De winter ging om en Eline bleef in denzelfden toestand. Het was nu
Mei geworden en schoon het nog een week geleden winter was geweest
viel de zomer in het midden van die maand als zonder overgang in, met
een schroeiende warmte. Eline bleef verpletterd op haar bank liggen.
--Zou het u niet goed doen, als u van den zomer veel buiten was? vroeg
Reijer. Ik meen niet reizen van de eene plaats naar de andere: dat
zou u te veel vermoeien. Maar ik meen een séjour ergens op een koele,
schaduwrijke plaats, waar u een lieve entourage zou vinden.
Zij dacht aan de Horze. O, als zij Otto's vrouw was geworden! Dan
had zij nu koelte, schaduw, liefde gehad!
--Ik weet niet zoo een plaats! antwoordde zij mat.
--Misschien zou ik wel wat voor u kunnen vinden. Ik ken in Gelderland
menschen, die een klein buitentje hebben met heerlijke dennebosschen
in den omtrek!
--In Godsnaam! gilde Eline hartstochtelijk. Geen dennebosschen!
--Het buitenleven zou u toch versterken.
--Het is onmogelijk mij te versterken. Ik bid u, meneer Reijer,
laat u me maar liggen waar ik lig.
--Slaapt u beter tegenwoordig?
--O ja, heel goed.
Het was niet waar, zij sliep des nachts nooit, en overdag dommelde zij
een weinig. De druppels hielpen niet meer, maar brachten haar slechts
in eene voortdurende suizende extaze, een waanzin vol levensmoêheid
en doodsangst, waarin zij als een actrice comedie speelde of zich
kermend over den grond slierde.
Reijer zag haar doordringend aan.
--Juffrouw Vere, ik bid u, zeg mij eens eerlijk: neemt u ook
geneesmiddelen in, die ik u niet heb voorgeschreven?
--Hoe komt u daarop?
--Antwoord mij nu eerlijk, juffrouw Vere.
--Wel neen! Hoe kan u zoo iets van mij denken! Ik zou er veel te
bang voor zijn! Neen, neen, daar kan u geheel en al gerust over zijn,
geheel en al...
Reijer vertrok, en in zijn koetsje vergat hij een pooze zijn
notitieboekje na te zien, en dacht hij even na over juffrouw Vere. Toen
slaakte hij een moedeloozen zucht.
Nauwelijks was hij weg of zij stond op, hoewel zij versmolt van
loomheid in de warmte, die, als een muffe lauwte, de kamer vulde, al
stonden het raam en de balcondeur open. Zij droeg alleen een lossen,
grijzen peignoir, die zonder eenige behaagzucht om hare vermagerde
leden hing. Voor den spiegel streek zij door heur los haar; het was
zeer dun geworden en zij lachte er om, terwijl de ijle vlokken over
haar vingers vielen. Toen wierp zij zich op den grond neêr.
--Ik wil niet! stamelde zij bij zichzelve. Ik wil hem niet meer zien,
dien Reijer. Hij maakt me nog zieker dan ik ben. Ik kan hem niet meer
uitstaan. Ik zal hem schrijven.
Zij gevoelde echter niet genoeg geestkracht om het te doen en zij
bleef liggen en hare vingers trokken lijnen langs de bloemen van het
tapijt. Zachtjes begon zij te neuriën.
De zon wierp door de deur een vierkante gulden schittering op den
vloer en duizenden stofjes stroomden in dien glans binnen. De glans
hinderde Eline en zij kroop achteruit.
--O, die zon! fluisterde zij onhoorbaar, met vreemde, groote doffe
oogen. Ik haat die zon. Ik wil regen en wind, kouden regen en kouden
wind, regen, die over je borst sijpelt door een gedecolleteerde japon
van zwarte tulle.
Zij stond in eens op en wrong haar handen op heur borst, als hield
ze een mantel, die openwoei, vast.
