VI.

Sofie bracht om halfzes het diner en dekte de kleine, ronde tafel

met veel zorg. Maar Eline roerde nauwelijks iets van de spijzen aan,

en zij was blijde, toen Sofie weêr afnam. De geur van dat eten in de

warmte maakte haar nog zieker dan zij was.

Zij nam een paar kaartjes op, die Sofie had binnengebracht, kaartjes

van mevrouw Verstraeten en van Lili...

--Ook de oude mevrouw Van Raat is er geweest, juffrouw! zeide Sofie

en zij ging weg.

Eline bleef alleen; de avond viel. De zon deinsde langzaam terug,

maar het bleef nog zeer lang licht en Eline trok de stores weder

op. Toen nam zij uit hare kast een klein fleschje en telde voorzichtig

hare druppels, die ze in een glas water liet vallen. Langzaam dronk

ze. Ach, als ze maar hielpen. Het was zoo dikwijls tevergeefs geweest

in den laatsten tijd.

Zij was moê van haren langen dag van niets doen en halven waanzin,

en zij wilde zich vroeg ter ruste leggen. Zij zou ook niet het

gas opsteken; zij zou nog een pooze schemeren en dan zou zij pogen

te slapen.

Maar het begon te zieden, te bruisen, te klotsen in haar hoofd. Zij

snakte naar adem, en zij liet, onbevreesd voor de avondlucht, die

binnen begon te vlieten, den grijzen peignoir van hare schouders

glijden. Hare armen waren mager, haar borst als ingevallen en zij

bezag zich met een treurigen glimlach, terwijl zij het dunne haar

doorwoelde. En omdat het donker werd, omdat zij vreesde, trots hare

druppels, toch niet te zullen slapen, omdat zij zeer bleek en wit was

in de kant en het borduursel van heur linnen, omdat zij angstig werd

voor de toenemende schemering, kwam de waanzin weder op...

"Ah, perfido! Spergiuro!"

begon zij, als in woede, te neuriën, terwijl zij haar arm omhoog

sloeg. Het, was de scène van Beethoven, waarbij Vincent verveine placht

te ruiken... zij verweet in den zang een trouweloozen minnaar zijn

ontrouw, en heur gelaat drukte de meest tragische smart uit; gekwetste

liefde, die zich wreken zou. Zij heette den minnaar te gaan, maar de

goden des hemels zouden hem verpletteren onder hun straf. Eensklaps

rukte zij uit heur ledikant een beddelaken en zij drapeerde zich in

de lange, witte stof, die zich in het vale avondschemerlicht als een

marmeren mantel plooide.

"Oh no! Fermate, vindici Dei!"

zong zij heesch en telkens hoestende, met smachtende oogen,

want zij riep, veranderd van gemoed, de genade der goden voor den

trouwelooze in. Hoe hij ook veranderd mocht zijn, zij bleef dezelfde,

zij wilde geen wraak, zij had voor hem geleefd en zij wilde nu voor hem

sterven. En langzaam murmelde zij het Adagio, langzaam, zeer langzaam,

terwijl de witte plooien van haar draperie bij de smeekende gebaren

heurer armen zich week verhieven en mollig neêrvielen. Zoo zong zij

door, steeds door tot een klacht zich aan heur keel ontwrong en in

die klacht, op eens, acteerde zij als met de edele kunst eener eerste

zangeres. Het werd haar, als was de minnaar reeds gevlucht en als

wendde zij zich tot het koor, dat haar medelijdend omringde:

"Se in tanto affa... a... a... anno!"

murmelde zij, bijna weenend, op smartelijke cadenzen, en het zieleleed

steeg, en zij gilde hooger, hooger met stijgende kreten:

"Non son degna di pieta!"

Zij schrikte hevig, ontzet over het doordringende, snerpende geluid

harer gebroken stem, en zij wierp heur beddelaken af en ging stil,

bevend zitten. Zou men haar gehoord hebben? Zij zag even door de

open balcondeur op straat. Neen, er liepen slechts enkele wandelaars

in het toenemende duister en niemand zag op. Maar in huis? Enfin,

zij kon er nu niets aan doen; ze zou nu weêr verstandig worden.

Zij snikte, maar zij lachte tevens, zij lachte zichzelve uit. Zoo

ze zich zoo opwond zou ze nooit slapen. Brusk wierp zij zich op het

ordelooze bed, en sloot de oogen. Maar de slaap kwam niet.

--O God! kreunde ze. God! Laat me slapen, ik smeek u, laat me slapen.

En ze weende bitter, onophoudelijk. Toen schoot haar eene gedachte

door het brein. Als ze nog enkele druppelen meer dronk dan de dokter

uit Brussel haar had voorgeschreven? Zou dat kwaad kunnen? Denkelijk

niet, daar zij van de dozis, die zij placht te nemen, thans niets

geen invloed scheen te ondervinden. Hoeveel druppels zou zij, zonder

gevaar er nog kunnen bijnemen?

