Sofie bracht om halfzes het diner en dekte de kleine, ronde tafel
met veel zorg. Maar Eline roerde nauwelijks iets van de spijzen aan,
en zij was blijde, toen Sofie weêr afnam. De geur van dat eten in de
warmte maakte haar nog zieker dan zij was.
Zij nam een paar kaartjes op, die Sofie had binnengebracht, kaartjes
van mevrouw Verstraeten en van Lili...
--Ook de oude mevrouw Van Raat is er geweest, juffrouw! zeide Sofie
en zij ging weg.
Eline bleef alleen; de avond viel. De zon deinsde langzaam terug,
maar het bleef nog zeer lang licht en Eline trok de stores weder
op. Toen nam zij uit hare kast een klein fleschje en telde voorzichtig
hare druppels, die ze in een glas water liet vallen. Langzaam dronk
ze. Ach, als ze maar hielpen. Het was zoo dikwijls tevergeefs geweest
in den laatsten tijd.
Zij was moê van haren langen dag van niets doen en halven waanzin,
en zij wilde zich vroeg ter ruste leggen. Zij zou ook niet het
gas opsteken; zij zou nog een pooze schemeren en dan zou zij pogen
te slapen.
Maar het begon te zieden, te bruisen, te klotsen in haar hoofd. Zij
snakte naar adem, en zij liet, onbevreesd voor de avondlucht, die
binnen begon te vlieten, den grijzen peignoir van hare schouders
glijden. Hare armen waren mager, haar borst als ingevallen en zij
bezag zich met een treurigen glimlach, terwijl zij het dunne haar
doorwoelde. En omdat het donker werd, omdat zij vreesde, trots hare
druppels, toch niet te zullen slapen, omdat zij zeer bleek en wit was
in de kant en het borduursel van heur linnen, omdat zij angstig werd
voor de toenemende schemering, kwam de waanzin weder op...
"Ah, perfido! Spergiuro!"
begon zij, als in woede, te neuriën, terwijl zij haar arm omhoog
sloeg. Het, was de scène van Beethoven, waarbij Vincent verveine placht
te ruiken... zij verweet in den zang een trouweloozen minnaar zijn
ontrouw, en heur gelaat drukte de meest tragische smart uit; gekwetste
liefde, die zich wreken zou. Zij heette den minnaar te gaan, maar de
goden des hemels zouden hem verpletteren onder hun straf. Eensklaps
rukte zij uit heur ledikant een beddelaken en zij drapeerde zich in
de lange, witte stof, die zich in het vale avondschemerlicht als een
marmeren mantel plooide.
"Oh no! Fermate, vindici Dei!"
zong zij heesch en telkens hoestende, met smachtende oogen,
want zij riep, veranderd van gemoed, de genade der goden voor den
trouwelooze in. Hoe hij ook veranderd mocht zijn, zij bleef dezelfde,
zij wilde geen wraak, zij had voor hem geleefd en zij wilde nu voor hem
sterven. En langzaam murmelde zij het Adagio, langzaam, zeer langzaam,
terwijl de witte plooien van haar draperie bij de smeekende gebaren
heurer armen zich week verhieven en mollig neêrvielen. Zoo zong zij
door, steeds door tot een klacht zich aan heur keel ontwrong en in
die klacht, op eens, acteerde zij als met de edele kunst eener eerste
zangeres. Het werd haar, als was de minnaar reeds gevlucht en als
wendde zij zich tot het koor, dat haar medelijdend omringde:
"Se in tanto affa... a... a... anno!"
murmelde zij, bijna weenend, op smartelijke cadenzen, en het zieleleed
steeg, en zij gilde hooger, hooger met stijgende kreten:
"Non son degna di pieta!"
Zij schrikte hevig, ontzet over het doordringende, snerpende geluid
harer gebroken stem, en zij wierp heur beddelaken af en ging stil,
bevend zitten. Zou men haar gehoord hebben? Zij zag even door de
open balcondeur op straat. Neen, er liepen slechts enkele wandelaars
in het toenemende duister en niemand zag op. Maar in huis? Enfin,
zij kon er nu niets aan doen; ze zou nu weêr verstandig worden.
Zij snikte, maar zij lachte tevens, zij lachte zichzelve uit. Zoo
ze zich zoo opwond zou ze nooit slapen. Brusk wierp zij zich op het
ordelooze bed, en sloot de oogen. Maar de slaap kwam niet.
--O God! kreunde ze. God! Laat me slapen, ik smeek u, laat me slapen.
En ze weende bitter, onophoudelijk. Toen schoot haar eene gedachte
door het brein. Als ze nog enkele druppelen meer dronk dan de dokter
uit Brussel haar had voorgeschreven? Zou dat kwaad kunnen? Denkelijk
niet, daar zij van de dozis, die zij placht te nemen, thans niets
geen invloed scheen te ondervinden. Hoeveel druppels zou zij, zonder
gevaar er nog kunnen bijnemen?