--Jeanne! Jeanne! begon zij te ijlen. Ik bid je, neem me bij je. Ik
ben van Betsy weggeloopen, want ze is zoo akelig voor me, weet je, en
ze heeft van avond aan het diner bij Hovel allerlei hatelijke dingen
over Vincent gezegd! En je weet, dat ik Vincent lief heb. Om hem
heb ik mijn engagement afgemaakt, mijn engagement met St. Clare. O,
hij verveelde me zoo, altijd kalm, kalm, kalm. Ik, ik word dol onder
die kalmte! Maar heusch, Henk, ik zal Lawrence vergiffenis vragen,
maar je moet me niet slaan, Henk. O, Lawrence, ik smeek je, ik hou zoo
veel van je, wees niet boos op me, Lawrence, Lawrence! Zie maar, of ik
niet van je hou. Hier is je portret, dat draag ik altijd op mijn borst.
Zij was neêrgeknield bij de bank en hief haar gelaat op, als zag zij
iemand. Eensklaps schrikte zij en richtte zich haastig, huiverend,
omhoog.
--O God, daar begint het weêr! dacht ze, zichzelve opnieuw bewust.
Er scheen een strijd in haar hersenen, een strijd tusschen haar
onmachtig verstand en haren, zich steeds uitbreidenden waanzin. Onzeker
greep zij een boek, dat op tafel lag en sloeg het open, om zich
te dwingen verstandig te zijn, te lezen. Het was de partiture van
Le Tribut de Zamora, die zij zich eertijds had aangeschaft tijdens
heuren hartstocht voor Fabrice.
Ze dorst niet kijken, vreezende haar krankzinnigheid als belichaamd
voor zich te zien. Zij dorst zich niet bewegen, ontzet voor zichzelve,
en zij had gaarne haar twijfelend verstand gered, door, als het het
ware, buiten zichzelve te gaan. En de glans van de zon vulde al meer
en meer het ruime vertrek, gloeide over het satijn der gordijnen
en kaatste zich terug in het porcelein van Japansche vazen en het
gepolijst koper van ornamenten.
Zachtjes aan begon zij iets te zingen, onwillekeurig, met haar heesche
stem, schor van een eindeloozen hoest. Maar er werd geklopt.
--Wie is daar? vroeg ze angstig. Ze was zeer verschrikt.
--Ik, juffrouw! riep een stem. Om het déjeuner klaar te zetten.
--Dank je, Sofie, ik heb geen honger. Ik mag niet veel eten, zei
de dokter.
--Wilt u dan niets hebben, juffrouw?
--Neen dank je, dank je.
--U zal dan wel bellen, als u iets verlangt, niet waar?
--Ja, ja.
Zij hoorde de meid de trappen afgaan: zij hoorde borden en glazen
licht rinkelen op het blad, dat zij weder meênam. Eline zag de rol
van Xaïma verder in, en zij hief het hoofd hoogmoedig op en maakte
een edel gebaar met de hand, terwijl zij kuchend zong.
Er werd nogmaals geklopt.
--Ach! wat moet dat toch? riep Eline, opnieuw verschrikt en geërgerd.
--Mag ik even binnenkomen, juffrouw Vere? vroeg een tweede stem,
vriendelijk en een weinig deftig.
Eline bedacht zich even, sloot de partiture en vlijde zich met
kwijnende oogen in de kussens van den divan.
--Zeker, mevrouw! riep ze vleiend.
De deur ging open: een groote dame, een weinig zwaar, in het zwart,
trad binnen. Het was de eigenaresse van het pension.
--Ik kom even zien, hoe u het maakt! sprak zij beleefd en
vriendelijk. Voelt u u niet wel?
--O neen! kreunde Eline en zij sloot de oogen. Ik ben zoo zwak.
Zij gevoelde zich in dit oogenblik integendeel vol van een overspannen,
zenuwachtige kracht, die zij zingend wilde uiten, maar zij zeide,
voor het gemak, steeds, dat ze zwak was, zoo men haar naar heure
gezondheid vroeg.
--Wil u niets eten?
--Dokter Reijer zei.... begon Eline.
De dame schudde het hoofd.
--Foei, juffrouw Vere, u mag me zoo niet voor den gek houden. Dokter
Reijer zei me juist, dat het zeer goed was als u bouillon dronk.
--O, mevrouw, ik word misselijk van uw bouillon!
--Maar u moet toch iets gebruiken!
--Ik verzeker u, ik voel me te ziek om te eten.
--Mag ik dan een goed diner voor u klaar maken? Wat wil u van middag?
