XI.

Eline was nog steeds verlegen.

--Ik geloof niet, dat oom het goed vond, dat ik uw raad opvolg, sprak

ze, toen zij alleen waren. Misschien ook niet dat.... u niet meêging.

St. Clare zag haar kalm verwonderd aan.

--Dan had hij het kunnen zeggen, niet waar? Ik vroeg het hem. Wil u

liever hebben, dat ik wegga?

--Neen, ik zal het zeer vriendelijk van u vinden, als u nog een

oogenblikje blijft.

--Heel graag. Want ik woû u nog iets anders vragen. Maar nu niet iets,

dat zoo gewichtig is.

--Wat dan?

--Een van die munten, waarmeê u zoo lang is bezig geweest om ze in

uw haar te schikken.

Eline glimlachte en zij ontnam zich voorzichtig uit heur kapsel het

snoer van munten en rukte er een af, die ze hem aanbood.

--Dank u! sprak hij en hij hechtte den penning aan zijn horlogeketting.

Het werd Eline wonderlijk te moede. Zij gevoelde zich zeer tevreden,

zeer gelukkig en toch eenigszins schuchter. En zij vroeg zichzelve af

wat Betsy het minst passend zou hebben gevonden: dat zij met oom en

tante naar dat bal was gegaan, of dat zij dien avond, alleen en zelfs

en négligé, met St. Clare was. Zeker het laatste, dacht ze.... Maar

hij scheen dat zoo eenvoudig en natuurlijk te vinden, dat zij hem

niet eens dorst vragen, of zij zich even mocht verkleeden.

--En laten we nu eens prettig praten! sprak hij, terwijl hij zich

in een Turksche fauteuil zette, en zij op den divan zitten bleef,

steeds een beetje verlegen spelende met het snoer. Vertel u me nu

eens het een of ander, uit uw kinderjaren of van uwe reizen....

Zij zeide, dat zij niet wist wat te vertellen, maar hij vroeg haar,

zij antwoordde hem en langzamerhand werd zij vertrouwelijker. Zij

verhaalde hem van tante Vere, van haar lectuur van Ouida, vooral

van haren vader en zijne groote doeken, die hij nooit voltooide. Ze

verhaalde hem ook van haren zang, van Betsy en Henk en zeide, dat ze

vroeger heel anders dacht dan nu en er ook geheel anders uitzag.

--Wat noemt u vroeger?

--Voordat ik ziek ben geworden en met oom en tante ben gaan

reizen. Voor.... mijn engagement.

--En hoe zag u er dan uit?

--Veel gezonder en.... en frisscher.

--U wil zeggen: mooier?

Zij moest lachen, dat hij hare gedachten ried en zich niet de minste

moeite gaf galant te zijn. Daarna vroeg zij hem, of hij hare portretten

uit dien tijd wilde zien, en terwijl zij een album van een tafel nam,

dacht zij er aan, dat zij hem wel kon vergunnen haar bij den naam te

noemen. Maar zij kwam er niet toe.

Hij bladerde in den album, die veel van hare portretten bevatte, zeer

fijne kopjes met een lint of een collier van parelen om den hals,

enkele gedecolleteerd.

--Nu?.... Wat zegt u? vroeg ze, daar hij zwijgen bleef.

--Heel lieve gezichtjes, sprak hij onverschillig. Maar overal

een onuitstaanbaar coquet lachje, een lievigheid, die pretentieus

is. Poseerde u altijd zoo of deed u dat alleen voor den fotograaf?

Zij was een beetje gepiqueerd.

--Foei, wat kan u soms toch hatelijk zijn! sprak ze verwijtend.

--Was ik hatelijk? vroeg hij. Vergeeft u me dan; het is waar,

dit zijn uw portretten. Ik was een oogenblik in de war. Het is ook

moeilijk voor me, u hierin te herkennen. Maar, geloof me.... Ik zou u

onuitstaanbaar gevonden hebben, als ik u ooit zoo gezien had. Mooi,

maar onuitstaanbaar. U is nu een beetje vermagerd, u heeft iets

lijdends, maar er is iets innemends in uw gelaat en de gezichtjes

hier zijn niets dan coquetterie. Ik zie u liever zoo als u nu is.

Hij sloot den album en legde dien weg.

--En nu? hernam hij. Woû u liever zijn zooals toen? Regretteert u

dien tijd?

--Ach neen! zuchtte zij. Ik was toen ook niet gelukkig.

--Maar nu zal u al uw best doen gelukkig te worden, niet waar?

Zij haalde de schouders op.

--Het geluk laat zich niet dwingen! murmelde zij droomerig en, haars

ondanks, onbewust, in het Engelsch.

Hij zag haar verbaasd aan.