Even zooveel als zij genomen had? Neen, dat was natuurlijk te
veel. Wie weet wat er dan zou gebeuren. Maar, bijvoorbeeld, de
helft? Dus nog.... drie droppels? Neen, neen, zij durfde het niet;
de dokter had haar zoo ernstig op het hart gedrukt voorzichtig te
zijn! Toch was het verleidelijk.... En zij stond op.
Zij nam het fleschje om de drie druppels te tellen.
Een... twee... drie, vier vijf.... De twee laatste vielen er in
voor zij het fleschje had kunnen oprichten. Vijf... zou dat te veel
zijn? Zij weifelde een pooze. Met die vijf druppels zou ze toch
zeker slapen.
Zij weifelde nog steeds. Maar op eens nam zij een besluit, toegelokt
door het vooruitzicht te zullen rusten. En zij dronk.
Zij legde zich neêr, op den grond, dicht bij de open balcondeur.
Het angstzweet brak haar uit, en ze voelde zich zeer dof worden,
maar zoo vreemd dof, zoo anders dan gewoonlijk.
--O mijn God! dacht ze. Mijn God! Mijn God! Zou het.... te veel
zijn geweest!
Neen, neen, dat zou te verschrikkelijk zijn! De dood was zoo zwart,
zoo leêg, zoo onzegbaar! Maar toch, als het zoo was? En eensklaps
versmolt hare vrees in een onmetelijke rust. Nu, als het zoo was,
dan was het goed....
En zij begon te lachen, met onhoorbare, zenuwachtige lachjes, terwijl
de dofheid op haar neêrdrukte, als met zware reuzenvuisten. Zij wilde
met hare handen die vuisten afweren en hare vingers verwarden zich
in een koord om heuren hals. O, dat was... dat was zijn portret:
Otto's portret!
Zou het inderdaad te veel zijn geweest? Zou zij morgen...? Zij
rilde. Zou men morgenochtend kloppen aan haar deur, te vergeefs,
steeds te vergeefs, en zou men haar ten laatste zoo vinden?
Verschrikkelijke gedachte! Zij baadde in haar zweet, en hare vingers
zochten het medaillon. Dat portret mocht men niet op hare borst vinden!
Zij richtte zich op en rukte het portret uit het medaillon.
Zij kon het niet meer onderscheiden, want het was donker geworden in
heur vertrek en het licht brak reeds in haar oog; alleen de gele glans
van een lantaren, vlak voor de huisdeur, viel dof binnen. Maar zij
stelde zich de beeltenis voor, zij betastte het ronde stukje karton,
en zij kuste het, kuste het herhaaldelijk.
--O Otto! stamelde zij, reeds zwaar en loom. Jij was het alleen, mijn
Otto, niet Vincent, niet St. Clare, alleen jij.... jij.... Otto.... o
God!
En zij streed tusschen doodsangst en berusting. Toen, in den hartstocht
harer gloeiende kussen op het portret, stak zij het in den mond,
radeloos, zonder meer de kracht te hebben het te verscheuren,
het anders te vernietigen, dan het te verslinden. Zoo, terwijl een
sidderende ademtocht bang haar geheele lichaam doorschokte, kauwde zij,
kauwde zij op het afgekeurde proefje van het portret van Otto.
Zij weende nog, niet meer snikkend, niet meer bitter, maar als
een kind, met zachte kinderlijke geluidjes, zacht steunend, teeder
kermend, lieflijk pruilend. Een geween, waarin soms nog iets als
een lachje doorklonk, een lachje van waanzin. Toen werd zij stil,
en zij vlijde zich met het hoofd in de armen, steeds op den vloer,
bij de open balcondeur.
Zij verroerde zich niet, radeloos van angst voor wat haar omringde,
voor wat komen zou. Het was of er eene zee in haar lichaam bruiste,
eene donkere zee, die over hare gedachte heengolfde en waarin ze
verdronk. En steeds poogde zij die zee van zich af te schuiven, maar
de druk was te zwaar en zij viel, geheel verloomd, geheel verdoofd
door een stormachtig gesuis in hare ooren, in hare hersenen, neêr.
--God! God! O, God! kreunde zij met een, steeds zwakkeren, schorren
klank, vol van een wanhoop, die zich niet meer uiten kon.
Toen vloeide het bewustzijn, als druppel voor druppel, uit haar weg
en zij sliep in den dood in.
De lantaarn werd uitgedraaid en het groote vertrek was nu als een
donker graf, een mauzoleum vol smart, waarin, schemerachtig wit,
een lijk lag.
Toen drong de kilte van den nacht binnen.
En langzamerhand verrees de parelgrijze vaalheid van den dageraad.