V.

De winter ging om en Eline bleef in denzelfden toestand. Het was nu

Mei geworden en schoon het nog een week geleden winter was geweest

viel de zomer in het midden van die maand als zonder overgang in, met

een schroeiende warmte. Eline bleef verpletterd op haar bank liggen.

--Zou het u niet goed doen, als u van den zomer veel buiten was? vroeg

Reijer. Ik meen niet reizen van de eene plaats naar de andere: dat

zou u te veel vermoeien. Maar ik meen een séjour ergens op een koele,

schaduwrijke plaats, waar u een lieve entourage zou vinden.

Zij dacht aan de Horze. O, als zij Otto's vrouw was geworden! Dan

had zij nu koelte, schaduw, liefde gehad!

--Ik weet niet zoo een plaats! antwoordde zij mat.

--Misschien zou ik wel wat voor u kunnen vinden. Ik ken in Gelderland

menschen, die een klein buitentje hebben met heerlijke dennebosschen

in den omtrek!

--In Godsnaam! gilde Eline hartstochtelijk. Geen dennebosschen!

--Het buitenleven zou u toch versterken.

--Het is onmogelijk mij te versterken. Ik bid u, meneer Reijer,

laat u me maar liggen waar ik lig.

--Slaapt u beter tegenwoordig?

--O ja, heel goed.

Het was niet waar, zij sliep des nachts nooit, en overdag dommelde zij

een weinig. De druppels hielpen niet meer, maar brachten haar slechts

in eene voortdurende suizende extaze, een waanzin vol levensmoêheid

en doodsangst, waarin zij als een actrice comedie speelde of zich

kermend over den grond slierde.

Reijer zag haar doordringend aan.

--Juffrouw Vere, ik bid u, zeg mij eens eerlijk: neemt u ook

geneesmiddelen in, die ik u niet heb voorgeschreven?

--Hoe komt u daarop?

--Antwoord mij nu eerlijk, juffrouw Vere.

--Wel neen! Hoe kan u zoo iets van mij denken! Ik zou er veel te

bang voor zijn! Neen, neen, daar kan u geheel en al gerust over zijn,

geheel en al...

Reijer vertrok, en in zijn koetsje vergat hij een pooze zijn

notitieboekje na te zien, en dacht hij even na over juffrouw Vere. Toen

slaakte hij een moedeloozen zucht.

Nauwelijks was hij weg of zij stond op, hoewel zij versmolt van

loomheid in de warmte, die, als een muffe lauwte, de kamer vulde, al

stonden het raam en de balcondeur open. Zij droeg alleen een lossen,

grijzen peignoir, die zonder eenige behaagzucht om hare vermagerde

leden hing. Voor den spiegel streek zij door heur los haar; het was

zeer dun geworden en zij lachte er om, terwijl de ijle vlokken over

haar vingers vielen. Toen wierp zij zich op den grond neêr.

--Ik wil niet! stamelde zij bij zichzelve. Ik wil hem niet meer zien,

dien Reijer. Hij maakt me nog zieker dan ik ben. Ik kan hem niet meer

uitstaan. Ik zal hem schrijven.

Zij gevoelde echter niet genoeg geestkracht om het te doen en zij

bleef liggen en hare vingers trokken lijnen langs de bloemen van het

tapijt. Zachtjes begon zij te neuriën.

De zon wierp door de deur een vierkante gulden schittering op den

vloer en duizenden stofjes stroomden in dien glans binnen. De glans

hinderde Eline en zij kroop achteruit.

--O, die zon! fluisterde zij onhoorbaar, met vreemde, groote doffe

oogen. Ik haat die zon. Ik wil regen en wind, kouden regen en kouden

wind, regen, die over je borst sijpelt door een gedecolleteerde japon

van zwarte tulle.

Zij stond in eens op en wrong haar handen op heur borst, als hield

ze een mantel, die openwoei, vast.

