XII.

Eline zag Elize den volgenden dag niet vóor het lunch, om twee

uren. Oom Daniël was reeds uit: hij had steeds veel bezigheden, die

nooit nauwkeurig werden omschreven, en waarvan men dus niet juist wist,

waarin zij bestonden. Eline vroeg Elize, of zij zich geamuseerd had.

--O, jawel! zeide Elize goedig. Nog al een brouhaha. Het is misschien

beter geweest, dat je niet bent gegaan. Het zou je overstuur hebben

gemaakt. Le cher poète était désolé. Is St. Clare nog lang gebleven?

--Tot elf uur.

--Ach, zie je, het kan mij niet schelen, of hij je heeft overgehaald

thuis te blijven. Maar Daniël vond het nog al gek van je, dat je zoo

gehoorzaam was. Intusschen, hem kan het ook niet schelen, hoor! Je

bent bij ons zoo vrij mogelijk, dat weet je.

Eline zweeg.

--Maar je moet me toegeven, ging Elize lachend voort, dat het geval

nogal te denken geeft. Gedecideerd, Eline, het geeft te denken!

Eline zag haar onderzoekend aan.

--Wat denk je dan? vroeg zij.

--Lieve meid, dat hou ik voor mezelve. Dat vertel ik je niet. Maar ik,

die, zooals je weet, nooit denk, ik denk nu wel het een of ander. Toch

wil ik je niet intimideeren, hoor: ik vind het heel goed, als het

waar is, wat ik denk.

Eline hoorde haar op iets doelen, dat in haar eigen geest slechts in

zeer vagen omtrek was opgedoemd.

Zij bleef stil en terwijl Elize, die nog wat moê was van haar bal, zich

met een boek op een divan wierp en weldra sliep, zette zij zich in het

balcon, om na te denken. Zij had in de laatste dagen weinig nagedacht;

zij had zich slechts laten medesleepen door eene zoete weekheid, die

haar overweldigd had. Maar nu hadden Elize's bedekte woorden haar tot

zichzelve gebracht. Het geval gaf te denken.... Het gaf te denken, dat

St. Clare haar had durven vragen thuis te blijven en dat zij zich naar

zijn verlangen gevoegd had. Zij dorst de gedachte, die het te denken

gaf, niet formuleeren. Hoe gaarne zij zich had willen overgeven aan

die gedachte, zij wist dat het nooit kon zijn, nooit.... O, waarom

had zij hem niet eerder ontmoet! Wat was het noodlot wreed!

Zij begon te vreezen, dat zij anders met hem had moeten handelen,

dan zij gedaan had. Zij had hem misschien moeten afstuiten door

stugge koelheid, door verontwaardiging over zijne inmenging over

hare zaken. Zij had hem ook niet vergiffenis moeten vragen, nadat

zij eenmaal stug geweest was. Maar het was zoo zalig geweest, zich

te buigen naar zijn wil. Hij was zoo sterk en zij vond zooveel steun

in zijn kracht. Zij had nooit kunnen denken, dat hij haar zou kunnen

liefkrijgen, ziek, gebroken schepsel, dat zij was. Hij had haar ook

niet mogen liefkrijgen, maar nu was het misschien te laat....

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 166 / 188 题