V.

Toen Frédérique door Marie vernam, dat mevrouw Van Raat een bezoek

wachtte, bedacht zij zich een poos. Opzettelijk had zij het huis van

de Laan van Meerdervoort vermeden, uit een gevoel van kieschheid,

gemengeld met weemoed en schroom. Nu mevrouw haar echter verwachtte,

meende zij hieruit te moeten opmaken, dat Pauls moeder niets wist van

het aanzoek haars zoons. Daarbij toonde Paul zelve zeer duidelijk,

dat hij het verleden wenschte te vergeten. Hare kieschheid was dus

overbodig en schroom en weemoed alleen mochten haar niet weêrhouden

de vriendelijke oude vrouw niet te veronachtzamen. Zij besloot dus

haar een visite te maken.

Maar heur hart klopte snel en angstig toen zij aanbelde. Als een

vreemde bezocht zij mevrouw Van Raat en zij had haar tot een dochter

kunnen worden.

Mevrouw toonde zich zeer verheugd Frédérique te zien, en terwijl

zij haar eenige vriendelijke, belangstellende vragen deed, nam zij

het jonge meisje aandachtig op. Mevrouw herinnerde zich iets als een

droombeeld gekoesterd te hebben, waarin zij Paul en Eline te zamen

zag, en zij kon het niet helpen thans een vergelijking te maken

tusschen Eline's verwelkte elegance en de rozige frischheid van

Frédérique, slechts een weinig overwaasd door een bijna onzichtbare

melancholie. Maar hoe innemend die bloeiende schoonheid ook was,

mevrouw Van Raat voelde toch wrok.... wrok terwille van haar

Paul. Frédérique was zoo mooi, zoo gezond en hij leed, leed in

stilte....

Zij had niet gedacht, dat ze zoo diplomatisch kon zijn, de oude

vrouw. In heur hart wist zijzelve niet wat zij wilde en had zij

geene overdachte voornemens; alleen gevoelde zij een behoefte

Frédérique beter te kennen dan zij deed, eenigszins te raden wat er

in de ziel van dat mooie meisje omging, nu, op het oogenblik, dat

zij koutte met de moeder van den man, dien zij afgewezen had. Maar

voor die karakterstudie was dit oogenblik, nu beiden hare geheime

gevoelens onder een sluier van oppervlakkigen kout moesten verbergen,

te kort. Toch scheen het, toen Freddy vertrokken was, mevrouw toe,

dat zij met beide handen haar wrok moest vasthouden, wilde die niet

vervliegen... Wat was dat kind eenvoudig, vriendelijk, lief, en dat

zonder de behaagzieke aanlokkelijkheid van Eline! Neen, met Paul

gespeeld kon Freddy niet hebben, zij hield niet van Paul of.... ach,

of er waren andere redenen.... Aan die andere reden wilde mevrouw

het liefst gelooven....

--Nu heb je het goed gemaakt! zeide mevrouw tot Freddy, toen ze

vertrok. Maar laat me je nu niet meer behoeven aan te manen. Je komt

nu en dan eens uit jezelve aan, kwade meid! Ik ga nooit uit en ik zit

hier zoo alleen. Ik vind het zoo prettig 's middags de een of ander

te zien...

De wrok was zeer nevelachtig, toen Frédérique met een kus beloofde

dikwijls te zullen komen.

Er was na dat bezoek vaak iets nadenkends in den doffen blik van

mevrouws oogen en om haar lippen een glimlachje, waarin bijna iets

sluws speelde. Zoo langzaam, langzaam aan had mevrouw uit hare

onzekerheid en doelloosheid een doel zien verrijzen. Maar het was

moeilijk dat doel te bereiken. Het was wel veraf! Vertrouwde zij

nogmaals niet te veel op hare zwakke, oude krachten, zooals zij te

veel op ze vertrouwd had toen dokter Reijer haar had aangespoord

Eline tot levensvreugde op te wekken? Zou haar niet nogmaals eene

teleurstelling wachten, eene nog grootere, nu heur doel het geluk van

haar kind gold? Maar eenvoudig geloovig als zij was, bad zij innig

God om hulp, om verlichting.

