uw Majesteit gekwetst is inderdaad:
Misgunt niet, dat wij hier zieltogen weinig dagen,
En als een eerlijk lijk[332] Jeruzalem beklagen.
TITUS.
Om hier te nestlen? neen, de krijgsman, die 't zich belgt,
Staat uw uitroeyen duur.
DE DOCHTER SION.
Nu zijn wij gants verdelgd.
TITUS.
Zoo gants niet, of ons stond een erger kwaad te vreezen.
DE DOCHTER SION.
Zoo Rome vreeze aankomt van ouderlooze weezen,
Van weeûwen uitgeschreid, van vrouwen levensmoê,
Van wat ontwapend volks, zoo brengen wij z' haar toe,
Die, uitgemergeld, niet voor hebben, als ons magen[333],
Waar ze ergens kenbaar zijn, in 't koude graf te dragen,
En in spelonken en steenrotsen hier ontrent
Te huilen, schouw[334] van 't licht, tot dat ons leven endt.
TITUS.
Van luttel zaads gestrooid, dat over is geschoten,
Wast eenen rijken oogst; alzoo van weinig loten
Ontstaat een boomrijk woud; zoo[335] 't eerstgeplante veil
Beklimt en dekt een muur, al is hij hoog en steil;
De doornen laten niet van nieuws weêr aan te groeyen,
Zoo lang daar wortel blijft, die most men eerst uitroeyen.
DE DOCHTER SION.
Men laat dees woeste plaats van krijgsliê wel verzorgd.
TITUS.
't Mistrouwen geeft meer rust, en is een vaster borcht.
DE DOCHTER SION.
Mistrouwdy die gij loont?
TITUS.
Geenszins, maar wel u-lieden,
Die altijd woelt, en tracht den genen 't hoofd te bieden,
Die uwen staat verdrukt[336].
DE DOCHTER SION.
Ei, wapenloozen hoop!
Die in uw tranen smilt en 't zuchten hebt goedkoop,
Verheugt u nog met mij, dat de overwinners moeten
Voor u verschrikken, daar gij neêr ligt voor haar voeten:
Grijpt moed, en recht nog op 't vervallen Jodendom,
Want Titus staat bedeesd, en 't heer ziet naar u om.
TITUS.
Uit d' assche van een stad (licht wordt een zaak verkeken[337])
Is vaak een brand ontstaan, die landen heeft ontsteken,
En rijken met de grond ge-effend en vernield:
Geen lichaam acht men dood, zoo lang het is gezield.
Die dikwijls op het veld voor dooden zijn gerekend,
Gedenken aan haar leed, verrijzen weêr en wreken't.
DE DOCHTER SION.
Verre is de wraak van ons, die bloot zijn van geweer.
TITUS.
De wanhoop ziet niet aan, al waar 't een machtig heer,
Zij geeft ze dobbel kracht, en helpt weêr op de beenen
Een deel vervloekt gespuis, eer 't iemand zoude meenen.
DE DOCHTER SION.
Helaas, eêlaardig bloed! 't mistrouwen, dat gij hebt,
Veroorzaakt, dat men troost noch blijdschap uit u schept.
TITUS.
Zijt, jonkvrouw! wel gemoed, en wilt ten besten hopen,
De krijgsraad is vergaârd; mijn tijd is hier verloopen.
Verwacht van ons het lot, en denkt het zal wel gaan:
Wij breken morgen op, daar legt uw zaak naar[338] aan.
DE DOCHTER SION.
't Onredelijke[339] dier[340], dat eertijds twee gebroeders,
Grondleggers van uw staat verschoonde, en, als haar 's moeders
Ontzet[341] en speen gebrak, opzoogde, aan 's Tybers boord,
Was reedlijker als gij, die naar geen smeeken hoort.
Het klippig steengebergt, dat hier met doôn bespreed leît,
Ik tot getuige neem, o Titus! van uw wreedheid.
Geen kermen heeft hier plaats, en mij voorzeît de nood
Een slaafsche ballingschap, of een benaauwde dood.
REI VAN PRIESTEREN.
