II.

Een paar dagen daarna, toen Frédérique meende, dat Paul reeds

terug naar Bodegraven was, ontmoette zij hem opnieuw, bij de

Verstraetens. Opnieuw voelde zij, dat zij bleek werd, maar het was niet

zichtbaar in de schemering van den namiddag. Zij zaten allen in den

grooten salon en Georges en Lili waren er eveneens. Frédérique groette;

ook aan Paul, die was opgestaan, reikte ze de hand. Zij weifelde een

oogenblik, of zij hem Paul of meneer Van Raat zou noemen, maar ook

slechts een oogenblik, want zij begreep dadelijk, dat de laatste naam

een ieder zou verwonderen. En hij antwoordde, zeer eenvoudig:

--Dag Freddy.

Lili klaagde aan mevrouw Verstraeten over haar vleeschhouwer en

haar boterboer en Marie riep uit, dat ze wanhopig vervelend werd

met dat getob over haar huishouden. Maar Lili verdedigde zich;

ze tobde niet; maar ze wilde zich niet voor den gek laten houden

door hare leveranciers... Paul sprak met oom Verstraeten, maar hij

wendde zich nu tot Frédérique met een zoo losse, natuurlijke stem,

dat zij er bijna van ontstelde.

--Wat een langen tijd, dat we elkaâr niet gezien hebben, Freddy! Gaat

het goed thuis?

--O ja, heel goed, merci.

--Een anderen keer, als ik meer tijd heb, kom ik je mama eene

visite maken. Vergeet niet mijn complimenten te doen, ook aan

Mathilde.... Etienne nog druk aan het werk?

--Ja, hij is vreeselijk ijverig tegenwoordig....

Paul lachte.

--Arme jongen! Nu, hij slaat er zich nogal goed door heen. Ga je veel

uit van den winter, is er nog al veel te doen?

--Nog niet veel: het begint pas, niet waar.... In Februari geven de

Eekhofjes hun jaarlijksch bal, dezen keer in het Hôtel des Indes.

--O ja, dat weet ik. Ange vroeg mij er voor over te komen....

Hij martelde haar met zijn luchtige stem en zijne praatjes, die zij

even luchtig moest beantwoorden, terwijl haar hart zoo vol was. Had

hij dan alles vergeten?

Het scheen wel zoo, want hij spaarde haar niet. Hij praatte door,

vroeg naar de opera, naar de Diligentia-concerten, naar het huwelijk

van Marguerite Van Laren, en hoewel Marie Frédérique vaak het antwoord

uit den mond nam, schenen die nietige vragen als pijnlijke flitsen

alle op haar, Frédérique, gedoeld. Maar zij richtte zich op onder

de smart, zij herwon hare oude fierheid en zij slaagde er weldra in

hem op ongedwongener toon te antwoorden. En zij herinnerde zich hare

eigene woorden, waaraan hij nu getrouw bleef: zij behoefden elkander

immers niet te boudeeren, omdat hij haar bij toeval had ten huwelijk

gevraagd en zij, als een meisje dat niet naïef was...

O, ze wist het, ze had hem in de hoogste mate gegriefd met hare

minachting en hoe vriendelijk en luchtig hij schijnbaar nu sprak,

zijn hart was vol van wrok over hare beleediging...

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 169 / 188 题