Toen Frédérique door Marie vernam, dat mevrouw Van Raat een bezoek
wachtte, bedacht zij zich een poos. Opzettelijk had zij het huis van
de Laan van Meerdervoort vermeden, uit een gevoel van kieschheid,
gemengeld met weemoed en schroom. Nu mevrouw haar echter verwachtte,
meende zij hieruit te moeten opmaken, dat Pauls moeder niets wist van
het aanzoek haars zoons. Daarbij toonde Paul zelve zeer duidelijk,
dat hij het verleden wenschte te vergeten. Hare kieschheid was dus
overbodig en schroom en weemoed alleen mochten haar niet weêrhouden
de vriendelijke oude vrouw niet te veronachtzamen. Zij besloot dus
haar een visite te maken.
Maar heur hart klopte snel en angstig toen zij aanbelde. Als een
vreemde bezocht zij mevrouw Van Raat en zij had haar tot een dochter
kunnen worden.
Mevrouw toonde zich zeer verheugd Frédérique te zien, en terwijl
zij haar eenige vriendelijke, belangstellende vragen deed, nam zij
het jonge meisje aandachtig op. Mevrouw herinnerde zich iets als een
droombeeld gekoesterd te hebben, waarin zij Paul en Eline te zamen
zag, en zij kon het niet helpen thans een vergelijking te maken
tusschen Eline's verwelkte elegance en de rozige frischheid van
Frédérique, slechts een weinig overwaasd door een bijna onzichtbare
melancholie. Maar hoe innemend die bloeiende schoonheid ook was,
mevrouw Van Raat voelde toch wrok.... wrok terwille van haar
Paul. Frédérique was zoo mooi, zoo gezond en hij leed, leed in
stilte....
Zij had niet gedacht, dat ze zoo diplomatisch kon zijn, de oude
vrouw. In heur hart wist zijzelve niet wat zij wilde en had zij
geene overdachte voornemens; alleen gevoelde zij een behoefte
Frédérique beter te kennen dan zij deed, eenigszins te raden wat er
in de ziel van dat mooie meisje omging, nu, op het oogenblik, dat
zij koutte met de moeder van den man, dien zij afgewezen had. Maar
voor die karakterstudie was dit oogenblik, nu beiden hare geheime
gevoelens onder een sluier van oppervlakkigen kout moesten verbergen,
te kort. Toch scheen het, toen Freddy vertrokken was, mevrouw toe,
dat zij met beide handen haar wrok moest vasthouden, wilde die niet
vervliegen... Wat was dat kind eenvoudig, vriendelijk, lief, en dat
zonder de behaagzieke aanlokkelijkheid van Eline! Neen, met Paul
gespeeld kon Freddy niet hebben, zij hield niet van Paul of.... ach,
of er waren andere redenen.... Aan die andere reden wilde mevrouw
het liefst gelooven....
--Nu heb je het goed gemaakt! zeide mevrouw tot Freddy, toen ze
vertrok. Maar laat me je nu niet meer behoeven aan te manen. Je komt
nu en dan eens uit jezelve aan, kwade meid! Ik ga nooit uit en ik zit
hier zoo alleen. Ik vind het zoo prettig 's middags de een of ander
te zien...
De wrok was zeer nevelachtig, toen Frédérique met een kus beloofde
dikwijls te zullen komen.
Er was na dat bezoek vaak iets nadenkends in den doffen blik van
mevrouws oogen en om haar lippen een glimlachje, waarin bijna iets
sluws speelde. Zoo langzaam, langzaam aan had mevrouw uit hare
onzekerheid en doelloosheid een doel zien verrijzen. Maar het was
moeilijk dat doel te bereiken. Het was wel veraf! Vertrouwde zij
nogmaals niet te veel op hare zwakke, oude krachten, zooals zij te
veel op ze vertrouwd had toen dokter Reijer haar had aangespoord
Eline tot levensvreugde op te wekken? Zou haar niet nogmaals eene
teleurstelling wachten, eene nog grootere, nu heur doel het geluk van
haar kind gold? Maar eenvoudig geloovig als zij was, bad zij innig
God om hulp, om verlichting.
