Zij meende nu hen beiden aan elkaâr te moeten overlaten. In beiden
had zij een twijfel opgeroepen, een twijfel, die hun weldadig was,
een twijfel aan hun ongeloof in elkander. En zij wachtte.
Paul kon niet besluiten naar Bodegraven terug te keeren. Den volgenden
dag begaf hij zich naar oom en tante Verstraeten, om vier uur, het
uur waarop hij wist de familie thuis te zullen vinden. Meestal kwam
Freddy ook om dien tijd. En hij was afgetrokken, teleurgesteld, toen
Freddy niet kwam. Hij was zichzelven niet meer meester en vroeg Marie:
--Zou Freddy van middag niet komen?
Marie was zeer verwonderd over zijn vraag.
--Ik weet het niet, Paul... waarom vraag je dat?
--Ik heb haar in zoo lang niet gezien... fluisterde hij bijna.
Marie bloosde; zij gevoelde zich zeer verlegen. Zij had zoo gaarne
uitgeroepen, dat Freddy haar eens bekend had, hoe zij berouw gevoelde
over hetgeen zij gedaan had, dien vorigen zomer. Maar zij dorst
zich niet mengen in het verwarde samenweefsel hunner gevoelens,
uit vrees door een enkelen onvoorzichtigen greep een onmisbaren
draad te scheuren. Vanzelve moesten zich die draden ontstrengelen,
maar wanneer zou dit geschieden? Misschien nooit, dacht Marie. En
toch hadden zijne laatste woorden Marie als eene opflikkering van
zoete hoop toegeschenen....
Paul zag Freddy dien middag niet. Aan tafel vroeg hij mevrouw Van Raat:
--Zou ik van avond mevrouw Van Erlevoort een visite kunnen maken?
--Wel zeker, Paul, waarom niet? antwoordde zijne moeder.
--Denkt u... hernam hij weifelend; zou u denken, dat ik vriendelijk
zou ontvangen worden?
--Ik denk niets dan goeds, mijn jongen.
--Ik begrijp niet, hoe u zoo optimistisch is! Ik begrijp niet wat
Freddy gezegd kan hebben...
--O, niets bizonders. Nu eens een woordje en dan eens een woordje,
maar genoeg voor mij om optimistisch te zijn. Je zal zien, Paul.
Hare woorden waren hem eenigszins raadselachtig, maar toch zoet. Na
het diner kon hij zich ternauwernood rustig houden, en vol van zijne
gedachten liep hij het vertrek op en neêr.
--Ga wat zitten, Paul; drink nu eerst je koffie.
--Hoe laat vindt u, dat ik bij mevrouw Van Erlevoort kan komen?
--Niet voor achten, kind. Tusschen achten en half negen.
--Ik kwam er vroeger zoo intiem!
--Juist omdat je er in den laatsten tijd niet meer intiem kwam, moet
je nu niet den schijn aannemen van te komen aanloopen. Je kan niet
anders dan een visite maken; laat je ook eerst aandienen.
Hij zuchtte en bedankte voor de koffie. Alleen een glas cognac.... En
telkens vroeg hij zichzelven af wat Freddy aan zijn moeder kon hebben
medegedeeld. Hij nam een boek en deed alsof hij las. Mevrouw deed
alsof ze haar dutje maakte, maar innerlijk was zij even zenuwachtig
als Paul. Het sloeg half acht en hij schrikte bij den metalen klank
der pendule en wierp zijn boek ter zijde.
--Ik ga wat oploopen: het is hier zoo benauwd in huis! sprak hij,
bijkans beklemd van borst. U stookt zoo hard!
Zij glimlachte, toen hij haar fauteuil naderde om haar te kussen.
--Adieu, mijn jongen! fluisterde zij in haar zoen.
Hij ging de deur uit, de straat op. De koude wind koelde de koorts
van zijn gelaat, en hij ademde de ijzige frischheid met volle teugen
in, als brandde hij inwendig. Het was hem, of alles in hem leefde en
woelde, of alles in hem gespannen was, of hij scherper zag en hoorde,
of hij de straten, wit van sneeuw, in den gelen glans der lantaarns,
tot het einde met zijn blik kon doordringen, of hij vreemde trillingen
in de lucht vernam, als een zonderlinge muziek. Nog nooit was zijn
tred zoo licht geweest; in twee minuten had hij op het Voorhout
kunnen zijn. En het was slechts over half acht. De tijd kroop om,
ergerlijk langzaam.
Hij zou zeer, zeer langzaam loopen, dan kwam hij niet zoo bizonder
vroeg waar hij wezen wilde. Hij ging door de Zeestraat, het
Willemspark, de Alexanderstraat, de Parkstraat.
En het was hem onmogelijk zijn tred, die gevleugeld scheen, in te
toomen. In vijf minuten was hij op het Voorhout en hij ademde diep,
nu hij stil bleef staan. Hij was verlegen met die eeuwigheid, die
hij nog voor zich had.
Wanneer zij niet thuis waren? Of niet thuis gaven? Zijn hart tikte,
klopte, bonsde. Driemaal ging hij het huis der Van Erlevoorts
voorbij. Een lichtstraal kroop tusschen een reet der blinden van den
grooten salon. Boven op een valgordijn kwamen en verdwenen schaduwen,
weifelende silhouetten, Chineesche schimmen. Zeker de Van Rijseltjes,
die naar bed werden gebracht. En hij zag op zijn horloge. Het was nog
geen acht uur. Maar vroeger kwam hij immers wel eens om zeven uur,
vlak na het diner. Hij vermocht zich niet meer in te houden. En hij
belde. Willem, de oude knecht, die open deed, zag hem verwonderd aan,
daar hij zich liet aandienen!