Toen Paul na eenigen tijd weder in Den Haag kwam, sprak zijn moeder

geen woord over Frédérique en haar bezoek. Al meer en meer begon

mevrouw met diplomatische tact de draden van heur net te spinnen. Bij

Freddy's tweede bezoek bracht zij het gesprek op lectuur en ze

beweerde, dat het zoo heerlijk was voorgelezen te worden; vroeger

deed Eline dat wel eens, maar ze werd zoo gauw moê. Marie was nu

zoo vriendelijk het een enkelen keer te doen, des avonds. Frédérique

moest dan eens meêkomen. Frédérique beloofde het, maar niet zonder

strijd. Hoe meer mevrouw haar aanhaalde, hoe grooter haar schroom,

hoe dieper haar weemoed werd, en zij overdacht vaak hoe mevrouw

jegens haar wezen zou, indien zij wist... Want nooit liet mevrouw

ook maar in het minste blijken, dàt ze wist, en dat Paul haar alles

had medegedeeld. Frédérique wist zich niet te onttrekken aan de

liefkoozende innemendheid der oude vrouw en zij kwam steeds vaker

en vaker in het huis der Laan van Meerdervoort. Paul ontmoette zij

echter niet, daar zij nooit kwam zoo hij in de stad was, en mevrouw

zelve haar die dagen ook niet vroeg te komen.

En steeds bleef de toenadering zijner moeder tot Freddy een geheim voor

Paul; hij wist niets van heur herhaalde bezoeken, van die leesavonden

met Marie.

Mevrouw Van Raat sprak soms over hem, ter loops, om niet den schijn

te hebben, alsof zij vermeed zijn naam te noemen, maar elken keer,

dat zij dien naam uitsprak, poogde zij, innerlijk zeer angstig,

Frédérique te doorgronden. Het was begrijpelijk, dat Frédérique bij

dien naam een lichte verlegenheid gevoelde, en die lichte verlegenheid

was ook zichtbaar. Maar meer dan die verlegenheid zag zij niet en

zij werd ongeduldig. Zij nam zich voor bij de eerste gelegenheid de

beste den langzamen gang der omstandigheden, die haar heur doel niet

nader brachten, een weinig te brusqueeren.

Op een avond, dat mevrouw Van Raat Marie en Frédérique verwachtte,

kwam de laatste alleen, daar Marie licht ongesteld was. Frédérique

wisselde Marie een enkele maal af als lezeres en vroeg mevrouw, of

deze zich voor van avond met haar wilde tevreden stellen. De komst

van het jonge meisje vulde aanstonds met een zachte gezelligheid de

ruime kamer. Buiten woei het, maar binnen scheen het gaslicht rozig

door de roode kappen, en de theeketel neuriede. Tolstoï's tweede deel

van La Guerre et la Paix lag op tafel.

Maar het zou dezen avond niet gauw tot de lectuur komen. Mevrouw

keuvelde honderd uit, en Frédérique verwonderde er zich over,

dat mevrouw tegenwoordig zoo opgewekt was. Ze bracht het gesprek

op Paul; hij was in den laatsten tijd ernstig en degelijk geworden,

geheel anders dan vroeger. Frédérique's lichte verlegenheid was weêr

zichtbaar, maar Pauls moeder dacht er niet aan dezen avond ontferming

te toonen. Het was Paul voor en Paul na. Ach, hij was nooit kwaad

geweest. Hij verloor nu zijn wilde haren, hij had nu uitgeraasd en

hij werd een beste, verstandige jongen. Het had heel anders met hem

kunnen eindigen. Het was zoo gevaarlijk voor een jongmensch geld te

hebben. Zij was heel tevreden over Paul en Freddy had hem ook gaarne

mogen lijden, niet waar?

--Niet waar, je mag hem immers ook? herhaalde mevrouw dringend,

toen Freddy iets onhoorbaars had gestameld.

--O zeker.... zeker! stotterde Freddy ten tweede male.

Mevrouw martelde haar en zag het, dat ze haar martelde, maar ze

zou geen medelijden toonen, want ze wist nog niets zekers. Ze wist

nog niet of Freddy haar Paul nog niet een weinig lief kon hebben;

ze wist de redenen niet, die hen van elkaâr gescheiden hadden.

--Nu we toch over hem praten, hernam mevrouw vertrouwelijk, nu moet

ik je toch eens iets vragen, Freddy. Zal je het me niet kwalijk nemen?

