Toen zij hem na een paar dagen terug zag, trof hij haar alleen in de
groote zaal. Het weer was guur, en Eline ging bijna nooit met oom en
Elize uit om haren hoest. Zij zat in den Turkschen stoel, bij het
vuur onder den hoogen schouw, en buiten, langs de spiegelruiten,
zwiepte een felle wind de sneeuwvlokken voort.
--Ik was zeker u thuis te vinden; daarom ben ik gekomen! sprak hij,
terwijl hij plaats nam. Zijn uw oom en tante uit?
--Ja; ik weet niet waar ze naar toe zijn; ik geloof naar een auctie,
om antiquiteiten te koopen.
Zij nam zich voor eenige terughoudendheid in hare antwoorden te leggen,
maar zijn gezelschap was haar zoo weldadig, dat zij er niet in slaagde,
en haars ondanks zeide zij:
--Ik ben heel blij u weêr eens te zien.
Hij glimlachte even, sprak over oudheden en maakte eenige opmerkingen
over het porcelein, dat hier en daar verspreid stond. Daarna zeide hij:
--Ik zal u gauw voor lang gaan verlaten. Wij gaan over Keulen en
Berlijn verder....
Het was haar, of heur adem stokte.
--Wanneer vertrekt u? vroeg zij werktuigelijk.
--Over een paar dagen.
--U gaat tot Petersburg, tot Moskou toe?
--Ja.
--Trekt Rusland u aan?
Hij antwoordde een weinig afgetrokken, in korte, hortende
zinnen. Terwijl zij luisterde, was het haar, als had zij kunnen
weenen. En zijn woorden klonken haar door een waas heen toen zij hem
hoorde zeggen, als viel hij zich zelve in de rede:
--Maar ik wilde u iets vragen! Ik wilde u vragen of u, in den tijd,
dat ik weg was, nu en dan eens aan mij zou willen denken.
--Zeker wil ik aan u denken! sprak zij met trillende lippen. U is
zoo goed en vriendelijk voor me geweest en... en ik zal altijd een
aangename herinnering van u houden.
--Dank u, sprak hij zacht. Vind u niet, dat er iets treurigs in is,
als men elkaâr heeft leeren kennen en sympathie voor elkander voelt
en als men moet scheiden?
--Ja, maar er is zóo veel treurigs in de wereld....
--U zal zeggen, vervolgde hij, zijn eigene gedachte uitspinnend,
dat ik te Brussel blijven kan, zoolang ik wil, omdat ik voor mijn
genoegen reis en van mijn plan kan afzien. Misschien zou ik zelfs
liever te Brussel blijven.
Zij begon te sidderen over haar geheele lichaam, maar zij deed zich
geweld aan.
--Waarom zou u niet verder gaan! murmelde zij. Waarom zou u niet de
wereld van al haar zijden willen zien...!
--Omdat ik van u hou, antwoordde hij kalm en zijne doordringende oogen
zagen haar beslist aan. En omdat ik er tegen op zie u te verlaten. Ik
zou gaarne bij u willen blijven, altijd bij u willen blijven om u te
beschermen.... Ik huiver er voor, van u weg te gaan: het wordt me,
als ik aan mijn vertrek denk, of u een ongeluk kon gebeuren.
Zij wilde iets antwoorden, maar vermocht het niet, want zij stikte
bijna in heure ingehouden tranen.
--Dat is immers onmogelijk! sprak zij smartelijk, bijna met wanhoop.
--Waarom is dat onmogelijk? vroeg hij. Waarom is het onmogelijk, dat
ik altijd bij je blijf of liever: dat jij altijd bij mij blijft? Zeg,
Eline, waarom?
--Omdat het niet kan! antwoordde zij weenend.
--Jawel, het kan wel! Als je van me hieldt, zou het kunnen. Ik zou
je meênemen, ik zou voor je zorgen, je zou mijn vrouw zijn,
--En ik zou je ongelukkig maken! weende zij.
--Neen, neen. Integendeel zou ik al mijn best doen je gelukkig te
maken, en ik weet zeker, dat ik zou slagen. Hoor eens. Voordat ik
je gezien had, door Vincents woorden, stelde ik belang in je. Den
eersten keer, dat ik je ontmoette, had ik medelijden met je, want ik
zag aan je geheele wezen, dat je verdriet hadt gehad en nog hadt,
en dat je niet gelukkig was. Ik bedacht, wat ik doen kon, om je
gelukkig te maken. Maar ik vond niets. Alleen, terwijl ik met je
sprak, en terwijl ik vol van mijn gedachte was, scheen het me toe,
dat er iets opgewektere in je gezichtje en iets tevredeners in je
woorden kwam. Misschien verbeeldde ik me dat, maar het scheen me zoo
toe. Ik verbeeldde me ook en misschien wel uit ijdelheid, dat ikzelve
iets bijbracht tot die verandering. Ik lette op je, wanneer je met
andere menschen sprak, maar als je met andere menschen sprak was je
stil, koel, stug. En met mij kwam je van het eene woord op het andere
en werd je zelfs vertrouwelijk. Toen kreeg ik een groot verlangen om
alles voor je te zijn, want ik dacht: àls ik alles voor je was, zou je
gelukkig worden en het leven niet meer zoo somber inzien. Elly-lief,
je bent nog zoo jong en je verbeeldt je, dat alles voor je gedaan
is. Denk dat niet meer, maar vertrouw je aan mij toe, en laten we dan
samen onderzoeken, of het leven waarlijk zoo troosteloos is, als je
meent. Zeg Elly, wil je dat doen? Wil je met mij zien, of het leven
niet geheel nieuw voor je kan worden?
