X.

Zij waren alleen.

--Ben je nu van mij, geheel en al van mij? vroeg hij, terwijl zij

aan zijn borst lag, moê geweend, en haar armen zijn hals omketenden.

--Ja, vergeef je me? vroeg zij fluisterend. O, als je wist wat ik zelf

er onder geleden heb. Want ik hield al zooveel van je, dienzelfden

morgen toen....

--Willen we daar nooit meer over praten, nooit meer?

--Nooit meer! herhaalde zij. Goed! Ik had niet gedacht, dat het ooit

weêr zoo worden zou, Paul!

--Ik ook niet. Maar kort geleden ben ik toch gaan vermoeden, dat het

zich nog zou schikken.

--Kort geleden? Zeg Paul, sedert wanneer ben je dat gaan vermoeden?

--Sedert wanneer? Ik weet het niet meer. Misschien van het oogenblik,

dat ik van mama hoorde, dat je dikwijls bij mama kwam.

--Wist je dat niet?

--Neen. Ik dacht dat je niet meer bij mama kwam, zooals ik hier niet

meer kwam.

--Je mama heeft zelf me gevraagd dikwijls bij haar te komen. Met Marie,

zoo 's avonds, weet je, om voor te lezen,

--Heeft mama je dat gevraagd?

--Natuurlijk, anders was ik nooit gekomen.

--Heeft mama je dat zelf gevraagd? Dat heeft ze me nooit gezegd.

--Marie heeft het me eerst gezegd, dat je mama op een visite van

mij rekende. Toen dorst ik niet meer wegblijven. En toen ben ik

langzamerhand heel dikwijls gekomen.

Hij zweeg een oogenblik en zijn oogen zagen in de hare, terwijl

hij nadacht.

--Maar mama sprak toch niet over me.

--O, heel dikwijls. Ze wist zeker niet hoe ze me pijn deed, wanneer

ze je naam noemde, Paul.

--Sprak mama over me? En ze wist, dat....

--Wat?

--Alles! Ik had haar alles verteld, wat er tusschen ons was

voorgevallen. Ze zag, dat ik er onder gebukt ging; toen heeft ze me

gevraagd wat ik had.

Frédérique richtte zich op.

--Wat! riep ze uit, steeds met haar arm om zijn hals. Wist je mama

dat je mij gevraagd had, dat ik je had afgewezen?!

--Ja!

--En ze heeft met me gesproken, alsof ze van niets wist! Want hoor

nu eens....

Frédérique vertelde van dien avond toen mevrouw haar heur geheim

ontlokt had.

--Die mama! sprak hij zacht, toen zij geëindigd had. Dat heeft ze me

ook niet verteld. Wanneer was dat? Kan je je dat herinneren?

--Eergisteren.

--En gisteren ochtend kreeg ik een brief om over te komen. Een brief

over geldzaken!

Zij zagen elkaâr zacht glimlachend aan.

--Ik begrijp er heusch niets van! fluisterde Freddy en omhelsde hem

vaster, te gelukkig om veel te peinzen. Ik weet alleen, dat ik nu je

vrouwtje ben....

Hij kuste haar.

--Mij is het ook niet geheel en al duidelijk, fluisterde hij,

in dien kus, terug. Maar waarom zouden wij er eigenlijk ons hoofd

over breken....

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 177 / 188 题