Wij, priesterlijke reyen
(Die voormaals met schalmeyen
Den vierdag plachten en de feesten in te wijden,
En steeds op Mozes' wetten
Aandachtelijk te letten,
En te vergaren 't volk op haar gezette tijden),
Niet hebben acht geslagen,
In[342] de onverwachte plagen,
En 't voorspook, dat ons daaglijks met verwoesting dreigde:
Al gaf God, zonder spreken,
Zoo menig helder teeken,
Waaraan 't bleek, werwaarts dat de Joodsche staat zich neigde:
't Verwoesten en 't vertreden
Van de omgelegen steden,
Vol viers, vol moordgeschreis, vol brands, vol bloeds, vol tranen,
Vol krijtens, en vol zuchten,
Vol twists, vol krijgsgeruchten,
Woû Salem van haar val en ondergang vermanen.
De ruiggehaarde sterre,
Die in de locht van verre
Blonk, als een Godlijk zweerd, recht boven onzen schedel,
Riep, dat het zweerd van Romen
Ons haastig op zou komen,
En treffen jong en oud, rijk, arm, eêl, en onedel.
't Licht binnen d' heilge drempel,
Bij 't outaar en den tempel,
Waarvoor de donkre nacht week met zijn bruine vlerken:
Het zwangre koebeest mede,
Ten brand geschikt alreede,
't Lam barende, zocht ons te brengen tot opmerken.
De deur met ijzren sloten
Van klaar metaal gegoten,
Die twintig mannen al bezweet te grendlen plachten:
Waarschouwde onz' Godverachters,
Als haar de tempelwachters
Wijd open vonden staan vaak en verscheiden nachten.
Het heerkracht veler volken,
Dat, boven in de wolken,
Zich legerde in de locht, voor d' ondergang der zonnen,
Vertoonde ons al de benden,
Die de oude stad berenden,
En niet aflieten voor zij hadden ze gewonnen.
's Nachts, als wij bezig waren
Om te offren op de altaren,
En 't heilig Pinxterfeest met ijver uitermaten
Aandachtelijk te vieren,
Naar d' overouw' manieren,
Riep ons een stemme toe: "laat ons dees kerk verlaten!"
't Weeklagen ongewone
Van Ananias' zone[343]:
"Wee volk! wee stad! wee kerk! wee, wee van allen hoeken!"
Ons uit den slaap niet wekte,
Daar 't als een voorspel strekte,
't Welk aanwees, dat ons God op 't strengste zou bezoeken[344].
Dit alles slaan wij gade,
Helaas! nu 't is te spade,
Nu stad en tempel is een roof der vremdelingen.
O God! ziet eenmaal neder,
En troostet Levi weder,
Opdat wij uwen lof met juichen mogen zingen.
DE VIERDE HANDEL.
TITUS, de keizer, TERENTIUS, hopman.
TITUS.
Wij staan op ons vertrek; mijn afgestreên soldaten,
Na zoo veel oorloogs[345], blijd' haar legerplaats verlaten.
Wij laten achter ons een omgeworpen muur,
Een koninklijke stad verdelgd met staal en vuur,
Een aardrijk omgewroet, een kerkhof vet van dooden,
Die niemand staan t' ontzien, ten ware dat der Joden
Verrezen schimmen ons opkomen mochten dol
Met fakkelen, gelijk uit Pluto's duister hol
Opdonderen somtijds de ontstelde razernijen,
Als al de wereld voor een anker schijnt te rijen[346]:
Maar dat is zonder zorg: nochtans acht mijnen raad
Dit oorbaar, dat men, tot gerustheid van den staat,
Hier een bezetting legt van krijgsliê wel ervaren,
Die onder eenen voogd 't land hier ontrent bewaren,
Opdat er niemand schans, noch slot, noch vesting bouw,
Noch voet krijg, noch iet kwaads den Romulijnschen[347] brouw.
Terentius, die vaak de[348] schild waart van mijn leven,
Wanneer ik in den strijd mij had te diep begeven,
Omcingeld van 't gevaar, belegerd van 't gekerm,
Besloten van 't geweer, daar, met geheven erm,
Gij mij te redden wist door sabelen en pijken[349],
En sloegt een wagenborg van doôn en versche lijken:
Deze eere komt u toe: ontvangt, ontvangt van mij,
Uw wettelijke prins en veldheer, de voogdij
Van gansch Judea; let met aandacht op uw zaken,
En wilt in 't voordeel van ons monarchije waken.
TERENTIUS.
Aanzienelijke vorst! och, of uw majesteit
Meer nuts genieten mocht van mijn gehoorzaamheid!
Wij nemen 't ampt in dank; uw mildheid is te loven,
Die ons verdiensten in bezolding gaat te boven.