Toen Paul na eenigen tijd weder in Den Haag kwam, sprak zijn moeder
geen woord over Frédérique en haar bezoek. Al meer en meer begon
mevrouw met diplomatische tact de draden van heur net te spinnen. Bij
Freddy's tweede bezoek bracht zij het gesprek op lectuur en ze
beweerde, dat het zoo heerlijk was voorgelezen te worden; vroeger
deed Eline dat wel eens, maar ze werd zoo gauw moê. Marie was nu
zoo vriendelijk het een enkelen keer te doen, des avonds. Frédérique
moest dan eens meêkomen. Frédérique beloofde het, maar niet zonder
strijd. Hoe meer mevrouw haar aanhaalde, hoe grooter haar schroom,
hoe dieper haar weemoed werd, en zij overdacht vaak hoe mevrouw
jegens haar wezen zou, indien zij wist... Want nooit liet mevrouw
ook maar in het minste blijken, dàt ze wist, en dat Paul haar alles
had medegedeeld. Frédérique wist zich niet te onttrekken aan de
liefkoozende innemendheid der oude vrouw en zij kwam steeds vaker
en vaker in het huis der Laan van Meerdervoort. Paul ontmoette zij
echter niet, daar zij nooit kwam zoo hij in de stad was, en mevrouw
zelve haar die dagen ook niet vroeg te komen.
En steeds bleef de toenadering zijner moeder tot Freddy een geheim voor
Paul; hij wist niets van heur herhaalde bezoeken, van die leesavonden
met Marie.
Mevrouw Van Raat sprak soms over hem, ter loops, om niet den schijn
te hebben, alsof zij vermeed zijn naam te noemen, maar elken keer,
dat zij dien naam uitsprak, poogde zij, innerlijk zeer angstig,
Frédérique te doorgronden. Het was begrijpelijk, dat Frédérique bij
dien naam een lichte verlegenheid gevoelde, en die lichte verlegenheid
was ook zichtbaar. Maar meer dan die verlegenheid zag zij niet en
zij werd ongeduldig. Zij nam zich voor bij de eerste gelegenheid de
beste den langzamen gang der omstandigheden, die haar heur doel niet
nader brachten, een weinig te brusqueeren.
Op een avond, dat mevrouw Van Raat Marie en Frédérique verwachtte,
kwam de laatste alleen, daar Marie licht ongesteld was. Frédérique
wisselde Marie een enkele maal af als lezeres en vroeg mevrouw, of
deze zich voor van avond met haar wilde tevreden stellen. De komst
van het jonge meisje vulde aanstonds met een zachte gezelligheid de
ruime kamer. Buiten woei het, maar binnen scheen het gaslicht rozig
door de roode kappen, en de theeketel neuriede. Tolstoï's tweede deel
van La Guerre et la Paix lag op tafel.
Maar het zou dezen avond niet gauw tot de lectuur komen. Mevrouw
keuvelde honderd uit, en Frédérique verwonderde er zich over,
dat mevrouw tegenwoordig zoo opgewekt was. Ze bracht het gesprek
op Paul; hij was in den laatsten tijd ernstig en degelijk geworden,
geheel anders dan vroeger. Frédérique's lichte verlegenheid was weêr
zichtbaar, maar Pauls moeder dacht er niet aan dezen avond ontferming
te toonen. Het was Paul voor en Paul na. Ach, hij was nooit kwaad
geweest. Hij verloor nu zijn wilde haren, hij had nu uitgeraasd en
hij werd een beste, verstandige jongen. Het had heel anders met hem
kunnen eindigen. Het was zoo gevaarlijk voor een jongmensch geld te
hebben. Zij was heel tevreden over Paul en Freddy had hem ook gaarne
mogen lijden, niet waar?
--Niet waar, je mag hem immers ook? herhaalde mevrouw dringend,
toen Freddy iets onhoorbaars had gestameld.
--O zeker.... zeker! stotterde Freddy ten tweede male.
Mevrouw martelde haar en zag het, dat ze haar martelde, maar ze
zou geen medelijden toonen, want ze wist nog niets zekers. Ze wist
nog niet of Freddy haar Paul nog niet een weinig lief kon hebben;
ze wist de redenen niet, die hen van elkaâr gescheiden hadden.
--Nu we toch over hem praten, hernam mevrouw vertrouwelijk, nu moet
ik je toch eens iets vragen, Freddy. Zal je het me niet kwalijk nemen?