--Jeanne! Jeanne! begon zij te ijlen. Ik bid je, neem me bij je. Ik

ben van Betsy weggeloopen, want ze is zoo akelig voor me, weet je, en

ze heeft van avond aan het diner bij Hovel allerlei hatelijke dingen

over Vincent gezegd! En je weet, dat ik Vincent lief heb. Om hem

heb ik mijn engagement afgemaakt, mijn engagement met St. Clare. O,

hij verveelde me zoo, altijd kalm, kalm, kalm. Ik, ik word dol onder

die kalmte! Maar heusch, Henk, ik zal Lawrence vergiffenis vragen,

maar je moet me niet slaan, Henk. O, Lawrence, ik smeek je, ik hou zoo

veel van je, wees niet boos op me, Lawrence, Lawrence! Zie maar, of ik

niet van je hou. Hier is je portret, dat draag ik altijd op mijn borst.

Zij was neêrgeknield bij de bank en hief haar gelaat op, als zag zij

iemand. Eensklaps schrikte zij en richtte zich haastig, huiverend,

omhoog.

--O God, daar begint het weêr! dacht ze, zichzelve opnieuw bewust.

Er scheen een strijd in haar hersenen, een strijd tusschen haar

onmachtig verstand en haren, zich steeds uitbreidenden waanzin. Onzeker

greep zij een boek, dat op tafel lag en sloeg het open, om zich

te dwingen verstandig te zijn, te lezen. Het was de partiture van

Le Tribut de Zamora, die zij zich eertijds had aangeschaft tijdens

heuren hartstocht voor Fabrice.

Ze dorst niet kijken, vreezende haar krankzinnigheid als belichaamd

voor zich te zien. Zij dorst zich niet bewegen, ontzet voor zichzelve,

en zij had gaarne haar twijfelend verstand gered, door, als het het

ware, buiten zichzelve te gaan. En de glans van de zon vulde al meer

en meer het ruime vertrek, gloeide over het satijn der gordijnen

en kaatste zich terug in het porcelein van Japansche vazen en het

gepolijst koper van ornamenten.

Zachtjes aan begon zij iets te zingen, onwillekeurig, met haar heesche

stem, schor van een eindeloozen hoest. Maar er werd geklopt.

--Wie is daar? vroeg ze angstig. Ze was zeer verschrikt.

--Ik, juffrouw! riep een stem. Om het déjeuner klaar te zetten.

--Dank je, Sofie, ik heb geen honger. Ik mag niet veel eten, zei

de dokter.

--Wilt u dan niets hebben, juffrouw?

--Neen dank je, dank je.

--U zal dan wel bellen, als u iets verlangt, niet waar?

--Ja, ja.

Zij hoorde de meid de trappen afgaan: zij hoorde borden en glazen

licht rinkelen op het blad, dat zij weder meênam. Eline zag de rol

van Xaïma verder in, en zij hief het hoofd hoogmoedig op en maakte

een edel gebaar met de hand, terwijl zij kuchend zong.

Er werd nogmaals geklopt.

--Ach! wat moet dat toch? riep Eline, opnieuw verschrikt en geërgerd.

--Mag ik even binnenkomen, juffrouw Vere? vroeg een tweede stem,

vriendelijk en een weinig deftig.

Eline bedacht zich even, sloot de partiture en vlijde zich met

kwijnende oogen in de kussens van den divan.

--Zeker, mevrouw! riep ze vleiend.

De deur ging open: een groote dame, een weinig zwaar, in het zwart,

trad binnen. Het was de eigenaresse van het pension.

--Ik kom even zien, hoe u het maakt! sprak zij beleefd en

vriendelijk. Voelt u u niet wel?

--O neen! kreunde Eline en zij sloot de oogen. Ik ben zoo zwak.

Zij gevoelde zich in dit oogenblik integendeel vol van een overspannen,

zenuwachtige kracht, die zij zingend wilde uiten, maar zij zeide,

voor het gemak, steeds, dat ze zwak was, zoo men haar naar heure

gezondheid vroeg.

--Wil u niets eten?

--Dokter Reijer zei.... begon Eline.

De dame schudde het hoofd.

--Foei, juffrouw Vere, u mag me zoo niet voor den gek houden. Dokter

Reijer zei me juist, dat het zeer goed was als u bouillon dronk.

--O, mevrouw, ik word misselijk van uw bouillon!

--Maar u moet toch iets gebruiken!

--Ik verzeker u, ik voel me te ziek om te eten.

--Mag ik dan een goed diner voor u klaar maken? Wat wil u van middag?

