Marie's buien van vroolijkheid waren voorbij. Zij lachte niet meer met
dien onbedwingbaren schaterlach, waarmede zij gelachen had gedurende
den tijd, waarin zij en Emilie De Woude het huisje voor Georges en Lili
hadden gereed gemaakt. Zij schikte zich in de teleurstelling harer
verwachtingen. Het leven dommelde voor haar grijs en eentonig voort,
als een grauwe wolk aan een droefgeestigen, valen hemel. Janbroêr was
nu cadet te Breda en het was stil in huis. Zij benijdde Frédérique
het gewoel der Van Rijseltjes, die, al waren Tina en Jo een gedeelte
van den dag op school, het groote huis van mevrouw Van Erlevoort toch
met een bruisende drukte bleven vervullen. Zij ook, zij verlangde
zulke drukte.
Otto kwam nooit in Den Haag. Sedert Augustus, toen Marie op de Horze
gelogeerd had, had zij hem niet meer gezien, en zij teerde op de
armoede harer weinige herinneringen; het heugde haar, hoe zij, ginds
op de Horze, een enkele maal alleen met hem gesproken en gewandeld had
in het park. Nooit waren die gesprekken vertrouwelijk of belangrijk
geweest. Maar toch schonken zij haar nu in het verleden kleine,
zoete oase's, waarvan hare gedachte noode scheiden kon.
Slechts een enkele maal was de stille roman van haar hart tot een
crisis gestegen. Eens had Frédérique, over Eline, over Otto's eenzaam
leven in Elzen sprekende, uitgeroepen:
--O, Marie, jij zou een lieve vrouw voor Otto geweest zijn! Jij zou
hem gewaardeerd hebben.
--Ik! had zij schuchter geantwoord en zij had gepoogd te
glimlachen. Toen Frédérique later vertrokken was, had zij bitter
geweend. Maar na die ure werd alles weder hetzelfde: een grijze,
zachte treurigheid, waarin zij zich schikte.
Zoo zat zij een middag te mijmeren, toen zij verrast werd door een
bezoek van tante Dora, mevrouw Van Raat. Marie was alleen thuis; de
heer Verstraeten was naar Lili, mevrouw op boodschappen uit. Tante
trof het slecht, meende Marie; tante kwam zoo zelden en nu waren papa
en mama er niet. Maar tante antwoordde, dat ze het heel gezellig zou
vinden, wat met Marie te babbelen. Zij zette zich en het verwonderde
Marie, hoe tante, die anders zoo stil was, nu allerlei onderwerpen
aanroerde, uit zichzelve naar het bal van de Eekhofs vroeg, over
een brief van Eline sprak en beweerde, dat Paul zich toch maar goed
in Bodegraven hield en nu bij zijne voornemens scheen te willen
blijven. Het verheugde Marie, dat tante nu zoo vriendelijk over Paul
sprak, terwijl zij meestal over hem placht te klagen. Ook vond Marie
het heel aardig van tante, dat ze bij het heengaan zeide:
--A propos, hoe gaat het met Freddy? Ik heb haar in lang niet
gezien. Je mag haar wel eens zeggen, dat ze me mooi begint te
vergeten... Ze is zeker in geen maanden bij me geweest! Zal je haar
eens vertellen, dat ze een stoute meid is?
--Goed tante, ik zal het doen! antwoordde Marie met een zacht
lachje. Mevrouw Van Raat vertrok. Marie bleef eenzaam, peinzend of
tante Dora iets wist of vermoedde van het voorgevallene tusschen Paul
en Freddy.