Zij had hare hand op Frédérique's arm gelegd en zij voelde, dat
het meisje beefde. Heure groote oogen zagen mevrouw bijna verwijtend
aan. Inderdaad was het Freddy, alsof die oude dame haar in een net van
vriendelijkheid en sympathie gevangen had, waaruit zij niet vermocht
los te breken. Moeilijk kon zij iets anders stamelen dan:
--Natuurlijk niet! Wat wilde u vragen?
En zij sidderde van angst voor die vraag, die komen zou.
--Ik wou je vragen, of er iets onaangenaams is voorgevallen tusschen
jou en Paul. Ik zal je zeggen hoe ik daarop kom. Hij doet altijd zoo
vreemd, als ik bij toeval je naam noem, weet je, of als een ander
dat doet. Het is alsof hij dan geheel van streek raakt, alsof hij
boos is. En omdat ik weet, dat hij nogal brutaal kan zijn, vreesde
ik, dat hij je misschien met iets beleedigd had, en dat jullie nu
een beetje tegen elkaâr boudeerden. Ik hoop toch niet, dat er iets
bijzonders is voorgevallen, wel?
--Neen, o, neen, er is niets voorgevallen, niets, ik verzeker het u.
Mevrouw nam hare hand, die kilkoud was, en streelde hare vingers.
--Kom, kind, ik zou het me maar vertellen. Weet je, Paul kan nogal
brusk zijn, maar dat doet hij uit gekheid. Ik zie hem wel eens zoo
dwaasheden verkoopen met Françoise Oudendijk, en de Eekhofjes, en dan
verwondert het me altijd, dat die meisjes niet vreeslijk gepiqueerd
zijn. Of liever: vroeger zag ik hem wel, op zijn manier, zoo flirten;
nu is hij verstandiger geworden.... Zie je, daarom zou ik me best
kunnen begrijpen, dat je boos op hem was geworden om het een of ander,
en hij boos op jou, van den weêromstuit. Maar iets ernstigs zal het
wel niet zijn, en daarom moesten jullie maar weêr goed op elkaâr
worden. Als je me nu vertelt wat het is...
Frédérique verzamelde al hare kracht om te veinzen. Maar ach, het
ging haar zoo slecht af....
--Maar mevrouw, ik verzeker u, er is niets! riep zij met een trillende
stem en zij kon niet verhinderen, dat heure oogen vochtig wierden. Er
is niets, niets!
Pauls moeder zag haar ongeloovig aan.
--Lieve meid, wat kan je jokken. Wat kan je vreeslijk jokken! Foei! Je
begrijpt, ik ga me allerlei dingen in het hoofd halen, als je niet
voor de waarheid wilt uitkomen! Ik ga de ergste dingen uitdenken? Maar
schatje, ga je nu huilen?
Frédérique was zichzelve niet meer meester. De tijd, dat zij bij
mevrouw Van Raat zat, was haar van de eerste seconde tot de laatste
een foltering geweest. De gedachte aan Paul, door mevrouw geprikkeld,
had haar al snerpender en snerpender doorvlijmd. De smart woedde
nu in heur hert. En zij barstte in hartstochtelijke snikken uit,
die haar gelaat verwrongen.
--Waarom gelooft u me niet, als ik u zeg... begon zij en hare stem
klonk als een schril verwijt.
Mevrouw omving haar in heure armen.
--Omdat ik je niet gelooven kàn, als je me zegt, dat er niets is
voorgevallen, terwijl je zoo huilt, zoo vreeslijk huilt. Vergeef me,
kindlief, als ik je verdriet heb aangedaan, en als ik dat nog doe,
maar wat moet ik denken, Freddy! Zeg zelf, wat moet ik denken van
die tranen, kind?
--Niets, niets, u mag er niets van denken, want er is niets! snikte
Freddy wanhopig.
Mevrouw klemde haar zacht vast. Waarom had dat kind haar zoon van
zich gestooten, als zij hem lief had?
--Freddy! Hoor Freddy! Hou je van Paul? fluisterde mevrouw.
Freddy snikte steeds en zij verweerde zich: zij poogde zich los te
maken uit die omarming.
--Antwoord me: neen Freddy, blijf nu bij me, blijf even tegen me
aanliggen: zoo, en antwoord me nu: hou je van Paul? Hou je veel,
heel veel van hem?
--Waarom moet ik u dat zeggen? waarom wil u hebben, dat ik u dat zeg?
--Omdat ik geloof, dat hij van je houdt.
