II.

Minuten lang bleef zij soms voor den spiegel turen op haar verwelkt

gelaat. Tranen welden dan in haar oogen, wier glans als voor immer

uitgebluscht scheen, en zij dacht aan vroeger. Zij verlangde het

verleden terug te hebben, zonder zich goed rekenschap te geven

wat haar het verleden geweest was, want zij kon in den laatsten

tijd niet meer doordenken, alsof aan haar gedachten een grens was

gesteld, die niet overschreden mocht worden. Die dofheid verlichtte

echter haar melancholie, die, ware zij helder van hersenen geweest,

tot een onovertrefbare crizis zou gestegen zijn. Maar in plaats van

die melancholie, doorstreed zij thans uren van vertwijfeling, waarin

zij niet wist, wat zij zou aanvangen met haar nutteloos lichaam, haar

nutteloos bestaan, dat zich in hoestbuien voortsleepte, tusschen die

vier muren... Dan weende zij bitter om haar onvoldane verlangens,

en zij wrong zich op den grond en strekte de armen uit naar een

beeld dat haar niet duidelijk was. Want zoowel in haar droomen als

in hare reëele gedachten begon zij Otto en St. Clare te verwarren;

opmerkingen en gezegden, denkbeelden van den een schreef zij aan den

ander toe en zij was zich niet meer bewust wien zij ooit in waarheid

lief had gehad, of nog had. Wanneer zij in zulke twijfelingen wilde

doordenken, hield de, niet te overschrijden, grens haar steeds tegen

en haar onmacht maakte haar woedend: zij sloeg zich met gebalde vuist

op het hoofd, als was daar iets, dat zij met geweld wilde heelen.

--Wat is dat toch? vroeg zij zichzelve dan radeloos af. Waarom vergeet

ik honderden dingen, die gebeurd zijn, en waarvan ik alleen onthouden

heb, dàt ze gebeurd zijn! O, die dofheid, hier in mijn hoofd! Liever

de ellendigste pijn dan die dofheid! Het is of ik gek word...

Een huivering kroop haar als een kille slang over den rug bij

die gedachte. Veronderstel, dat zij gek werd: wat zou men dan met

haar doen? Maar zij wilde die verschrikkelijke veronderstelling

niet uitwerken, ofschoon het haar werd, dat zij, over dat spook van

opkomenden waanzin doordenkend, plotseling de, niet te overschrijden,

grens harer gedachten zou hebben overschreden. Maar was die

overschreden, dan ook was zij... krankzinnig!

Zij bedekte in zulke oogenblikken het gelaat met de vingers, die

zij in de ooren perste, als wilde zij niet hooren, niet zien, als

zou de eerste indruk, dien zij nu ontvangen zou, haar krankzinnig

maken. En zij was daar zoo bang voor, dat zij Reijer geen woord over

de dofheid zeide....

Haar onafgebroken energieloos nietsdoen deed haar zich geheel en al,

als een slavin, aan vreemde fantazieën en hersenschimmen overgeven,

die vaak tot onzinnige extazes stegen, waaruit zij eensklaps met

ontzetting ontwaken kon. Liggende op hare bank, zenuwachtig spelende

met de kwasten der kussens, met het losse haar, dat verward om haar

heen slingerde, herdacht zij hare theatrale illuzies uit den tijd,

toen zij met Paul duetten had gezongen en toen zij gemeend had Fabrice

te beminnen. Dan werd zij actrice, zij zag de planken, het publiek,

zij glimlachte, en boog, het regende bloemen...

Als onbewust stond zij dan van de bank op, neuriede zacht met

hare gebroken stem een recitatief, een fraze uit een Italiaansche

aria en bewoog zich in hare kamer, als speelde zij een rol... Zij

acteerde, zij rekte hare armen met wendingen van wanhoop of strekte

ze smachtend uit naar een vluchtenden geliefde; zij zeeg op hare

knieën neêr en verbeeldde zich voortgesleept te worden, hoewel zij om

genade smeekte.... Verschillende rollen verwarden zich in haar brein:

Marguérite, Juliette, Lucie, Isabelle, Mireille. Zij speelde van die

allen in weinige minuten de meest tragische scènes. En plotseling ruw,

ontwaakte zij dan uit dien waanzin, zag zij dat zij zich alleen in

hare kamer bevond, dat zij vreemde gebaren maakte....

Dan ontzette zij voor zichzelve, en sidderend dacht ze:

--O God! zal het waar worden?

Na zulke oogenblikken bleef zij met angstig starende oogen roerloos

liggen, als verwachtte zij, dat er elk oogenblik eene verpletterende

catastrofe zou gebeuren, als zouden de gelaatstrekken der beelden,

de figuren der schilderijen en platen om haar heen plotseling levend

worden en een grijnzenden lach uitstooten, hard en onmeêdoogend als

van duivels...

Na zulk een dag poogde zij, in een stille ontzetting, zichzelve te

worden. Des ochtends, uit haar looden, kunstmatigen slaap ontwaakt,

stond zij in eens op, kleedde zich met veel zorg en ging aanstonds

uit, boodschappen doen, koffiedrinken bij Henk en Betsy, bij de

Verstraetens of bij mevrouw Van Raat visites maken. Zij klaagde over

hare eenzaamheid, en daar zij zich in zulk een oogenblik innemend

toonde, vroeg men haar uit medelijden hier of daar ten eten. De avond

ging dan ook vroolijk om en zij keerde huiswaarts, verheugd dat er

weêr een dag voorbij was, maar... zwijmende van vermoeidheid door

hare ongewone emoties, door haar opgeschroefde scherts, onnatuurlijk

en schel van lach en hoestende, hoestende... En zij bekocht zulk een

dag des nachts duur: de druppels hielpen niet; zij bleef klaar, klaar

wakker, aangevochten door krankzinnige nachtmerries, door spooksels

van haar zieken geest, terwijl de dag nog eens haar voorbij trok met

zijn ongewone drukte.

De kennissen praatten veel over Eline, en Betsy zeide dikwijls, met een

bedenkelijk gezicht, hoe ze vreesde, dat het niet goed met Eline ging:

Eline was tegenwoordig zoo vreemd en Reijer was ook niet tevreden. En

de kennissen beklaagden haar; die arme Eline! Vroeger was ze zoo mooi,

zoo elegant, zoo vroolijk en nu was ze als een schim, wanneer zij een

enkelen keer over de straten liep, met hare zenuwachtige, ongelijke

stappen, het mofje aan den mond, en bijna iets verlegens in den knik,

waarmede zij de Van Larens, de Hijdrechten, de Oudendijks groette. O

ja, ze was wel erg ziek, dat was haar wel aan te zien...

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 180 / 188 题