Hoe lang duurde hem die korte pooze, die men hem wachten liet! Maar nu
trad hij dan toch den salon binnen en mevrouw Van Erlevoort ontving
hem glimlachende, maar innerlijk eenigszins verlegen. Het was haar
natuurlijk opgevallen, dat Paul hun huis niet meer had bezocht, al
had hij ook Freddy luchtig van een visite gesproken. Van Mathilde
had mevrouw daarna alles gehoord.
Zij was echter te veel vrouw van de wereld om ook maar een zweem
van verlegenheid te toonen. Zij maakte niet de minste toespeling,
dat zij hem in zoo langen tijd niet ten harent gezien had, maar zij
ontving hem vriendelijk, zoo niet hartelijk: een weinig deftig en
op een afstand. Zij was alleen en liet door Willem aan mevrouw Van
Rijsel en de freule zeggen, dat meneer Van Raat er was. Etienne was
te Leiden, zeide zij vervolgens tot Paul en zij vroeg hem naar zijn
eigen werkkring. Er was intusschen iets angstigs in zijn blik, dat
haar bijna verward maakte, en zij vroeg zich af, of Freddy het doel
zijner visite kon zijn.
Hij had niet haar gemakkelijkheid om een onzijdig gesprek te voeren
en woorden te uiten, die zijne gedachten verborgen. Hij had de vraag
van zijn hart kunnen uitschreeuwen, maar hij moest zich intoomen en
een geduld oefenen, dat hem folterde. Verwend als hij was, martelde
het hem, niet aanstonds te kunnen onderzoeken, of zijn moeder gelijk
had en Freddy te kunnen vragen, of zij hem lief had. Toen hij nog op
straat was, had het hem toegeschenen, dat hij slechts binnen behoefde
te zijn, om zekerheid te hebben. En nu was hij gedwongen mevrouw Van
Erlevoort te vertellen van Bodegraven, van den burgemeester aldaar
en in ruil van die mededeeling te hooren, hoe hard Etienne studeerde.
Hij knikte bevestigend, hij glimlachte en hoorde niet, wat zij zeide.
De deur werd geopend en Mathilde en Frédérique traden binnen. Mathilde,
bleek, in het zwart, had iets strengs en onderzoekends over haar,
anders zachte, gelaatstrekken. Frédérique groette hem met een hand en
een onverstaanbaar woord. Mevrouw schonk thee en het gesprek vloeide
verder voort: een nuttelooze woordenwisseling, die wreed was door
hare onbeduidendheid.
Voor niemand in de kamer was het een geheim, dat Freddy Paul had
afgewezen. Voor elk moest het van beteekenis wezen, dat hij nu
ten hunnent was gekomen. Frédérique's ziel sidderde van zoete
verwachting. Paul had niets liever gewild dan zijn verzoek van
dien zomer herhalen. Toch zou niemand dien avond een woord over
de gewichtige zaak, die hun aller harten in spanning bracht,
reppen. Het was wreed, maar het kon niet anders. En Paul bedacht,
hoe hij misschien tot zekerheid omtrent Frédérique's gevoelens zou
komen, indien ze een seconde alleen waren....
Maar toch sprak hij tot haar anders dan hij, bijvoorbeeld, dien middag
bij de Verstraetens gedaan had. Hij legde bijna een smeekenden weemoed
in zijne stem en het troostte hem, dat hare stem als een echo klonk van
de zijne, ook weemoedig, ook klagend. Haar oog hief zich zwaarmoedig en
schuchter tot hem op: zou hij iets weten van dien avond, waarop mevrouw
Van Raat haar geheim haar had ontwrongen? Mevrouw had immers beloofd
te zwijgen! Maar mevrouw zou toch niet gezwegen hebben, als ze zeker
was, dat heur zoon haar, Freddy, nog liefhad.... Dat zou geene moeder
gedaan hebben, al had ze ook beloofd... O, die martelende onzekerheid!
Zoo leden zij beiden, terwijl er slechts één woord noodig was.
Na een uur stond hij op. Wat had hij zich niet van dit bezoek
voorgesteld en welk een teleurstelling was het hem niet geworden...
--Mag ik eens gauw terugkomen? vroeg hij bijna smeekend.
--Zeker, Paul, kom gauw eens terug! antwoordde mevrouw zonder
uitdrukking.
Hij hield nog steeds Freddy's hand. Zij drukte even de zijne en liet
die toen los.
--Doe dat! sprak zij eenvoudig, met iets vochtigs in haar oog.
Hij wijfelde nog een oogenblik, onzeker of zij die twee woorden met
bedoeling geuit had. Toen ging hij.
Frédérique weende zacht, nu hij vertrokken was. Mevrouw Van Erlevoort
trok haar tot zich en kuste haar. Toen mevrouw zich daarna met Mathilde
alleen bevond, vroeg deze verwijtend:
--Had u niets kunnen zeggen, mama?
Mevrouw Van Erlevoort gevoelde zich zeer ongelukkig en trok hare
wenkbrauwen op.
--Kindlief, wat had ik kunnen zeggen? Het was toch aan hem om het
eerst te spreken.
--Maar hoe moeilijk kon hij dat doen... op dat oogenblik! Arme
jongen! Arme Freddy!
Mevrouw zuchtte.
--En toch mocht ik niets zeggen! herhaalde zij droevig. Het kon
niet anders....
--Ach ja, het kon niet anders! hernam Mathilde.
Zij bleven beiden een pooze zwijgen en dachten na. Toen sprak mevrouw,
zacht glimlachend:
--Maar nu het ijs gebroken is.... zal het toch wel tusschen hen in
orde komen.... Geloof je ook niet?
Mathilde antwoordde niet, maar zij glimlachte eveneens en knikte
zachtjes, geruststellend, van ja.