Even zooveel als zij genomen had? Neen, dat was natuurlijk te

veel. Wie weet wat er dan zou gebeuren. Maar, bijvoorbeeld, de

helft? Dus nog.... drie droppels? Neen, neen, zij durfde het niet;

de dokter had haar zoo ernstig op het hart gedrukt voorzichtig te

zijn! Toch was het verleidelijk.... En zij stond op.

Zij nam het fleschje om de drie druppels te tellen.

Een... twee... drie, vier vijf.... De twee laatste vielen er in

voor zij het fleschje had kunnen oprichten. Vijf... zou dat te veel

zijn? Zij weifelde een pooze. Met die vijf druppels zou ze toch

zeker slapen.

Zij weifelde nog steeds. Maar op eens nam zij een besluit, toegelokt

door het vooruitzicht te zullen rusten. En zij dronk.

Zij legde zich neêr, op den grond, dicht bij de open balcondeur.

Het angstzweet brak haar uit, en ze voelde zich zeer dof worden,

maar zoo vreemd dof, zoo anders dan gewoonlijk.

--O mijn God! dacht ze. Mijn God! Mijn God! Zou het.... te veel

zijn geweest!

Neen, neen, dat zou te verschrikkelijk zijn! De dood was zoo zwart,

zoo leêg, zoo onzegbaar! Maar toch, als het zoo was? En eensklaps

versmolt hare vrees in een onmetelijke rust. Nu, als het zoo was,

dan was het goed....

En zij begon te lachen, met onhoorbare, zenuwachtige lachjes, terwijl

de dofheid op haar neêrdrukte, als met zware reuzenvuisten. Zij wilde

met hare handen die vuisten afweren en hare vingers verwarden zich

in een koord om heuren hals. O, dat was... dat was zijn portret:

Otto's portret!

Zou het inderdaad te veel zijn geweest? Zou zij morgen...? Zij

rilde. Zou men morgenochtend kloppen aan haar deur, te vergeefs,

steeds te vergeefs, en zou men haar ten laatste zoo vinden?

Verschrikkelijke gedachte! Zij baadde in haar zweet, en hare vingers

zochten het medaillon. Dat portret mocht men niet op hare borst vinden!

Zij richtte zich op en rukte het portret uit het medaillon.

Zij kon het niet meer onderscheiden, want het was donker geworden in

heur vertrek en het licht brak reeds in haar oog; alleen de gele glans

van een lantaren, vlak voor de huisdeur, viel dof binnen. Maar zij

stelde zich de beeltenis voor, zij betastte het ronde stukje karton,

en zij kuste het, kuste het herhaaldelijk.

--O Otto! stamelde zij, reeds zwaar en loom. Jij was het alleen, mijn

Otto, niet Vincent, niet St. Clare, alleen jij.... jij.... Otto.... o

God!

En zij streed tusschen doodsangst en berusting. Toen, in den hartstocht

harer gloeiende kussen op het portret, stak zij het in den mond,

radeloos, zonder meer de kracht te hebben het te verscheuren,

het anders te vernietigen, dan het te verslinden. Zoo, terwijl een

sidderende ademtocht bang haar geheele lichaam doorschokte, kauwde zij,

kauwde zij op het afgekeurde proefje van het portret van Otto.

Zij weende nog, niet meer snikkend, niet meer bitter, maar als

een kind, met zachte kinderlijke geluidjes, zacht steunend, teeder

kermend, lieflijk pruilend. Een geween, waarin soms nog iets als

een lachje doorklonk, een lachje van waanzin. Toen werd zij stil,

en zij vlijde zich met het hoofd in de armen, steeds op den vloer,

bij de open balcondeur.

Zij verroerde zich niet, radeloos van angst voor wat haar omringde,

voor wat komen zou. Het was of er eene zee in haar lichaam bruiste,

eene donkere zee, die over hare gedachte heengolfde en waarin ze

verdronk. En steeds poogde zij die zee van zich af te schuiven, maar

de druk was te zwaar en zij viel, geheel verloomd, geheel verdoofd

door een stormachtig gesuis in hare ooren, in hare hersenen, neêr.

--God! God! O, God! kreunde zij met een, steeds zwakkeren, schorren

klank, vol van een wanhoop, die zich niet meer uiten kon.

Toen vloeide het bewustzijn, als druppel voor druppel, uit haar weg

en zij sliep in den dood in.

De lantaarn werd uitgedraaid en het groote vertrek was nu als een

donker graf, een mauzoleum vol smart, waarin, schemerachtig wit,

een lijk lag.

Toen drong de kilte van den nacht binnen.

En langzamerhand verrees de parelgrijze vaalheid van den dageraad.

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 184 / 188 题