--Wat u wilt: laat u maar iets maken. Van middag zal ik wel honger

hebben. Maar mevrouw, ik wil u iets zeggen. Laat van middag niemand

bij me komen, zelfs niet mijn zuster. Ik voel me zoo diep ellendig. U

weet niet, hoe ellendig ik me voel.

--Heeft u iets noodig, kan ik iets voor u doen?

--U is heel vriendelijk, maar heusch, ik heb niets noodig. Of ja toch,

toe laat u wat ijs voor me halen. Ik heb zoo een dorst.

--Een caraffe frappée?

--Liefst een stukje ijs.

--Heeft u koorts?

--Neen, maar ik hoû er van stukjes in mijn mond te nemen. En denkt

u er om dat ik niemand kan ontvangen?

--Goed. Ik zal dadelijk voor het ijs zorgen. Maar ik mag zeker de

stores wel neêrlaten? U heeft niets geen medelijden voor mijn meubels,

juffrouw Vere.

De dame liet de stores neêr en vertrok. Eline richtte zich dadelijk

op uit hare kwijnende houding en zij glimlachte en smakte met de

tong bij de gedachte aan de frissche koude van het ijs, dat zij zou

krijgen. Intusschen nam zij werktuigelijk de partiture weder op,

en verbeeldde zij zich, dat zij Xaïma was.

Zij stond hoog opgericht als een vorstin en wees op een gedroomden

afgrond aan heur voeten. Terwijl zij meende, dat Ben-Saïd antwoordde,

bleef zij een pooze aldus onbewegelijk, daarna hervatte zij haar rol en

neuriede zij voort. Maar het kriebelde haar in de keel, zij schrapte,

zij kuchte herhaaldelijk en ten laatste begon zij zoo hevig te hoesten,

dat zij de partiture neêrlegde, en zitten ging, de handen geperst op

heur benauwden boezem.

Waarom doe ik zoo dol? dacht ze. Kom, ik wil nu verstandig zijn.

Maar het woelde in hare hersens voort. Stroomen van, zich verwarrende,

herinneringen overgolfden haar en verdronken heure gedachte. Hare

oogen dwaalden met een koortsachtigen, zonderlingen blik om haar heen.

--Ik wil nu verstandiger zijn! dacht ze telkens en dit voornemen werd

als een wiel, dat in haar brein omwentelde. Ik wil nu verstandiger

zijn!

Haar hoofd werd loodzwaar, en zij gevoelde in plaats Van heure

theatrale opwinding die dofheid, waar ze zoo voor vreesde. Zij had

in die dofheid slechts éen verlangen: St. Clare. Zoo hij hier ware

geweest, had hij haar opgebeurd en had zij verstandig kunnen zijn. En

plotseling heugde haar hun laatste gesprek, te Brussel. Over vijf

maanden, hadden zij beiden gezegd. Het was toen Januari geweest, nu was

het Mei. Met den zomer zou hij terugkomen, en zij had slechts éen woord

te zeggen om gelukkig te wezen. Dat denkbeeld was zoo verleidelijk,

dat zij zich reeds voornam hem te schrijven--zij wist hun adres

door brieven van Vincent--o, enkele woorden slechts, maar die hem

aanstonds zouden doen overkomen! Een zacht verschiet opende zich voor

haar blik en zij werd zeer kalm, zeer gelukkig. Maar door die kalmte

geheel tot zichzelve gebracht kon hare illuzie niet lang duren en zij

schudde weemoedig het hoofd. St. Clare had haar lief uit medelijden,

uit een behoefte om te troosten waar geleden werd, en zou hij haar

ook oogenblikken van geluk kunnen schenken, zij mocht haar verwelkt

leven niet aan het zijne vastketenen! En naast die gedachte rees de

gedachte aan Otto. Zij wist dus dat het nooit mocht zijn, nooit...

Niettegenstaande de dichte stores stoofde de broeiende warmte de

lauwe atmosfeer van het vertrek, toen Sofie, de meid, klopte.

--Hier is het ijs, juffrouw?

Zij bracht het ijs, dat in stukken op de schaal lag, binnen. Zoodra

Eline weder alleen was, stak zij een stuk in den mond, legde zich een

stuk op het voorhoofd, nam zij een paar stukken in de handen en zij

speelde met het ijs, terwijl groote, koude druppels over heur gelaat

en tusschen hare vingers gleden.

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 183 / 188 题