Verschoont uw dienaar niet, die, als de keizer spreekt,
Wenscht te vervullen 'tgeen aan zijnen plicht ontbreekt.
TITUS.
Mijn tiende bende, die haar ooit zoo vroom verweerde,
Gesterkt met nog meer volks te voet en ook te peerde,
Ik tot bewaring hier te legeren besloot,
Om de overwinning te verzekren buiten nood,
Waarom men heeft verschoond den muur in 't West gelegen,
En 'tgeen daaraan kleeft: daar het krijgsvolk vrij van regen,
Van hagel, wind en storm, en onweêr schuilen mag,
En herberg krijgen: hebt gij over haar 't gezag:
Omhelst de wetten, en, wie tegen 't recht derft woelen,
Doet hem de strengigheid van onze krijgstucht voelen.
TERENTIUS.
Al wat mijn Heer beveelt, werd[350] wetens niet verzuimd.
TITUS.
Geen uitgedreven Joôn geeft hier te wonen ruimt':
Maar andren, die haar naar ons zeden kunnen voegen,
Vergunt deze akkren te bezaayen en te ploegen,
Mids redelijken tol 't rijk in te wil'gen, en
Dat niemand ander staf als onzen schepter kenn'.
TERENTIUS.
't Is billijk en gegrond, het steunt op goede reden.
TITUS.
Zoo iemand derf bestaan, òf vestingen òf steden
Te stichten, en tot zulks iets delve of spitte of graaf,
Die heeft het lijf verbeurd, zijn goed en al zijn haaf.
Die zaak is van gewicht, dus hecht ze in uw gedachten.
TERENTIUS.
De prince twijfel niet, wij hopen 't te betrachten.
TITUS.
Uit mijn gevangens ik heb duidelijk verstaan,
Dat Simon, die ons zoo veel hoons heeft aangedaan,
Die schelm, dien, afgerecht op zoo veel boeverijen,
Het oorloog spaarde, om zijn verschulde straf te lijen,
Zich onder 't muurwerk houdt, 'twelk nog van de aarde rookt,
Met andren, die hij naar zijn lust heeft opgestookt:
Neemt acht hierop, en dees steenhoopen wilt bezetten
Met wachters, voor een wijl, die op dien booswicht letten,
Opdat hij 't niet ontslip: indien nog 't recht in zwang
Bij d' Hemellieden is, dat elk zijn straf ontvang,
En penen geld'[351] en boet' zijn grouwelijke stukken,
Hij zal u niet ontgaan.
TERENTIUS.
En of dit woû gelukken,
Wat eischt het recht van hem? te sneuvlen door de bijl?
TITUS.
Die deugd[352] gebeurt hem niet; dat gij hem in der ijl
Mij toestiert, wel bewaard, te Rome, daar wij wenschen,
Dat hij in ons triumf zij 't schouwspel veler menschen,
En pijnelijk uitbraak zijn goddelooze ziel,
Die stadig van het eene in 't ander kwaad verviel.
TERENTIUS.
Schept die verrader slechts in onderaardsche kuilen
De locht, al ging hij zich zoo diep uit angst verschuilen,
Dat hij den Tartarus, daar geenen Febus schijnt,
Mocht hooren loyen[353], als de boosheid wordt gepijnd:
Die schelm, doorluchtig held! mijn hand niet zal ontvlieden;
Belieft u iets wat meer, gij hebt maar te gebieden.
Ik volge uw Majesteit, en doe u uitgeleî.
TITUS.
De tijd verloopt, het is hoognoodig dat ik scheî,
En vorder[354] onzen tocht; ik zie, nu wij vertrekken,
De keizerlijke stad haar zeven halzen[355] rekken,
En uitzien naar het heer, dat, werwaarts het ook vecht,
Alom het veld behoudt, en prijs en eer inlegt.
Ik zie de stacie van de Roomsche burgerijen,
In volle rusting, ons ontmoeten met verblijen;
Den Tiber zwert van volk; ik zie Vespasiaan,
Mijn broeder[356], en den Raad bij Jovis tempel staan:
De priestren 't outaar voên, en al de Goden vieren,
En 't onverwelklijk groen 't hoofd des verwinners cieren.
REI VAN JOODSCHE VROUWEN, FRONTO, REI VAN STAATJONFFREN, DE DOCHTER SION.
REI VAN JOODSCHE VROUWEN.
Nu wakker, stapelt steen! de nood breit[357] duizend listen.
