Dien avond, na het diner, wierp Paul zich in een gemakkelijken stoel.
--Wanneer ga je naar Bodegraven terug? vroeg mevrouw Van Raat zacht.
--Morgen ochtend.
--Blijf je van avond thuis?
--Ja, ik geloof het wel.
--Steek gerust een sigaar op, kind, het hindert me niets, als je
rookt. Wil je eerst koffie?
--Als het geen last geeft...
Mevrouw belde en Leentje zorgde voor de koffie. Ook mevrouw zette
zich in haren gewonen fauteuil, waarin zij meestal na den eten een
dutje deed. Maar al sloot zij hare oogen, toch bleef hare gedachte
werken. Al was er iets gezelligs in, dat Paul in dien gemakkelijken
stoel zat, zijn koffie en zijn cognac dronk en een sigaar opstak,
toch scheen het haar toe, dat er een afstand tusschen haar en heur
zoon was, een afstand, die iederen dag grooter werd. Het was als een
vervreemding. De oude vrouw zocht in zichzelve, of zij zich iets
te verwijten had, een hardheid, eene onbillijkheid, maar zij vond
niets. Wel is waar had zij vroeger voor Henk haar innigste liefde
gekoesterd, en had Paul haar door iets grilligs en indolents in zijn
karakter geërgerd, maar nu gevoelde zij, als uit instinct, een groot
medelijden voor haar jongsten zoon, in wien zij een leed ried, dat
haar geheel en al onbekend was. En hoe grooter dat medelijden werd,
hoe meer die afstand zich verbreedde.
Zij opende even de oogen, die zij gesloten had, en zag met een
steelschen blik naar Paul. Werktuiglijk scheen hij den rook van zijn
sigaar in blauwe kronkelingen weg te blazen en zijn oogen dwaalden,
alsof hij nadacht, langs de kleurige arabesken van het plafond... Hij
zag niet, dat de blik zijner moeder op hem rustte en hij verschrikte
een weinig, toen hij haar zachte stem hoorde.
--Paul, zeg eens, voel je je minder wel dan anders.... Ben je ziek?
Hij richtte zich een weinig op en glimlachte.
--Hoe komt u daarop? vroeg hij. Ik zie er toch niet slecht
uit. Iedereen beweert, dat ik nog zwaarder ben geworden.
Uitvorschend zag hij haar aan: wat dacht zij? Hare bezorgde vraag
was hem zoet geweest; hij voelde er iets troostends in, er vloot iets
uit als een balsem, maar die balsem scheen hem nutteloos....
--Ja, dat kan wel zijn, antwoordde mevrouw Van Raat, en het werd haar
of de afstand minder werd. Maar... maar je bent toch niet zoo als je
vroeger was. Vergis ik me, of is er iets dat je drukt...?
--Iets dat me drukt... wel neen!
--Bevalt je je werkkring niet meer, verveel je je daar op zoo een dorp?
--Ach, het is nu juist niet amuzant, maar ik schik er mij heel
goed. Den Haag verveelt ook op den duur.
--Heb je dus heusch niets? Is er niets wat je hindert....?
--Ach moeder, waar zit je toch zoo over te tobben; ik heb heusch
niets. En ik ben zoo gezond als een visch.
--Nu des te beter, mijn jongen....
Zij onderdrukte een zucht, liet het hoofd terug in den stoel vallen
en sloot de oogen. De afstand was weêr even ver als vroeger. Er ging
een pooze voorbij en Paul dacht dat zij sliep. Maar eensklaps hoorde
hij haar zacht weenen, de handen voor het gelaat.
--Moesje! wat is er nu? vroeg hij, een weinig verbaasd.
--Niets, niets! murmelde zij terug. Er is niets aan te doen....
Hij stond op, kwam nader en zette zich naast haar.
--Zeg me, waarom u huilt.... Is het mijn schuld, dat u huilt?
De ongewoon zachte klank zijner stem deed haar wegsmelten van
droefheid.
--Neen, kind, neen, het is niet jouw schuld, maar het is zoo treurig,
zoo treurig....
--Wat is treurig?
--Dat jonge menschen zich zoo opsluiten in hunzelve en altijd denken,
dat wij niets voor ze kunnen doen. Eline dacht dat, en het maakte me
zoo ongelukkig. En nu denk je het ook, jij, mijn eigen kind. Want
ik voel het, dat je je voor me verbergt. Ik voel, dat er iets is,
waarover je verdriet hebt....
--Ik verzeker u....
--Verzeker me niet, dat het niet zoo is: je hoeft er niet om te
jokken. Ik zeg je, kind, dat ik het weet.... Ik voel het al sedert
maanden. En ik had je al lang willen vragen of je geen behoefte had
het mij te vertellen, maar ik was bang, dat je me zou afschepen.... Ik
vraag het je nu ook niet; ik huil er maar een beetje om, omdat het
zoo treurig is.
Er tintelde iets vochtigs ook in zijne oogen, en zwijgend streelde
hij hare oude hand.
--Ach, ik neem het je niet kwalijk, dat je zoo bent; jullie zijn
tegenwoordig allemaal zoo, jullie stellen geen vertrouwen in je
ouders.... En wie kan zooveel van je houden als je moeder.... Maar
neen, je zwijgt, je bent zoo diplomatisch mogelijk.... Altijd zwijgen,
alles verzwijgen, en wanneer je spreekt, niets zeggen.... Zoo
zijn jullie allemaal.... Je leeft niet meer met elkaâr.... Ieder
denkt om zichzelven, ieder heeft zijn eigen plezier en zijn eigen
verdriet.... Ach, het zal wel zoo moeten, het zal wel niet anders
kunnen. Maar het is zoo treurig....
