Oom Daniël en tante Elize waren niets verwonderd, toen Eline, eenige
dagen na het vertrek van St. Clare en Vincent, hun mededeelde, dat
zij voornemens was naar Den Haag terug te keeren. Zij wisten hoe
grillig Eline was, nu dit en dan dat verlangde, en nooit tevreden
was. Maar thans verlangde Eline niet uit grilligheid naar een andere
woonplaats. Het was haar, sedert de soirée, waarop St. Clare haar een
weinig brusk gevraagd had hoe zij "hier kwam", alsof er een gordijn
voor haar blik was opgerezen, alsof zij plotseling inzag, dat zij bij
oom en tante en vooral bij hunne côterie niet thuis behoorde. En het
was uit achting, uit vriendschap, misschien uit liefde voor St. Clare,
dat zij hare Brusselsche vrienden verlaten wilde.
Zij schreef aan Henk en verzocht hem twee kamers voor haar te huren in
een pension voor dames, of in een der nieuwe deftige hôtels-garnis. Zij
kreeg daarop aanstonds brieven van Henk, van Betsy, van de oude mevrouw
Van Raat, die haar allen verzochten, niet op kamers te gaan wonen,
maar bij hen haren intrek te nemen. Betsy schreef haar, dat zij
alles vergaf en vergat, wat er gebeurd was, zoo Eline op hare beurt
ook alles wilde vergeven en vergeten, en smeekte Eline toch niet zoo
excentriek te zijn en op zichzelve te gaan wonen, wanneer er plaats
was in het huis harer zuster. Ook de oude mevrouw Van Raat schreef
zeer dringend, zeer hartelijk. Maar Eline weigerde, met herhaalde
betuigingen van dankbaarheid, zeer beslist en niemand kon haar van
gedachte doen veranderen.
Henk haalde dus met een ongelukkig gezicht de schouders op en
zocht met Betsy twee fraaie kamers uit in een groot pension op het
Bezuidenhout. Eline kwam daarop in Den Haag.
Zij herinnerde zich hoe moê van haar slingeren en reizen zij den
vorigen zomer in Den Haag was gekomen, ten huize der oude mevrouw
Van Raat. Zij vergeleek haar matheid van die dagen met de uitputting,
welke haar nu, als het ware, uitmergelde en zij gevoelde zelfs geen
kracht om er over te weenen. Ter wille van haar genegenheid voor
St. Clare had zij hare laatste levenskrachten bijeen verzameld, om nog
eens te worden zooals zij geweest was, innemend, lieflijk, zoo niet
schitterend. En nu, dat St. Clare vertrokken was, bespeurde zij, hoe,
ofschoon ze tegenover hem steeds oprecht en zichzelve was geweest, zij
zich desniettemin, als onbewust had opgewonden, had opgeschroefd, om
hem niet geheel en al een uitgeput wezen, een lijk toe te schijnen. Nu
die opwinding, die opschroeving niet meer noodig waren, viel ze,
als geknakt, ineen. De emotie van haar laatste bekentenis, had haar
daarbij zeer aangegrepen, en het werd haar zekerheid dat zij zich
nooit meer uit haar lichamelijke uitputting en haar zedelijke onmacht
zou vermogen op te richten.
Zij hoestte zeer hevig en Reijer behandelde haar opnieuw. Maar
zij sprak hem niet van haar Brusselschen dokter, die haar de
morfinedroppels had voorgeschreven, daar zij zich herinnerde,
dat Reijer haar nooit een slaapmiddel had willen toestaan. Het was
Februari, de koû was snerpend en zij ging nooit uit.
Wanneer zij nu des morgens opstond, gevoelde zij zich, als vroeger bij
mevrouw Van Raat, te loom, om zich aanstonds te kleeden; zij hulde
zich in een peignoir en zonk op een divan neêr. Dan overviel haar
een zalig gevoel, dat zij zich aan niemand behoefde te storen, dat
zij zich volstrekt niet behoefde te kleeden en dat zij zoo, ongekapt,
op haar muilen, blijven kon, zoolang zij verkoos. Vaak vonden mevrouw
Van Raat of Betsy, mevrouw Verstraeten of Marie en Lili haar zóo,
ongekleed, slordig, wezenloos starende uit het venster. Zij las niet,
zij deed niets, en er gingen uren voorbij, dat zij ook aan niets
dacht. Somtijds wierp zij zich plotseling op den grond, het gelaat
geperst op het tapijt, en het werd donker, donker, donker, totdat
een klop op de deur,--de meid, die heur middageten bracht--haar met
een plotselingen schrik deed opstaan. Dan at zij alleen, een zeer
klein beetje, en dan grifte er zich een akelig lachje om haar lippen
waarover tegelijk iets satirisch en iets idioots schemerde.
De nachten, die op deze dagen volgden, waren voor Eline uren des
schriks. Alles begon in haar te leven, en zij werd als geëlectriseerd
door den angst, dat zij niet slapen kon. Een duizelende helderheid
klotste in haar hersenen, het gesuizel gonsde in haar ooren. Een
maalstroom van herinneringen wentelde in haar om, vizioenen
verrezen. Zij schrikte voor alles, voor een schaduw, voor een speld,
die op den grond glinsterde. Maar zij nam haar druppels: een doffe
slaap viel ten laatste als een mantel van lood op haar neêr.