Deze aanslag blijft ons borg, of de eerste treken[358] misten.
O kranke toevlucht! zoo de koningen van ouds,
Bedrupt van balsem, en verladen met veel gouds,
Behangen met de glans van purper en kleinooden,
Opbraken 't marmor, en opkeken van den dooden,
Hoe zou 't haar kwetsen, ach! maar als 't aldus moet zijn,
Dit is de waarheid naast, en geeft[359] het veinzen schijn[359]
Voor 't ander. Wakkert u; metst[360] van berookte steenen
Een graf voor de IJdelheid[361], en wilt haar lijk beweenen.
FRONTO.
Mars heeft hier uitgeraasd; hij scheidt, om elders weêr
Een wederspannig rijk, met zijn gevelde speer,
Met 't weêrlicht van zijn schild, en met getogen zweerde,
Te slechten, tot den grond en bodem toe, met de eerde.
Ik kome, in 's Keizers naam, gelast, om zoo terstond
Dees tempelhoeren, die geen uitstel wordt gejond,
Te volgen doen het heer, dat langer niet mag dralen.
REI VAN JOODSCHE VROUWEN.
Help God! hij komt om ons; het is, om ons te halen!
REI VAN STAATJONFFREN.
Steenrotsen! berst van een; valt, bergen, op ons neêr!
Troost God! waar vluchten wij? hier is geen vluchten meer.
FRONTO.
Weg, weg, met dit geraas! 't is langer hier met stenen
Noch kermen niet te doen.
REI VAN STAATJONFFREN.
Waar wildy met ons henen?
REI VAN JOODSCHE VROUWEN.
Wat hebdy met ons voor?
FRONTO.
Voort, voort! Jodinnen, voort!
Ik doe u geen verslag, neen, niet een enkel woord;
Gij werdt het zelf gewaar. Wel, waar is uw vorstinne?
Waar is 't hertnekkig wijf?
REI VAN STAATJONFFREN.
Wij bidden u, uit minne,
Och! wijst ze ons, waar ze dwaalt.
FRONTO.
't Is u niet onbewust.
REI VAN JOODSCHE VROUWEN.
Wij zijn om harentwil bekommerd en ontrust.
REI VAN STAATJONFFREN.
Zij droop van onze rei vol zuchtens en vol klagen,
Berooid van hoofd en zin, versuft en heel verslagen,
En eer men toezag (want onze oogen waren dik
En rood van schreyen) zij, in eenen oogenblik,
Was ons gezicht ontgaan, en, werwaarts dat wij zonden,
Haar stem wierd niet gehoord, haar voetspoor niet gevonden.
REI VAN JOODSCHE VROUWEN.
Verlatene vorstin! zoo gij de locht nog schept,
Meld de oorzaak, waarom dat ge ons dus begeven hebt:
Want zooder hoop was, om uw zelven te versteken,
Wij hadden t' zamen wel dit ongeval ontweken:
Geen klip zoo eislijk steil, geen afgrond is zoo naar,
Vol slangen, vol gedierte, of 't uiterste gevaar,
Hadde ons doen klimmen, en opklaveren[362] en dalen:
Of hebdy vóór den tijd uw doodschuld gaan betalen,
En zijdy van een rots gesneuveld[363] op een steen,
Die gants verpletterd heeft 't albaster van uw leên,
Zoo wilt door eenig spook of teeken doch gehengen,
Dat wij u vinden, en met rouw ter aarden brengen.
FRONTO.
Hoe luidde 't jongst beklag? hoe droeg z' haar als ze schied[364]?
REI VAN STAATJONFFREN.
Van droefheid uitgeput, verwonnen van verdriet,
Zal ik dan, sprak ze, die gevallen ben in handen
Van d' onbesneden, zijn haar schouwspel t' mijnder schanden?
Zal ik, die een vorstin der volken ben geweest,
Verstrekken een slavin van die ons heeft gevreesd?
Zal ik verschoven gaan in ballingschap vol smerten
Mijn ramp ineten? en al steeds met droever herten
Ophalen mijnen val? en den voorleden staat
Gaan vergelijken met ons tegenwoordig kwaad?
Nog zoo niet; naauwlijks was het kermen van de lippen,
Of wij verloren haar omtrent die scherpe klippen.
REI VAN JOODSCHE VROUWEN.
Hij gaat ze zoeken.
REI VAN STAATJONFFREN.