Zij had hare hand op Frédérique's arm gelegd en zij voelde, dat

het meisje beefde. Heure groote oogen zagen mevrouw bijna verwijtend

aan. Inderdaad was het Freddy, alsof die oude dame haar in een net van

vriendelijkheid en sympathie gevangen had, waaruit zij niet vermocht

los te breken. Moeilijk kon zij iets anders stamelen dan:

--Natuurlijk niet! Wat wilde u vragen?

En zij sidderde van angst voor die vraag, die komen zou.

--Ik wou je vragen, of er iets onaangenaams is voorgevallen tusschen

jou en Paul. Ik zal je zeggen hoe ik daarop kom. Hij doet altijd zoo

vreemd, als ik bij toeval je naam noem, weet je, of als een ander

dat doet. Het is alsof hij dan geheel van streek raakt, alsof hij

boos is. En omdat ik weet, dat hij nogal brutaal kan zijn, vreesde

ik, dat hij je misschien met iets beleedigd had, en dat jullie nu

een beetje tegen elkaâr boudeerden. Ik hoop toch niet, dat er iets

bijzonders is voorgevallen, wel?

--Neen, o, neen, er is niets voorgevallen, niets, ik verzeker het u.

Mevrouw nam hare hand, die kilkoud was, en streelde hare vingers.

--Kom, kind, ik zou het me maar vertellen. Weet je, Paul kan nogal

brusk zijn, maar dat doet hij uit gekheid. Ik zie hem wel eens zoo

dwaasheden verkoopen met Françoise Oudendijk, en de Eekhofjes, en dan

verwondert het me altijd, dat die meisjes niet vreeslijk gepiqueerd

zijn. Of liever: vroeger zag ik hem wel, op zijn manier, zoo flirten;

nu is hij verstandiger geworden.... Zie je, daarom zou ik me best

kunnen begrijpen, dat je boos op hem was geworden om het een of ander,

en hij boos op jou, van den weêromstuit. Maar iets ernstigs zal het

wel niet zijn, en daarom moesten jullie maar weêr goed op elkaâr

worden. Als je me nu vertelt wat het is...

Frédérique verzamelde al hare kracht om te veinzen. Maar ach, het

ging haar zoo slecht af....

--Maar mevrouw, ik verzeker u, er is niets! riep zij met een trillende

stem en zij kon niet verhinderen, dat heure oogen vochtig wierden. Er

is niets, niets!

Pauls moeder zag haar ongeloovig aan.

--Lieve meid, wat kan je jokken. Wat kan je vreeslijk jokken! Foei! Je

begrijpt, ik ga me allerlei dingen in het hoofd halen, als je niet

voor de waarheid wilt uitkomen! Ik ga de ergste dingen uitdenken? Maar

schatje, ga je nu huilen?

Frédérique was zichzelve niet meer meester. De tijd, dat zij bij

mevrouw Van Raat zat, was haar van de eerste seconde tot de laatste

een foltering geweest. De gedachte aan Paul, door mevrouw geprikkeld,

had haar al snerpender en snerpender doorvlijmd. De smart woedde

nu in heur hert. En zij barstte in hartstochtelijke snikken uit,

die haar gelaat verwrongen.

--Waarom gelooft u me niet, als ik u zeg... begon zij en hare stem

klonk als een schril verwijt.

Mevrouw omving haar in heure armen.

--Omdat ik je niet gelooven kàn, als je me zegt, dat er niets is

voorgevallen, terwijl je zoo huilt, zoo vreeslijk huilt. Vergeef me,

kindlief, als ik je verdriet heb aangedaan, en als ik dat nog doe,

maar wat moet ik denken, Freddy! Zeg zelf, wat moet ik denken van

die tranen, kind?

--Niets, niets, u mag er niets van denken, want er is niets! snikte

Freddy wanhopig.

Mevrouw klemde haar zacht vast. Waarom had dat kind haar zoon van

zich gestooten, als zij hem lief had?

--Freddy! Hoor Freddy! Hou je van Paul? fluisterde mevrouw.

Freddy snikte steeds en zij verweerde zich: zij poogde zich los te

maken uit die omarming.

--Antwoord me: neen Freddy, blijf nu bij me, blijf even tegen me

aanliggen: zoo, en antwoord me nu: hou je van Paul? Hou je veel,

heel veel van hem?

--Waarom moet ik u dat zeggen? waarom wil u hebben, dat ik u dat zeg?

--Omdat ik geloof, dat hij van je houdt.