--Neen, neen, ik ben hem onverschillig; hij houdt niet van me, niet
meer van me.
--Dan heeft hij toch van je gehouden. Neen, Freddy, blijf nu hier,
dicht bij me.
Freddy snikte steeds.
--En dan kan hij weêr van je houden! O, zeg me nu de waarheid,
kind. Wat is er tusschen jullie gebeurd?
Freddy kon niet besluiten te antwoorden. Mevrouws hart brak van
medelijden, maar desniettemin vond zij, dat zij voor hare jaren,
nog tamelijk goed comedie speelde.
--Wil je het me niet zeggen? Mag ik er dan eens naar raden? Paul heeft
je het hof gemaakt, met je liefde gespeeld en je toen genegligeerd. Is
het zoo?
--Neen, neen, dat niet, dat zweer ik u! Alles is mijn schuld! riep
Frédérique hevig uit, ontsteld over mevrouws voorgewende
veronderstelling. Hoe kan u zoo iets van hem denken!
--Is het jouw schuld? Heeft hij je dan gevraagd, en heb je hem
afgewezen? Ik raad maar, zie je; ik weet niets. Maar je moet nu niet
meer blijven jokken, je moet nu de waarheid zeggen.
Frédérique was te uitgeput om zich te blijven verbergen. Zij was
overwonnen door mevrouws diplomatie, terwijl zij geen oogenblik vermoed
had, dat Paul aan zijne moeder alles had bekend. Zij was overwonnen
en ze knikte even, toestemmend, en verborg toen haar gloeiend hoofd
op mevrouws schouder.
--En waarom heb je hem afgewezen?
--Ik geloof.... dat ik nog al trotsch was....
--Zag je zoo op mijn jongen neêr?
--Neen, neen, het was geen trotschheid, het was, geloof ik,
jaloezie. Hij maakte iedereen het hof.... Ach, eigenlijk weet ik niet
waarom ik hem heb afgewezen....
Zij was te moê zich thans die gemoedsstemming van voorheen te
analyzeeren.
--En heb je er nu spijt van, kind?
Frédérique richtte zich eensklaps huiverend, ontzet op.
--U mag er hem niets van zeggen! smeekte zij. Niets! O, beloof u me
dat! U denkt, dat hij nog van me zou kunnen houden, maar ik weet te
goed, dat het niet zoo zijn kan! En ik zou van schaamte dood gaan,
als ik wist, dat hij kon vermoeden.... O, zweert u me, dat u niets
zeggen zal....
--Maar natuurlijk niet, kind, ik zal hem niets zeggen. Natuurlijk
niet. Dus je gelooft niet, dat hij nog van je zou kunnen houden?
--Neen, neen, ik heb hem zoo beleedigd!
Mevrouw zag haar lang aan, met een wonderlijk, glimlachenden blik.
--Lief kind! sprak ze vol ontferming. Ik heb je verdriet gedaan. Maar
je hebt het er naar gemaakt. Hoe heb je zoo kunnen spelen met je
geluk en met het geluk van Paul! Toch ben ik je nog een beetje
troost schuldig. Hoor dan eens naar me. Ik ben er haast zeker van
dat Paul nog van je houdt. Ten minste, je moet je maar niet al te
ongelukkig voelen. Je moet maar denken: er kan nog wel het een en
ander gebeuren....
--Ach neen, neen!
--Jawel, mijn kind, heusch. Ik heb wel zoo het een en ander gemerkt. Ik
zou er, ik weet niet wat om willen verwedden; Paul denkt nog aan
je. Hij is je nog niet vergeten.
--Hij haat me nu!
--Ach wel neen, kind! Freddy beloof me, dat je zal probeeren te
gelooven, dat Paul nog van je houdt. Neen, huil niet verder. Beloof
je me dat nu? kom!
Freddy zag weemoedig door hare tranen op.
--Ik zou het u zoo gaarne willen beloven, maar ik.... màg het niet
doen! sprak ze dof.
Maar mevrouw lachte haar steeds toe, met dien wonderlijken blik,
kuste haar en veegde heure tranen weg.
Van het lezen kwam er niets dien avond. En toen Frédérique was
vertrokken, ging mevrouw niet als naar gewoonte aanstonds naar
bed. Zij bleef lang mijmeren, en ze was tevreden over zichzelve;
ze had nooit gedacht, dat ze nog zoo slim had kunnen zijn.