--Wat u wilt: laat u maar iets maken. Van middag zal ik wel honger
hebben. Maar mevrouw, ik wil u iets zeggen. Laat van middag niemand
bij me komen, zelfs niet mijn zuster. Ik voel me zoo diep ellendig. U
weet niet, hoe ellendig ik me voel.
--Heeft u iets noodig, kan ik iets voor u doen?
--U is heel vriendelijk, maar heusch, ik heb niets noodig. Of ja toch,
toe laat u wat ijs voor me halen. Ik heb zoo een dorst.
--Een caraffe frappée?
--Liefst een stukje ijs.
--Heeft u koorts?
--Neen, maar ik hoû er van stukjes in mijn mond te nemen. En denkt
u er om dat ik niemand kan ontvangen?
--Goed. Ik zal dadelijk voor het ijs zorgen. Maar ik mag zeker de
stores wel neêrlaten? U heeft niets geen medelijden voor mijn meubels,
juffrouw Vere.
De dame liet de stores neêr en vertrok. Eline richtte zich dadelijk
op uit hare kwijnende houding en zij glimlachte en smakte met de
tong bij de gedachte aan de frissche koude van het ijs, dat zij zou
krijgen. Intusschen nam zij werktuigelijk de partiture weder op,
en verbeeldde zij zich, dat zij Xaïma was.
Zij stond hoog opgericht als een vorstin en wees op een gedroomden
afgrond aan heur voeten. Terwijl zij meende, dat Ben-Saïd antwoordde,
bleef zij een pooze aldus onbewegelijk, daarna hervatte zij haar rol en
neuriede zij voort. Maar het kriebelde haar in de keel, zij schrapte,
zij kuchte herhaaldelijk en ten laatste begon zij zoo hevig te hoesten,
dat zij de partiture neêrlegde, en zitten ging, de handen geperst op
heur benauwden boezem.
Waarom doe ik zoo dol? dacht ze. Kom, ik wil nu verstandig zijn.
Maar het woelde in hare hersens voort. Stroomen van, zich verwarrende,
herinneringen overgolfden haar en verdronken heure gedachte. Hare
oogen dwaalden met een koortsachtigen, zonderlingen blik om haar heen.
--Ik wil nu verstandiger zijn! dacht ze telkens en dit voornemen werd
als een wiel, dat in haar brein omwentelde. Ik wil nu verstandiger
zijn!
Haar hoofd werd loodzwaar, en zij gevoelde in plaats Van heure
theatrale opwinding die dofheid, waar ze zoo voor vreesde. Zij had
in die dofheid slechts éen verlangen: St. Clare. Zoo hij hier ware
geweest, had hij haar opgebeurd en had zij verstandig kunnen zijn. En
plotseling heugde haar hun laatste gesprek, te Brussel. Over vijf
maanden, hadden zij beiden gezegd. Het was toen Januari geweest, nu was
het Mei. Met den zomer zou hij terugkomen, en zij had slechts éen woord
te zeggen om gelukkig te wezen. Dat denkbeeld was zoo verleidelijk,
dat zij zich reeds voornam hem te schrijven--zij wist hun adres
door brieven van Vincent--o, enkele woorden slechts, maar die hem
aanstonds zouden doen overkomen! Een zacht verschiet opende zich voor
haar blik en zij werd zeer kalm, zeer gelukkig. Maar door die kalmte
geheel tot zichzelve gebracht kon hare illuzie niet lang duren en zij
schudde weemoedig het hoofd. St. Clare had haar lief uit medelijden,
uit een behoefte om te troosten waar geleden werd, en zou hij haar
ook oogenblikken van geluk kunnen schenken, zij mocht haar verwelkt
leven niet aan het zijne vastketenen! En naast die gedachte rees de
gedachte aan Otto. Zij wist dus dat het nooit mocht zijn, nooit...
Niettegenstaande de dichte stores stoofde de broeiende warmte de
lauwe atmosfeer van het vertrek, toen Sofie, de meid, klopte.
--Hier is het ijs, juffrouw?
Zij bracht het ijs, dat in stukken op de schaal lag, binnen. Zoodra
Eline weder alleen was, stak zij een stuk in den mond, legde zich een
stuk op het voorhoofd, nam zij een paar stukken in de handen en zij
speelde met het ijs, terwijl groote, koude druppels over heur gelaat
en tusschen hare vingers gleden.