VIII.

Mevrouw Van Raat troostte Paul, toen hij nog dien avond haar den

uitslag zijner visite had medegedeeld. Hij was niet gerust, onvoldaan.

--Maar lieve jongen, wat dacht je dat er gebeuren zou? Dat mevrouw

Van Erlevoort je zou omhelzen en Freddy ook? Je vindt, dat die visite

tot niets geleid heeft! Maar hoe kan je dat zeggen? Freddy begrijpt

nu immers, dat je nog van haar houdt, dat je nog een tweede avance

doen wilt. Anders was je immers niet op het Voorhout gekomen.

--Ik had haar al vroeger gesproken van een visite.

--Die je nooit gemaakt zou hebben!

--Denkelijk niet....

--Nu.... wat wil je dan meer voor het oogenblik?

--U vraagt me, wat ik nog meer wil... o God, o God!

--Maar Paul, ze wil je immers terug zien....

Hij glimlachte door de vertwijfeling zijner trekken heen.

--Is je dat dan nog geen zekerheid genoeg? Kan je dat dan nòg niet

doen gelooven? vroeg mevrouw met klem.

Hij zuchtte, overvol van zijn onvoldaan verlangen.

--Paul, zeg me nu, kan je gelooven, dat ze van je houdt? Want als je

dat gelooft, komt alles in orde....

--Hoe zou dat? klaagde hij, wanhopig onder de teleurstelling van

dat bezoek.

--Ach, zoo eenvoudig.... Ik verzoek morgen belet bij mevrouw Van

Erlevoort en vraag Freddy tot mijn dochter....

--Tot uw dochter....

--Tot de vrouw van mijn zoon, tot jouw vrouw, Paul! Begrijp je me,

of schemert het je nog zoo een beetje? glimlachte zij schalks.

Hij richtte zich als getroffen op.

--Neen, mama, ik wil volstrekt niet, dat u dat doet. Ik weet immers

niets zekers van Freddy....

Mevrouw haalde hare schouders op. Zij wist heel veel zekers van

Freddy en zij vond, dat de comedie nu lang genoeg duurde. Als zij

niet oppaste, zouden die kinderen zoo tegenover elkander blijven

boudeeren tot in der eeuwigheid!

--Paul, sprak zij eenvoudig, je moest me hierin eens mijn eigen wil

laten volgen, je hebt mij je verdriet bekend, je hebt vertrouwen in

me gesteld: stel nu nog een weinig meer vertrouwen in me, als ik je

vertel, dat alles in orde komt, wanneer je mij laat handelen, zooals

ik verkies.

Er was zoo iets beslists in haar stem, dat Paul verwonderd opzag. Toen

maakte hij een gebaar van neêrslachtigheid en berusting, en hij riep:

--Doe dan zooals u wilt! Maar het is me noodeloos plagen, het zal

voor niets zijn, voor niets....

--Nous verrons! antwoordde mevrouw.

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 175 / 188 题