IV.

Marie's buien van vroolijkheid waren voorbij. Zij lachte niet meer met

dien onbedwingbaren schaterlach, waarmede zij gelachen had gedurende

den tijd, waarin zij en Emilie De Woude het huisje voor Georges en Lili

hadden gereed gemaakt. Zij schikte zich in de teleurstelling harer

verwachtingen. Het leven dommelde voor haar grijs en eentonig voort,

als een grauwe wolk aan een droefgeestigen, valen hemel. Janbroêr was

nu cadet te Breda en het was stil in huis. Zij benijdde Frédérique

het gewoel der Van Rijseltjes, die, al waren Tina en Jo een gedeelte

van den dag op school, het groote huis van mevrouw Van Erlevoort toch

met een bruisende drukte bleven vervullen. Zij ook, zij verlangde

zulke drukte.

Otto kwam nooit in Den Haag. Sedert Augustus, toen Marie op de Horze

gelogeerd had, had zij hem niet meer gezien, en zij teerde op de

armoede harer weinige herinneringen; het heugde haar, hoe zij, ginds

op de Horze, een enkele maal alleen met hem gesproken en gewandeld had

in het park. Nooit waren die gesprekken vertrouwelijk of belangrijk

geweest. Maar toch schonken zij haar nu in het verleden kleine,

zoete oase's, waarvan hare gedachte noode scheiden kon.

Slechts een enkele maal was de stille roman van haar hart tot een

crisis gestegen. Eens had Frédérique, over Eline, over Otto's eenzaam

leven in Elzen sprekende, uitgeroepen:

--O, Marie, jij zou een lieve vrouw voor Otto geweest zijn! Jij zou

hem gewaardeerd hebben.

--Ik! had zij schuchter geantwoord en zij had gepoogd te

glimlachen. Toen Frédérique later vertrokken was, had zij bitter

geweend. Maar na die ure werd alles weder hetzelfde: een grijze,

zachte treurigheid, waarin zij zich schikte.

Zoo zat zij een middag te mijmeren, toen zij verrast werd door een

bezoek van tante Dora, mevrouw Van Raat. Marie was alleen thuis; de

heer Verstraeten was naar Lili, mevrouw op boodschappen uit. Tante

trof het slecht, meende Marie; tante kwam zoo zelden en nu waren papa

en mama er niet. Maar tante antwoordde, dat ze het heel gezellig zou

vinden, wat met Marie te babbelen. Zij zette zich en het verwonderde

Marie, hoe tante, die anders zoo stil was, nu allerlei onderwerpen

aanroerde, uit zichzelve naar het bal van de Eekhofs vroeg, over

een brief van Eline sprak en beweerde, dat Paul zich toch maar goed

in Bodegraven hield en nu bij zijne voornemens scheen te willen

blijven. Het verheugde Marie, dat tante nu zoo vriendelijk over Paul

sprak, terwijl zij meestal over hem placht te klagen. Ook vond Marie

het heel aardig van tante, dat ze bij het heengaan zeide:

--A propos, hoe gaat het met Freddy? Ik heb haar in lang niet

gezien. Je mag haar wel eens zeggen, dat ze me mooi begint te

vergeten... Ze is zeker in geen maanden bij me geweest! Zal je haar

eens vertellen, dat ze een stoute meid is?

--Goed tante, ik zal het doen! antwoordde Marie met een zacht

lachje. Mevrouw Van Raat vertrok. Marie bleef eenzaam, peinzend of

tante Dora iets wist of vermoedde van het voorgevallene tusschen Paul

en Freddy.

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 171 / 188 题