VI.

Zij had nu zekerheid: Freddy had haar jongen lief. De redenen, waarom

zij Paul had afgewezen, hadden in heur eigen hart gescholen en waren

haar nu zelve niet meer helder. Verder was er niets gebeurd. En

den volgenden dag schreef mevrouw aan Paul spoedig over te komen;

zij wilde eenige geldzaken met hem regelen.

Paul kwam, zeer verbaasd. Geldzaken! Henk bemoeide zich immers altijd

met den bankier en met die financieele histories; wat wilde mama nu in

eens raad van hem, Paul, hebben! Hij wist er niets van! Maar mevrouw

verweet hem juist die onwetendheid, en vond dat het toch tijd werd,

dat hij zijn eigen geld leerde beheeren. Paul haalde zijn schouders op:

Henk deed dat immers altijd prachtig! Mevrouw echter liet niet af en

sprak zoolang over de financieele histories, tot het Paul duizelde. En

daarna scheen zij zich, als bij toeval, te laten ontvallen:

--Freddy is gisterenavond bij me geweest, Paul. Ze is toch een lief

kind; wat is het toch jammer....

--Freddy? Ik wist niet dat u haar zag.

--O, zeker, dikwijls.

--Dikwijls? Ik dacht....

--Wat kind?

--Ik dacht, dat ze niet meer bij u zou komen, antwoordde hij weemoedig

en verwonderd.

--O, zeker. Ze komt wel 's avonds met Marie om mij voor te lezen.

Hij zag verbaasd zijn moeder aan, die hem dit mededeelde, als de

natuurlijkste zaak der wereld.

--Wist je dat niet? vroeg mevrouw eenvoudig.

--Neen.

--Hé, ik dacht dat je het wist. We spreken wel eens over je.

--Over mij? Spreekt zij over mij?

--Ik wil nu niet zeggen, dat ze altijd over je begint te spreken. Maar

als ik over je spreek, dan laat ze zich altijd vriendelijk over

je uit. Ze weet dus niet, dat ik weet, wat er tusschen jullie is

voorgevallen.

--Maar komt ze bij u? Ik begrijp niet, dat ze bij u komt.

--Ach, daar is toch niets in. De menschen weten immers van niets.

--Dat is wel zoo. Maar toch begrijp ik niet, dat ze het van zich

verkrijgen kan hier te komen. Voor zichzelve, begrijpt u niet?

--Zichzelve! Neen, dat zie ik nu zoo niet in. De een voelt zoo,

de ander zoo.

--En u kan met haar praten en lief tegen haar zijn, terwijl u alles

weet?

--Ja, Paul, dat is me niet onmogelijk. Ofschoon ik eenigen tijd haar

wel een kwaad hart heb toegedragen.

--En nu niet meer?

--Neen, nu niet meer.

Hij zag, verloren in een gedwarrel van aandoeningen, tot zijn moeder

op en vroeg niet verder.

--Begrijp je, waarom niet? vroeg zij met haar zachten blik.

--Neen! stamelde hij. Ik begrijp het niet, het is alles zoo vreemd.

--Wat is vreemd?

--Dat ze hier komt en dat ze daar niets in vindt. En ook, dat u zoo

vriendelijk tegen haar is!

--Ik hoû zelfs veel van haar. En ik geloof, dat zij ook van jou houdt,

Paul. Omdat ik dat geloof, of liever, omdat ik dat zeker weet, draag

ik haar geen kwaad hart meer toe.

--O, mama! kreet hij zacht. Waarom gelooft u dat, hoe weet u dat zeker?

--Ik heb dat gemerkt aan het een en ander. Ik kan je dat niet

uitleggen. Aan een woordje hier, aan een woordje daar.

Hij zweeg, verblind door den glans eener rozige verwachting. Het was

hem, als droomde hij.

--Kind! hoorde hij mevrouw Van Raat zeggen, en hij voelde haar oude

vingers zijn handen omvatten. Kind! Ik verzeker het je: ze houdt

van je. Ik kan daar niet meer aan twijfelen. Je kan nog gelukkig

met haar worden.... Spreek een volgenden keer, als je haar ziet,

niet meer zoo luchtig tegen haar, alsof je alles wat er gebeurd is,

hebt willen vergeten. Tracht eens haar beter te kennen, dan je doet....

--U denkt, dat ik haar niet ken?

--Neen Paul, ik verzeker je, dat je haar niet kent. Ik verzeker je,

dat ze je lief heeft. Ik verzeker het je, bij God.

Hij zag haar steeds aan met zijne, door glans verblinde, oogen. Toen

schudde hij het hoofd.

--Het kan niet zijn! stamelde hij. Onmogelijk! O, mama, het is

onmogelijk.

Mevrouw glimlachte.

--Dat zeide zij ook! dacht zij.

Zij stond op en omhelsde hem, zeer innig, zeer lang.

--En toch is het zoo, mijn jongen! fluisterde zij en zij scheen tien

jaar jonger in de verheerlijking van haar overgelukkigen glimlach.

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 173 / 188 题