--Spreekt u Engelsch? vroeg hij.

--Ik? riep zij in het Fransch uit, ontwakende uit haar droom.

--Ja, u!

--Ik? Spreek ik Engelsch?

--Neen, nu niet.... maar zoo even.

--Sprak ik toen Engelsch? Ik wist het niet....

--Waarom heeft u nooit Engelsch met me gesproken?

--Ik weet het niet....

--Jawel, u weet het wel.

--Neen, heusch niet.

--Ik verzeker u, dat u het weet. Zegt u nu waarom, kom! Zij lachte

vroolijk.

--Omdat u zoo grappig Fransch spreekt. U heeft zoo een aardig accent.

--U heeft me dus altijd in stilte uitgelachen?

--Neen, ik verzeker u, waarlijk niet....

--Wat wil u voortaan spreken? Engelsch of Fransch?

--Fransch. Anders denkt u toch, dat ik u uitlachte.

--Daar is niets geen logica in hetgeen u nu zegt.

--Dat is wel mogelijk, maar toch wil ik Fransch blijven spreken.

--Goed. Weet u wel, dat u niet zoo heel zwak meer is, maar dat u

flinker wordt?

--Waarom?

--Ik heb u voor den eersten keer, dat ik u ken, hooren zeggen: Ik

wil. Let op mijn woorden: u begint met een beetje wil te krijgen,

en dan krijgt u een heel vasten wil. En als u een vasten wil heeft,

wordt u flink. Zal u uw beetje wil nu goed cultiveeren, als een

broeikasplantje, dat veel zorg noodig heeft?

Zij lachte steeds, op haar zachte, liefelijke wijze.

--Ik zal nog verbazend koppig worden onder uw invloed.

--Neen, dat hoop ik niet. Maar ik zou heel gelukkig zijn, als u een

beetje flinker werd onder mijn invloed.

--Ik zal mijn best doen.

--Ik hoû u aan uw woord. En nu ga ik u verlaten. Het is bij elven.

Zij zweeg, zij had een uitroep, iets als "nu al?" op de lippen,

maar zij had zich bijtijds ingehouden.

--En vertelt u me nu oprecht, vindt u niet, dat u verstandiger zal doen

met van avond vroeg naar bed te gaan en te probeeren te slapen, dan

u gedaan zou hebben, als u tot zes uur in den morgen had gedanst met

zonderlinge cavaliers en in het bijzijn van nog zonderlinger danseuses?

--U heeft volkomen gelijk. Ik ben u innig dankbaar.

--Ik u ook, voor de munt die u mij gegeven hebt.

Zij voelde, dat hij haar niet alleen dankbaar was voor de munt.

--En nu goeden nacht. Goeden nacht, Eline.

Zij zag vol zachtheid naar hem op bij het hooren van haar naam,

dien hij zoo zonder haar vergunning, uitsprak.

--Goeden nacht, Lawrence, fluisterde zij.

Zij stak haar hand uit. Hij hield ze even in de zijne, met de oogen

in hare oogen; toen liet hij de dunne vingertjes los.

--Adieu! sprak hij met een laatsten hartelijken knik en hij ging.

Zij bleef even peinzend staan. Daarna beval zij den knecht het licht

in de zaal uit te doen, en trok zij zich terug in hare slaapkamer. Zij

deed de munten van haar kapsel op heur kaptafel glijden. Op een stoel

lagen de glinsterende draperies van heur toilet en hare almeeënmuiltjes

stonden er bij.

Terwijl zij zich uitkleedde, hoorde zij nog steeds zijn stem en hoorde

zij dat lichte accent. Dralend ordende zij hare bijouterieën. Haar oog

viel op heur horloge, aan welks ketting een zwart medaillon hing. Zij

opende het, en staarde er lang in, met vochtige oogen.

Toen gaf zij een zeer zachten kus op de beeltenis, die het bevatte,

zoo zacht als men een afgestorvene kust. Zij dacht een oogenblik

het los te haken van den ketting, om het in een laadje van heur

bijouteriekistje te bergen, waarin zij kleinigheden bewaarde, die

zij niet meer droeg. Maar toch deed zij het niet.

Zij legde zich te bed. Zij sliep niet. Zij nam ook geen druppels

in. Om halfzes hoorde zij Elize, zuchtend van vermoeidheid, met oom

Daniël terugkomen. Maar heur slapeloosheid was niet verstoord geweest

door angstige nachtmerries en het had haar geschenen, of er een kalme,

roze lichtschijn om haar heen had geschitterd.

Tegen den morgen sliep zij een weinig in en toen zij ontwaakte,

voelde zij zich niet zoo loom als gewoonlijk bij haar ontwaken.

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 165 / 188 题