III.

Het regende: een koude, geeselende Maartsche regen en Betsy zat

thuis, in het violette kabinetje, dat op de serre uitkwam. Het was

er eenigszins donker, maar Betsy had haar fauteuil in het licht

geschoven en zoo zat zij goed om te lezen: Pêcheur d'Islande van

Pierre Loti. Maar het boek verveelde haar; hoe konden visschers nu

zoo sentimenteel zijn! Langs de palmen der serre zag zij een enkelen

keer in den dorren tuin, waar de regen de kale takken striemde. Ben

zat op den grond, bij haar fauteuil, zijn dik hoofdje gedrukt in de

japon zijner moeder, en hij keek zeer aandachtig naar een grooten tak

van een bladerloozen kruliep, die telkens de wanhopigste wendingen

maakte onder den stortvloed. Op eens zuchtte hij.

--Wat is er Ben? Heb je iets? vroeg Betsy.

--Neen, ma! antwoordde hij, verwonderd opziende, met zijn langzaam

stemmetje.

--Waarom zucht je dan zoo, kind?

--Ik weet niet, ma!

Zij zag hem even doordringend aan; toen legde zij haar boek weg.

--Kom eens hier, Ben.

--Waar maatje?

--Hier, op mijn schoot.

Hij klauterde langzaam op haar schoot en glimlachte. Hare bruske stem

had tegenwoordig vaak iets zachts, als zij haar eenig kind toesprak.

--Hoû je van moes? vroeg zij liefkoozend.

--Ja.

--Omhels me dan eens.

Hij sloeg zijne armpjes om haar hals.

--Geef me nu een zoen.

Steeds met zijn idioot glimlachje, kuste hij haar.

--Maatje is nooit stout, niet waar? vroeg Betsy.

--Neen.

--Wil je zoo bij moes blijven liggen?

--Ja.

Hij nestelde zich, de groote jongen van zeven jaar, tegen haar borst.

--Zeg eens, Ben, is er iets wat je verlangt? Wil je niet iets moois

van moes hebben?

--Neen, dank u.

--Bijvoorbeeld een wagentje met een klein paard, een heuschig paard,

een poney. Dan kan Herman je leeren mennen.

--Ach neen, dank u! sprak hij op een toon, als verveelde zij hem

een beetje.

Zij werd bijna ongeduldig en was op het punt tegen hem uit te varen

en hem te zeggen, dat hij een lamme jongen was. Maar dat ongeduld

duurde slechts een seconde: zij knelde hem vaster en kuste hem.

--Nu, maar als er iets is, wat je wilt, moet je het zeggen, hernam

zij, bijna weenend. Zal je het dan zeggen, Ben? Zeg vent? Zal je het

dan heusch aan moesje zeggen?

--Ja, antwoordde hij op een toon van groote voldoening.

En zij sloot de oogen, rillende bij de gedachte dat haar kind idioot

was. Het was als een straf, die op haar drukte. Maar wat had zij

dan misdaan?

Zij las niet verder en zij hield hem steeds op haar schoot waar hij

stil tegen haar aan bleef liggen, toen zij door den salon iemand

hoorde naderen. Het was Eline.

--Zoo, dag Elly.

--Dag Betsy, dag Ben.

--Ben je uitgegaan, met dien regen?

--Ik heb een rijtuig genomen: ik kon niet langer thuis blijven. Dat

weêr maakte me zoo melancholiek, en ik dacht... ik dacht gek te worden

van verveling. O God!

Zij liet zich, als met een kreet van vertwijfeling, in een stoel neêr,

en rukte hare kleine voile los, als was het haar benauwd.

--Stel je voor; altijd de vier muren van je kamer; niemand bij je,

niets waarin je belang stelt; is dat niet om dol te worden? Ik kan

het tenminste niet langer uithouden: als het langer duurt word ik

krankzinnig....

--Eline, prends garde: l'enfant t'écoute!

--Hij.... hij begrijpt dat niet en denkelijk zal hij dat nooit

begrijpen! voer zij heesch voort. Ben, hoor eens: kom eens hier. Weet

je wat je doen moet, later als je groot bent? Nooit ook maar aan het

minste denken, ventje! Zie je, je moet eten, en drinken en plezier

maken net zoo lang als je kan en dan.... dan.... moet je trouwen! Maar

je moet niet denken, hoor!