Och! of dit gelukken woû,
Dat wij 't lijf bergden van ons welgeboren vrouw[365]
In 't uiterste gevaar, voor 't woeden der tyrannen:
Wie weet, wat uitheemsch bloed eens met haar aan mocht spannen,
En geven zich te velde, om 't overschot der Joôn
Te stellen in haar stoel, en koninklijken troon:
Wie weet, van waar ons God mocht een verlosser wekken,
Die eenen Cyrus zoude of andren Mozes strekken,
Of braven Gedeon, of trotschen Jozua,
Of stouten David, tot verzetting[366] van ons schâ.
REI VAN JOODSCHE VROUWEN.
Staatjonffren, zwijgt! hij keert met overwinners-treden,
Gezwollen om zijn hoofd van toorne en gants t' onvreden,
Met dreigende oogen spoedt hij t' onswaart zijnen gang.
Jehova, staat ons bij! wat wordt mij 't herte bang!
Moord! moord! hij trekt 't geweer! ik tril, ik beef, ik sidder!
REI VAN STAATJONFFREN.
Genade, o oud Romein!
REI VAN JOODSCHE VROUWEN.
Genade, o edel ridder!
Wat is 't, dat u ontstelt? wat is 't, dat gij begaat[367]?
Wat eer is 't, dat gij dees verdrukte vrouwen slaat,
Een troosteloozen hoop! tert liever uwsgelijken.
Gaat uwen vijand toe, zoo zal uw vroomheid[368] blijken;
Hier haaldy enkel schand; laat zinken uwen moed[369]!
Wat is 't, dat u ontzet en heftig woeden doet?
Wat eischty zoo verstoord? ach, wilt doch wat bedaren!
FRONTO.
Dat gij ze daadlijk meldt.
REI VAN JOODSCHE VROUWEN.
Men zal 't u openbaren,
Als 't immers zoo moet zijn, aanhoort slechts met geduld:
Aan haar rampzalig einde en dood heeft niemand schuld
Als zij, die, als ze droef haar handen had gewrongen,
En 't aanzicht opgekrabt, is van een rots gesprongen
Met schrikkelijk gehuil, 't welk driemaal heeft gevergd
Den galm, die woont in dit omliggende gebergt:
Wij volgden haren sprong met uitgekreten oogen,
Maar wie had onbezwijmd van 't hooge aanschouwen mogen
Een lichaam, welks gestalt was van den zwaren val
Gants uitgewischt? o vrouwe! o rotse! o berg! o dal!
FRONTO.
Dat riekt naar schelmerij; denkt nimmermeer met liegen
Een afgerecht Romein, als ik ben, te bedriegen.
Ziet voor u, wat gij doet.
REI VAN STAATJONFFREN.
Wij bidden u, gelooft.
FRONTO.
Waar is het lichaam? fluks!
REI VAN JOODSCHE VROUWEN.
Wat lichaam? dat, beroofd
Van zijn gedaante, is gants verplet in al zijn deelen?
FRONTO.
Wijst mij 't verplette voort, en past op mijn bevelen.
REI VAN STAATJONFFREN.
Wij kwamen, als zij lag gevallen naar beneên,
En hieven 't zielloos lijf op van de koude steen,
En groeven 't in der ijl daar zelden iemand wandelt,
Van vreeze, dat ze niet wierd na haar dood mishandeld:
Die eer gebeurd' haar nog, dat wij de grafsteê wat
Verheerlijkten met puin van ons verbrande stad,
Met heele en halve steen, op dat er eenig teeken
Mocht blijven, als men van haar einde kwam te spreken.
FRONTO.
Waar is de plaatse? fluks!
REI VAN STAATJONFFREN.
Wij bidden u, betoont
Eerbiedigheid den doôn, haar sterflijkheid verschoont,
Noch 't lichaam niet onteert van deze, die eylacy!
Gesneuveld deerlijk, wierd begraven zonder stacy.
FRONTO.
Het lichaam zal ik zien; staat op uw hoede nog!
Want vinde ik dit, als 't eerste, onwaarheid en bedrog,
Het zal u rouwen.
REI VAN STAATJONFFREN.
Och! besnoeit die booze lusten,
En die zoo lieflijk slaapt laat in den grave rusten.
Wat zijdy voor een volk, die, na genomen straf,
Een doode romp vervolgt, en wreekt u aan een graf?