--Neen, neen, ik ben hem onverschillig; hij houdt niet van me, niet

meer van me.

--Dan heeft hij toch van je gehouden. Neen, Freddy, blijf nu hier,

dicht bij me.

Freddy snikte steeds.

--En dan kan hij weêr van je houden! O, zeg me nu de waarheid,

kind. Wat is er tusschen jullie gebeurd?

Freddy kon niet besluiten te antwoorden. Mevrouws hart brak van

medelijden, maar desniettemin vond zij, dat zij voor hare jaren,

nog tamelijk goed comedie speelde.

--Wil je het me niet zeggen? Mag ik er dan eens naar raden? Paul heeft

je het hof gemaakt, met je liefde gespeeld en je toen genegligeerd. Is

het zoo?

--Neen, neen, dat niet, dat zweer ik u! Alles is mijn schuld! riep

Frédérique hevig uit, ontsteld over mevrouws voorgewende

veronderstelling. Hoe kan u zoo iets van hem denken!

--Is het jouw schuld? Heeft hij je dan gevraagd, en heb je hem

afgewezen? Ik raad maar, zie je; ik weet niets. Maar je moet nu niet

meer blijven jokken, je moet nu de waarheid zeggen.

Frédérique was te uitgeput om zich te blijven verbergen. Zij was

overwonnen door mevrouws diplomatie, terwijl zij geen oogenblik vermoed

had, dat Paul aan zijne moeder alles had bekend. Zij was overwonnen

en ze knikte even, toestemmend, en verborg toen haar gloeiend hoofd

op mevrouws schouder.

--En waarom heb je hem afgewezen?

--Ik geloof.... dat ik nog al trotsch was....

--Zag je zoo op mijn jongen neêr?

--Neen, neen, het was geen trotschheid, het was, geloof ik,

jaloezie. Hij maakte iedereen het hof.... Ach, eigenlijk weet ik niet

waarom ik hem heb afgewezen....

Zij was te moê zich thans die gemoedsstemming van voorheen te

analyzeeren.

--En heb je er nu spijt van, kind?

Frédérique richtte zich eensklaps huiverend, ontzet op.

--U mag er hem niets van zeggen! smeekte zij. Niets! O, beloof u me

dat! U denkt, dat hij nog van me zou kunnen houden, maar ik weet te

goed, dat het niet zoo zijn kan! En ik zou van schaamte dood gaan,

als ik wist, dat hij kon vermoeden.... O, zweert u me, dat u niets

zeggen zal....

--Maar natuurlijk niet, kind, ik zal hem niets zeggen. Natuurlijk

niet. Dus je gelooft niet, dat hij nog van je zou kunnen houden?

--Neen, neen, ik heb hem zoo beleedigd!

Mevrouw zag haar lang aan, met een wonderlijk, glimlachenden blik.

--Lief kind! sprak ze vol ontferming. Ik heb je verdriet gedaan. Maar

je hebt het er naar gemaakt. Hoe heb je zoo kunnen spelen met je

geluk en met het geluk van Paul! Toch ben ik je nog een beetje

troost schuldig. Hoor dan eens naar me. Ik ben er haast zeker van

dat Paul nog van je houdt. Ten minste, je moet je maar niet al te

ongelukkig voelen. Je moet maar denken: er kan nog wel het een en

ander gebeuren....

--Ach neen, neen!

--Jawel, mijn kind, heusch. Ik heb wel zoo het een en ander gemerkt. Ik

zou er, ik weet niet wat om willen verwedden; Paul denkt nog aan

je. Hij is je nog niet vergeten.

--Hij haat me nu!

--Ach wel neen, kind! Freddy beloof me, dat je zal probeeren te

gelooven, dat Paul nog van je houdt. Neen, huil niet verder. Beloof

je me dat nu? kom!

Freddy zag weemoedig door hare tranen op.

--Ik zou het u zoo gaarne willen beloven, maar ik.... màg het niet

doen! sprak ze dof.

Maar mevrouw lachte haar steeds toe, met dien wonderlijken blik,

kuste haar en veegde heure tranen weg.

Van het lezen kwam er niets dien avond. En toen Frédérique was

vertrokken, ging mevrouw niet als naar gewoonte aanstonds naar

bed. Zij bleef lang mijmeren, en ze was tevreden over zichzelve;

ze had nooit gedacht, dat ze nog zoo slim had kunnen zijn.

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 172 / 188 题