--Eline! Vraimant, tu es folle! riep Betsy driftig, meer vreezende

voor haar kind, dan voor hare zuster.

Eline lachte luid en haar luide lach, de schelle woorden van haar

opgewonden stem, die als de uiting eener zenuwachtige extaze was,

verschrikten Ben. Hij bleef haar met groote oogen en open mond

aanzien. Maar zij lachte steeds.

--O, hij begrijpt er niets van, de kleine man! Niet waar, je begrijpt

niet wat tante raaskalt! Maar het is heerlijk zoo te raaskallen! Ik

woû, dat ik iets heel dols, iets vreeslijk bespottelijks kon doen,

maar ik weet niets, ik ben tegenwoordig zoo bot, dat ik niets kan

uitdenken. Was Elize maar hier, die zou wel wat weten. Weet je wat we

eens gedaan hebben, Elize en ik, den eersten keer, dat ik te Brussel

logeerde? Ik heb het vroeger nooit durven vertellen, maar nu durf ik

alles, het kan me niets meer schelen. Verbeeld je, we zijn 's avonds

met ons beiden, alleen, gaan wandelen, zoo op avonturen uit, weet

je. Je zegt er nooit een woord van, hoor. Toen hebben we twee heeren

ontmoet, twee charmante heeren, die we volstrekt niet kenden. Daarmee

zijn we gaan toeren.... in een open landauer en toen zijn we.... in

een café gegaan....

Haar verhaal was steeds onderbroken geweest door nerveuze, schelle

lachjes en bij de laatste woorden schaterde zij het luidkeels

uit, terwijl haar gelaat zich verwrong, terwijl zij huilde van

opgewondenheid. Er was geen woord van haar verhaal waar, maar zij

geloofde er op dit oogenblik zelve aan.

--Stel je voor in een café.... in een café!! En toen....

--Eline, ik bid je, praat toch niet zoo dwaas! vroeg Betsy zacht.

--O, jij vindt het vreeslijk shocking, niet waar? Nu maar stel je

gerust, zoo erg was het niet.

Zij lachte nog steeds, zeer gedwongen, weenende en ten laatste barstte

zij in snikken uit.

--O, die akelige Reijer! Ik heb altijd zoo een pijn, hier in mijn

hoofd, en het kan hem niet schelen, hij zeurt altijd alleen over

mijn hoest. Dat weet ik nu wel, dat ik hoest. O, God! En het is zoo

vervelend in dat pension.

--Waarom kom je niet bij ons terug!

--Ach, we zouden immers na drie dagen elkaâr de haren uit het hoofd

trekken! schaterde Eline smartelijk. Nu we elkaâr zelden zien, gaat

het immers veel beter!

--Heusch, ik zou al mijn best doen, dat je het goed bij ons

hadt! smeekte Betsy, ontzet over Eline's akelige opgewondenheid. We

zouden alle zorgen voor je hebben! Ik zou me geheel naar je schikken.

--Maar ik niet naar jou! Neen, dank je hartelijk, hoor! Vrijheid boven

alles. Hoe kan je toch zoo leuteren! We zouden immers oogenblikkelijk

kibbelen, we kibbelen immers nu al.

--Waarom zeg je dat! Ik kibbel volstrekt niet. Ik wil niets liever,

dan dat je van avond nog bij ons komt.

--Betsy, schei daar nu dadelijk over uit of ik ga weg en je ziet me

nooit weêr terug. Ik wil nu eenmaal niet meer bij je wonen, hoor je,

ik wil niet, ik heb er genoeg van gehad!

Zij neuriede iets.

--Blijf je dan bij ons eten, van middag? vroeg Betsy huiverend.

--Dolgraag! Maar ik ben moê, je zal niet veel conversatie aan me

hebben. Wat doen jullie van avond?

--We gaan naar de Oudendijken. Ben je niet geïnviteerd?

--Neen, ik maak er nooit visites.

--Waarom niet?

--Wel, ze kunnen voor mijn part ophoepelen, die Oudendijken! O,

o mijn hoofd! Ik ben dood.... Mag ik wat gaan liggen, op een bank?

--Zeker.

--Dan ga ik op Henks kamer, daar is zoo een gezellige divan.

--Daar is geen vuur....

--O, dat komt er niet op aan.

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 181 / 188 题