In het begin van dien winter was het Frédérique, alsof er op hare
ziel, die zich vroeger zoo vrij en luchtig als een vogel gevoeld
had, een gewicht van lood drukte. Het scheen haar toe, dat zij een
geheime misdaad gedaan had, dat zij Paul als het ware vermoord had,
en dat alleen Mathilde en Marie van dien moord afwisten. Zij was stil
geworden en had iets schuws gekregen, en haar verdriet temperde den
zwarten gloed van heur blik met een melancholieke zachtheid.
Zij zag Paul niet meer, want hij woonde nu te Bodegraven en hij kwam
slechts een zeer enkele maal in Den Haag. Had zij Paul verjaagd? Of
wilde hij nu burgemeester worden uit een gril, zooals hij vroeger
geschilderd of gezongen had, zooals hij vroeger bij Hovel had
gewerkt? Dacht hij nog aan haar of had hij vergeten, hoe hij haar
gekust had, haar gevraagd had zijne vrouw te worden, dien zonnigen
morgen op de Horze? En dacht hij aan haar, hoe zou hij haar dan
herdenken, met weemoed of met onverschilligheid?
Zij vermocht zich geen antwoord te geven op die vragen, die wreed in
haar omwoelden, zoodra zij even alleen was.
Frédérique had langzamerhand berust in het feit Paul niet meer
te zien. Zij verschrikte dus hevig, toen zij op een middag hem op
straat zag aankomen. Heur hart bonsde, zij werd zeer bleek en zoo
zij had moeten spreken, ware het haar onmogelijk geweest een klank
te uiten. Hij kwam nader en nam zijn hoed af; zij boog even terug en
zij gingen elkaâr voorbij. Hare knieën knikten, terwijl zij verder
trad. Zij overdacht bevend, of hij iets aan de uitdrukking van haar
gelaat zou hebben kunnen bespeuren.
Toen zij dien middag na vieren op de Princessegracht aangebeld had,
vroeg zij Bet, die opendeed:
--Is er visite binnen?
--Ja, freule, dat is te zeggen, de jonge mevrouw Van Raat met den
kleinen jongen, en dan ook nog de dames Eekhof.
--Niemand anders?
--Neen, niemand anders, freule.
Frédérique weifelde een oogenblik. Paul kon immers na haar komen. Maar
misschien was hij er ook reeds geweest. In alle geval kon zij haast
voorwenden en spoedig weg gaan; zij wilde Marie slechts even zien:
zij had behoefte Marie te zien.
Frédérique trad binnen. De heer en mevrouw Verstraeten zaten met Betsy
in de serre en Marie met Ange en Léonie in den kleinen salon. Ange
hield Ben op heur schoot. Men dronk thee. Frédérique bleef een
oogenblik in de serre en voegde zich daarna bij de meisjes. Zij mengde
zich in heur aller gesprek zonder te laten blijken, dat een angstige
gedachte haar bezighield. Maar eensklaps hoorde zij Betsy zeggen:
--Paul is in de stad, weet u. Hij heeft bij ons koffie gedronken.
En Ben draaide zich op Ange's schoot om en herhaalde met zijn langzaam
stemmetje:
--Oom Paul... oom Paul heeft bij ons koffie gedronken.
--Zoo, vond je dat prettig, kleine dikzak? gichelde Ange, die het
zoete, stille kind zonderling vond.
Het gesprek kwam op Paul en de Eekhofjes informeerden naar Bodegraven
en hoe lang het nog zou duren, eer Paul geplaatst kon worden. Zij
vonden het in het geheel geen betrekking voor Paul; hij was er niet
geposeerd genoeg voor.
--Is hij hier geweest? vroeg Frédérique, schijnbaar onverschillig,
maar met een blik, dien Marie begreep.
--Neen, antwoordde zij. Hij komt misschien van avond even.
Frédérique wist niet, wat zij wenschte: dat zij hem onverwachts zou
zien binnentreden, of dat zij hem niet zou ontmoeten. Zij had behoefte
gehad Marie te zien en nu zag zij Marie; maar zij kon toch haar hart
niet uitstorten in het bijzijn der Eekhofjes. Ach, misschien was het
wel beter zoo.
Waarvoor te spreken, woorden vermochten niets.
En zij gevoelde zich tot weenens toe treurig om die eerste ontmoeting
na zoovele maanden, nu Betsy haar even met het rijtuig thuis bracht.