Zij snikte zachtjes, gedrukt onder het noodlot, dat die vervreemding
van ouders en kinderen eischte. Zijn lippen trilden, zijne oogen
stonden vol tranen, maar hij zweeg.
--Je ziet, dat je kind gebukt gaat onder iets.... maanden lang.... maar
je bent niet thuis in het hart van je kind, je bent voor niets goed
meer.... Altijd maar zwijgen, dat is het beste....
Hij slaakte een grooten snik, geheel verweekt, omdat zij hare
teederheid verspild waande, en hij verborg zijn gelaat in de
handen. Zacht wond zij haar arm om zijn hals en het hart brak haar,
nu zij hem, zoo groot en sterk, in hare omhelzing hoorde weenen. Zij
kuste hem op zijn dik, donkerblond haar.
--Ik verwijt je niets, mijn jongen; je moet er niet om huilen, hoor....
Hij klemde zich vaster aan hare borst, in een strijd of hij spreken
zou of zou blijven zwijgen.
--Begrijpt u dan niet, dat het soms zoo wreed kan zijn te moeten
spreken. Dat men veel minder lijdt als men zwijgt....
--Misschien voor het oogenblik, maar beurt het later niet op, gesproken
te hebben?
--Ik weet het niet, ik weet het niet! stamelde hij.
Zij drong niet aan, maar hij bleef in hare armen, weldadig getroost
door het overvloeien harer moederlijke liefde. Hij wachtte nog,
hopende, dat zij meer zou dringen. Maar toen zij niet meer sprak,
begon hijzelve te spreken, in een onweêrhoudbare behoefte.
--Hoe is het mogelijk dat u iets gemerkt heeft. Ik dacht, dat ik me
zoo goed hield, dat ik was als altijd. Ik woû er maar niet meer aan
denken, want ik vond het zoo flauw, zoo laf in me, dat ik me dat
alles zoo aantrok. Alsof ik niet kon leven zonder dat nest.
Van het eene kwam hij op het andere en, als bij smartelijke horten en
stooten, deelde hij nu zijne moeder mede, hoe hij Frédérique gevraagd
had en hoe zij hem zoo schimpend, zoo beleedigend had afgewezen. Hij
verklaarde, dat hij er wel eenigen tijd onder geleden had, maar hij
zou gauw zijn verdriet te boven zijn: het was te dwaas.
--Hou je dan niet meer van haar? vroeg mevrouw Van Raat.
Hare eerste gedachte, toen hij van "dat nest" sprak, was op Eline
gericht, maar toen zij wist dat hij Freddy bedoelde, gevoelde ze,
niettegenstaande zijn verdriet, een blijdschap haar gedurende een
seconde doortrillen, maar ook slechts gedurende een seconde, want
zij werd bedroefd om die teleurstelling, waaronder hij reeds zoo lang
geleden had.
--Neen, neen! antwoordde hij en hij schudde driftig het hoofd. O,
neen! Ik hou niet meer van haar.
Zij richtte met heure hand zijn gelaat op en zag hem lang in de oogen.
--Waarom ben je nu anders dan vroeger? vroeg zij verwijtend, als
ried ze dat hij geen waarheid sprak. Waarom ben je zoo stil en heb ik
kunnen merken, dat er iets was, dat je me verborg? Maar ik wil niet
meer uitvragen, kind; ik stel me tevreden met wat je me vertellen
wilt. Alleen dit: bedrieg me niet, Paul, zwijg dan maar liever.
Hij zuchtte. Hare vingers dwaalden langzaam door zijn haar, terwijl
hij, een weinig gebukt, bij haar zat, met het hoofd in de handen.
--O, u is lief! stamelde hij. En het doet mij goed, dat alles aan u
gezegd te hebben, maar het is toch ook pijnlijk daarover te spreken.
--Als je niet meer van haar houdt, is het toch alleen pijnlijk
voor je eigenliefde, Paul, die een beetje gekwetst is. En dat is
een pijnlijkheid, die je niet tellen mag; daar moet je je overheen
zetten. Maar ik kan niet gelooven, dat je zou lijden alleen uit
ijdelheid. Ik geloof dus niet, dat Freddy je geheel en al onverschillig
is geworden. Maar zooals ik je zeg, mijn jongen, ik vraag niet meer,
ik wil je geen pijn doen. Ik dank je alleen, dat je vertrouwen in me
hebt gesteld en me eindelijk je verdriet hebt laten meêlijden.
--Verwijt u me, dat ik het niet eerder deed?
--Kind, ik verwijt je niets. Ik veronderstel, dat er genoeg treurigheid
in je hart is, en mijn verwijtingen behoeven daar niets toe bij te
dragen. Maar ik zie je graag gelukkig en je was de dagen, dat ik je
zag, stil en eenzelvig. Ik dacht, dat je ziek was, dat je werk je
verveelde. Nu weet ik wat het is en tob ik niet meer. En ik geloof,
dat het je een beetje verlichten zal, als we samen je verdriet
dragen. Mijn arme jongen! Geloof je, dat je oude moeder van je houdt?
Hij knikte van ja en knelde haar in zijn armen. Het viel haar eensklaps
op, hoe hij thans, meer dan Henk, op het portret van haar man geleek,
dat levensgroot aan den wand hing. En die treffende gelijkenis, met
de smart, die hij voelde, maakte dat zij hem in dit oogenblik, nu hij
tegen haar bleef leunen, zóo lief kreeg, als zij Henk nooit lief gehad
had. Het was een nieuw gevoel, dat haar geheel en al doorstroomde en
haar met zulk een weelde vervulde, als zij niet gedacht had ooit om
Paul te kunnen koesteren.