Zij snikte zachtjes en zij hief nu hare vochtige oogen tot hem op en
vouwde bijna smeekend hare handen.
--O, waarom vraag je me dat? kreet zij. Waarom vraag je me dat? Waarom
moet ik je verdriet doen? Jou ook al! Maar het kan niet, het kan
nooit zijn, nooit!
--Waarom niet?
--Waarom niet... herhaalde zij peinzend. Omdat ik, al ben ik jong,
gebroken ben. Waarom wil je dat niet inzien? Omdat alles in me
verbrijzeld is, omdat ik een ruïne ben....
--Eline, gebruik geen groote woorden om mij te antwoorden. Spreek kalm.
--Ik gebruik geen groote woorden, ik spreek kalm. Ik spreek met
overleg, met een wanhopig overleg! kreet zij, opstaande, en zij
bleef vóor hem staan, terwijl hij hare handen vatte. Ik spreek zoo
beredeneerd, dat ik er van huiver. Hoor Lawrence. Je weet dat ik
geëngageerd ben geweest....
--Ja. Je hebt hem zijn woord teruggegeven.
--Ja, ik heb hem zijn woord terug gegeven, en ik hield toch van
hem. Terwijl ik hem schreef om hem zijn woord terug te geven, hield
ik van hem. Vind je dat niet vreeslijk?
Hij antwoordde niet en zag haar aan, alsof hij haar niet begreep.
--Je begrijpt dat niet? vroeg zij en hare handen trilden in de
zijne. Je begrijpt niet, dat er in het hart van een vrouw zulke
verschrikkelijke twijfelingen zijn? Je begrijpt niet, dat ik soms
niet weet wat ik voel, wat ik wil, wat ik denk? Zie je, er is iets
in me, dat niet af is, dat niet voltooid is. Ik twijfel altijd, ik
zoek altijd, ik weet nooit. Ik hield van hem, o, vergeef me, dat ik
het je nu zeg: ik hield zoo innig veel van hem; hij was zoo goed,
en hij had zijn leven voor me over gehad! En er kwam een oogenblik,
dat ik niet meer wist, of ik van hem hield, dat ik zelfs dacht van een
ander te houden, terwijl ik van niemand hield dan van hem. Nu weet ik
dat, nu het te laat is en nu ik hem misschien ongelukkig heb gemaakt.
--Weet je, dat je hem ongelukkig hebt gemaakt, Eline?
--Neen, ik weet het niet, maar ik vermoed het. In Den Haag hoorde ik
wel iets, als zou hij over zijn verdriet heen zijn. Maar ik heb het
nooit kunnen gelooven! Nu het te laat is, weet ik alles; nu weet ik pas
hoeveel hij van me hield! Al hoorde ik nu, dat hij getrouwd was, ik zou
toch niet kunnen gelooven, dat hij me geheel en al vergeten was! Het
kan niet anders of hij denkt aan me, zooals ik dikwijls aan hem denk!
--Hoû je nog van hem? vroeg hij dof.
--Niet zoo, als ik van hem gehouden heb. Nu niet, Lawrence... Ik
geloof, dat ik nu alleen medelijden met hem heb. Maar ik denk dikwijls
aan hem. Hier is zijn portret.
Zij opende het medaillon en liet hem Otto's beeltenis zien. Zwijgend
staarde hij er op.
--Je draagt dat altijd bij je? vroeg hij zacht.
--Ja! fluisterde zij bijna onhoorbaar. Altijd. Het is me heilig en
daarom, Lawrence, o, daarom kan het nooit zijn! De gedachte aan hem
zou zich te veel tusschen ons stellen. Ik zou gelukkig met je kunnen
zijn, wanneer die gedachte niet in me spookte! Maar zelve gelukkig
te zijn en het denkbeeld te koesteren, dat hij ongelukkig was, o,
het zou me onmogelijk zijn!
Hij antwoordde niet en zij begon hevig te snikken. Zij zeeg op den
grond neêr en legde haar hoofd op zijn knieën.
