Zij ging naar boven, naar Henks zitkamer. Henk was uit. Zij trok
er haar mantel uit en zette haar hoed af. Toen nam zij een sigaar
uit een koker, beet er een puntje af en stak op, maar aanstonds
walgde zij van den bitteren smaak en ze wierp het ding weg. Toen
liet zij zich op den divan neêr. Haar oog viel op een wapenrek,
een trofee van degens, krissen, pistolen. Stel eens voor, dat ze
zichzelve van kant wilde maken, hoe zou ze het dan doen? Een kris in
haar borst? Een kogel door haar mond? O, neen, neen, ze zou er nooit
den moed toe hebben en daarbij, ze zou nooit een kris of een pistool
weten te hanteeren. Misschien zou zij zich slechts verwonden, verminken
en.... blijven leven. Maar daarbij, de dood was nog verschrikkelijker
dan het leven. De dood was iets, waar zij nooit aan dorst denken, iets
ontzettend ruims, zwarts en leêgs, iets onzegbaars. Zou er een leven
zijn hiernamaals, zou er een God zijn? Zij herinnerde zich vroeger
zoete vizioenen gekoesterd te hebben van azuren landschappen, gebaad
in een diamanten glans, doorzweefd van zingende engelen, wier wieken
straalden als zilver dons. En vér, zeer ver in etherische verschieten,
op een wolkentroon, een gestalte, nauw zichtbaar, iets koninklijks
en ijls. Een pooze verrees het vizioen nu opnieuw en het scheen haar,
dat zijzelve zweefde, dat er lichtheid in en om haar was, een gesuizel
van glans en zang. Maar aanstonds volgde een schok: het was als viel
zij duizelingwekkend snel, als draaide alles en zij zag alleen... dat
wapenrek! Neen, neen, nooit een pistool, nooit een dolk! Ook niet
vergif, want het zou haar blauw en groen maken; men zou haar vinden
met een uitgepuild, verwrongen gelaat, en men zou van haar huiveren,
zoo leelijk! Zoo zij zich verdronk? Ook dan werd zij leelijk; hare
leden zouden, als in waterzucht, zijn opgezwollen, zoo men haar had
opgevischt! Maar die dood was zalig, naar men zeide. Men zag in het
water, dat zich boven de stervende sloot, de schoonste kleurenprisma's
in blinkend coloriet omwentelen, en men sliep in, steeds dieper en
dieper zinkend als in deinende kussens. En de lelies en biezen van een
meer zouden de verdronkene tooien als een Ofelia. Maar zulke meren met
lelies en biezen kende zij niet en in Den Haag waren slechts stinkende
groene grachten... o, dat nooit! De waterpartij in de Boschjes, de zee
te Scheveningen? Neen, neen, ze was zoo bang en zwak: ze zou zich nooit
tot zulke heldhaftigheid kunnen opschroeven; ze zou nu ook nooit hebben
durven doen wat zij eens gedaan had, 's nachts in een storm vluchten,
alleen kampende met windvlagen en regenstroomen. En zij kwam tot het
besluit, dat zij ook niet zou wagen, zich op te hangen of te wurgen,
dat zij nooit, op welke wijze ook, zou durven zich te vermoorden. Zij
huiverde, sidderde, rilde als in een koorts van ontzetting over hare
verschrikkelijke gedachten.
Toen vulde haar een groote weemoed, die haar verweekte.
Waarom had zij zoo moeten worden? Waarom had zij niet gelukkig
mogen zijn met Otto, of waarom had zij St. Clare niet ontmoet, toen
zij achttien jaar was? Wat had zij gedaan, dat zij zoo diep, diep
ongelukkig had moeten worden? Had zij ooit iemand kwaad gedaan? Had
zij tante Vere niet goed opgepast in hare ziekte: had zij later voor
Vincent niet haar geluk opgeofferd? O, zoo zijzelve gelukkig had kunnen
worden, wat had zij niet veel geluk om zich verspreid! St. Clare,
of neen, Otto, dacht ze, had eens gezegd, dat zij schatten in zich
liet sluimeren. Zij zou die schatten verdeeld hebben en ieder met de
juweelen harer zaligheid hebben bestrooid. Maar het had zoo niet mogen
worden: zij was zoo verpletterd zwaar met het leven belast geworden,
en zij wist nu, dat zij gaarne zou willen sterven. O, ja, zoo gaarne,
ze was zoo moe...
De regen had opgehouden en het werd donker. Uitgeput van hare sombere
mijmeringen lag zij lang gedachteloos en leêg van brein neêr, tot zij
in slaap viel. Zij werd uit die sluimering gewekt door een zwaren stap
op het portaal, en eer zij zich geheel bewust was, trad Henk binnen.
--Zoo zusje! Wat heb je hier zitten doen in het donker? En wat is
het hier koud!
--Koud? herhaalde zij met een blik als van eene somnambule. Ja,
nu voel ik het ook. Ik ril... maar ik heb hier geslapen.
--Kom meê naar beneden, we gaan gauw eten. Betsy zei, dat je bleef,
niet waar?
--Ja. O, Henk, hoe vreeselijk, dat ik zoo even geslapen heb.
--Vreeselijk? Waarom?
--Nu slaap ik van nacht niet! kreet zij wanhopig en zij wierp heur
hoofd op zijn schouder en snikte.
--Waarom kom je niet weêr bij ons terug, Elly? vroeg hij zacht. Je
zou het zoo goed bij ons hebben.
--Neen, neen, dat niet.
--Waarom niet?
--Het zou niet gaan. Ik ben er zeker van. Het is heel lief, Henk,
dat je het vraagt, maar het zou niet gaan. Ik heb soms buien, waarin
ik Betsy zou kunnen slaan, en die buien komen juist op, als ze lief
tegen me spreekt, zooals van middag bijvoorbeeld. Ik moest me geweld
aandoen om haar niet te slaan.
Hij zuchtte, met een wanhopig gezicht. Zij bleef hem een raadsel.
--Laten we dan maar naar beneden gaan! sprak hij en terwijl zij de
trappen afgingen, hing zij zwaar op zijn arm, sidderend van de kou,
die haar bevangen had en die zij nu eerst voelde.