Wat komt u aan? gij valt aan 't schenden en aan 't breken
Van onze timmer[370], ach! den Hemel zal het wreken,
Dat, als een dullen hond, gij schuimbekt, schendt, en bijt
't Geen heilig is, en tot een eerlijk lijk[371] gewijd.
Wee ons! hij luistert niet; zijn wreedheid heeft geen ooren.
Best doen wij rechte biechte, en melden 't van te voren,
Eer dat hij 't al verwoeste, en in zijn dolligheid,
Tot wrake van 't bedrog, ons dobble straf bereid'.
Vroom[372] krijgsman! staat wat stil, en willet[373] ons vergeven.
Wij zijn uit hooge nood en angst hier toe gedreven.
De zinnen lijden last, komt, volgt me; want hierbij
De dochter Sion, met een jonffer twee of drie
Schuilt in het hol des bergs.--Komt uit! 't is al verloren;
Uw volk heeft u verraân, princesse welgeboren!
Den aanslag is ontdekt; komt wederom in 't licht,
Verheugt uw vijand met een treurig aangezicht;
Hij lacht in ons verderf; komt uit, en wilt niet schromen:
Zulks is voor dezen ook een koning overkomen,
Die Salems schepter droeg, en met benaauwder[374] ziel
Ontvliênde, in handen nog van Nimrods nazaat viel:
Die voor hem sneuvlen zag de vruchten van zijn lenden,
En most, van 't licht beroofd, zijn leven pijnlijk enden,
In eenen duistren nacht, in een ongastvrij land.
Dit is de gene, die ons over zee en zand
Vervoeren zal; indien gij meer vermoogt met kermen
Als wijliê, valt hem aan, en brengt hem tot ontfermen.
DE DOCHTER SION.
Ervaren oorloogsman! na 't woeden des soldaats
Had vaak beleefdheid bij den overwinner plaats,
Die vroom was, en geen roem zocht, met een afgetreden,
Onweerbaar hoopken volks stijf op den nek te treden:
Omhelst doch deze deugd, en leent een lijdzaam oor
Aan uw gevangens! zegt, wat hebdy met ons voor?
Wat lijden gaan wij aan?
FRONTO.
Gij moet terstond naar Romen,
Ons zegefeest ten dienst; het is zoo voorgenomen:
Men zal u, om wiens wil geplengd is zoo veel bloeds,
Gevleugeld[375] volgen doen de keizerlijke koets,
Met uwen ganschen rei, met duizend jongelingen,
Dan moogdy, zoo 't u lust, uw tempeldeuntjens zingen:
Als gij de vaten, en al 't goud en zilverwerk,
En 't priesterlijk tapijt, de glorie van uw kerk,
De goude kandelaar en tafel, op een wagen,
Ziet zegenrijk ten toon voor ieder ommedragen.
DE DOCHTER SION.
Veel eer als zulks gebeurt, zal God, op mijn geschreeuw,
Doen komen op den weg een tijger of een leeuw,
Die ons verslinden zal, en tot het been toe knagen,
En met zijn ingewand in zijnen schuilhoek dragen;
Veel eer als dat gebeurt, zal 't God zich trekken aan,
En ons of u gezwind met zijnen bliksem slaan;
Veel eer als dat geschiedt, eer dat gij vreugd zult rapen
In onzen ondergang, eer werden wij verschapen,
En trekken aan 't gestalt van een onreedlijk beest,
Eer scheuren wij ons kleed, en schenden uwe feest.
FRONTO.
Gij kwelt u te vergeefs, wij schrikken voor geen dreigen;
Uw roepen geldt hier niet; gij hebt uw lijf niet eigen.
Gij moet mede over zee, dus maakt uw hert geen pijn,
En zult ons dienstmaagd 's daags, des nachts ons boelschap zijn.
REI VAN STAATJONFFREN.
Ach! moeder Sion, helpt! wij zijgen neêr ter aarden,
Waartoe of wij de bloem van onze jeugd bewaarden
Op een goed huwelijk? om namaals tot gerief
Te dien u een schavuit, een eerloos hangedief?
Om zijn slavin te zijn? om hem te laten drijven
Zijn booze moedwil met ons nooit gerepte lijven,
Ons kuischheid nooit bevlekt, ons witte zuiverheid?
Wat bruiloft hebben wij ons zelfs niet toegeleid!
Zal nu een Roffiaan[376] van 't lijf de gordels rukken,
En de onverwelkte roos van onze maagdom plukken?
God moetet zijn geklaagd!