--O, vergeef me, Lawrence, vergeef me! Ik had nooit gedacht, dat
je van me hadt kunnen houden! Ik was zoo ziek, ik hoestte altijd,
ik voelde me altijd zoo zwak! Ik dacht dat ik leelijk was geworden,
dat ik zelfs een man zou afstuiten! Had ik dat niet gedacht, dan zou
ik je niet hebben getoond, dat ik van je hield! Je sprak van ons als
een broêr en zuster! Waarom ben je zoo niet blijven spreken? Waarom
heb je nu anders gesproken! Ik heb je nu verdriet moeten doen: het
kon niet anders. Het zou slecht van me geweest zijn, als ik je vrouw
had kunnen worden zonder eenige wroeging!
Hij hief haar zacht op en trok haar een weinig tot zich.
--Eline! sprak hij. Je hebt me eens gezegd, dat je je geluk had
weggegooid. Ik vroeg niet, wat je daarmee bedoelde. Maar nu vraag ik
het je. Bedoelde je daarmeê, dat je Otto dien brief hadt geschreven?
--Ja! snikte zij.
--Je gooide je geluk weg met den brief, niet waar? Weet je zeker, dat
je je geluk niet voor de tweede maal weggooit, als je mij nu geen ander
antwoord geeft? Of kan ik nooit je geluk worden? Kan dat Otto alleen?
Zij zag hem dwepend aan.
--O, Lawrence! murmelde zij hartstochtelijk, bijna aan zijn
borst. Wanneer ik je ontmoet had vóor, vóor dat alles gebeurd was,
had ik van niemand anders kunnen houden, dan van jou. Maar het mocht
zoo niet zijn. Het was mijn noodlot.
--O, spreek niet over een noodlot. Noodlot is een woord. Ieder mensch
maakt zijn eigen noodlot. Je bent te zwak om jezelve het te maken. Laat
mij je noodlot maken.
--Het kan niet! snikte zij en schudde heur hoofd, dat tegen hem
gevlijd lag, heen en weêr. Het kan nooit!
--Ja Eline, het kan wel! antwoordde hij. Je zegt, dat je van niemand
anders dan van mij hadt kunnen houden, wanneer je mij eerder gezien
hadt. Misschien was je mij dan onverschillig gebleven; in elk geval
zijn dat veronderstellingen, die mij niets kunnen schelen. Nu, nu hou
ik van je, zooals je bent. Je zegt, dat je ziek bent, maar ik weet,
dat je gezond zal worden. Ik voel dat.
--Dat is geen zekerheid! weende zij.
--Dat is zoo, maar evenmin is het zekerheid, dat je Otto ongelukkig
hebt gemaakt. Dat voel je ook, nietwaar? dat weet je niet zeker!
--Neen, neen, ik geloof wel, dat ik het weet!
--Maar zeker ben je er niet van! drong hij aan. En je zegt me, nu
ik je vraag mijn vrouw te worden, dat het niet kan, dat het nooit
kan. Is dat niet wreed van je?
--O, waarom verwijt je me dat! snikte zij.
--Zoo even zei je zelf: ik twijfel altijd, ik zoek altijd, ik weet
nooit. Weet je dan nu zonder te twijfelen, dat het nooit zou kunnen
zijn? Ben je daar dan zoo zeker van? Zal je geen berouw hebben,
als ik weg ben, als het te laat is?
--O, kermde zij. Hoe kan je me zoo doen lijden! Je martelt me....
Hij zweeg even en richtte haar hoofd zacht van zijn borst op.
--Ik zal je niet langer martelen, Eline. Maar alleen moet ik je nog
dit zeggen. Weiger nu niet, wat ik je gevraagd heb. Het zou kunnen
zijn, dat je later anders hadt willen gesproken hebben. Laat mij
dat tenminste hopen. Overmorgen ga ik met Vincent weg. Over vijf
maanden zie je mij weêr. Ik zal vragen, of Vincent je nu en dan wil
schrijven. Je zal altijd weten waar wij zijn. En je hebt maar één
woord te zeggen en ik keer terug. Beloof me niets, maar weiger me ook
niets. Laat mij hopen en probeer zelve te hopen. Wil je dat doen? Is
dat te veel?
--Neen, fluisterde zij; o neen, dat is niet te veel. Ik zal je mijn
antwoord geven, na vijf maanden....
--Goed, sprak hij. Anders vraag ik je niets. En nu zal ik wachten tot
je oom en tante thuis zijn, om afscheid van ze te nemen. Vincent komt
morgen. Maar mag ik nu, dat we alleen zijn, afscheid van jou nemen?
Zij antwoordde niet, maar zag hem aan. Hij drukte haar in zijne armen
en kuste haar.
--Tot over vijf maanden! fluisterde hij met een glimlach. Zij richtte
zich even op, zag hem vast aan en sloeg toen hare armen om zijn
hals. Toen kuste zij zijn voorhoofd met een langen, innigen kus.
--Tot... over... vijf maanden! murmelde zij terug.
Hoofdstuk XXXIV.