Eline was nog steeds verlegen.
--Ik geloof niet, dat oom het goed vond, dat ik uw raad opvolg, sprak
ze, toen zij alleen waren. Misschien ook niet dat.... u niet meêging.
St. Clare zag haar kalm verwonderd aan.
--Dan had hij het kunnen zeggen, niet waar? Ik vroeg het hem. Wil u
liever hebben, dat ik wegga?
--Neen, ik zal het zeer vriendelijk van u vinden, als u nog een
oogenblikje blijft.
--Heel graag. Want ik woû u nog iets anders vragen. Maar nu niet iets,
dat zoo gewichtig is.
--Wat dan?
--Een van die munten, waarmeê u zoo lang is bezig geweest om ze in
uw haar te schikken.
Eline glimlachte en zij ontnam zich voorzichtig uit heur kapsel het
snoer van munten en rukte er een af, die ze hem aanbood.
--Dank u! sprak hij en hij hechtte den penning aan zijn horlogeketting.
Het werd Eline wonderlijk te moede. Zij gevoelde zich zeer tevreden,
zeer gelukkig en toch eenigszins schuchter. En zij vroeg zichzelve af
wat Betsy het minst passend zou hebben gevonden: dat zij met oom en
tante naar dat bal was gegaan, of dat zij dien avond, alleen en zelfs
en négligé, met St. Clare was. Zeker het laatste, dacht ze.... Maar
hij scheen dat zoo eenvoudig en natuurlijk te vinden, dat zij hem
niet eens dorst vragen, of zij zich even mocht verkleeden.
--En laten we nu eens prettig praten! sprak hij, terwijl hij zich
in een Turksche fauteuil zette, en zij op den divan zitten bleef,
steeds een beetje verlegen spelende met het snoer. Vertel u me nu
eens het een of ander, uit uw kinderjaren of van uwe reizen....
Zij zeide, dat zij niet wist wat te vertellen, maar hij vroeg haar,
zij antwoordde hem en langzamerhand werd zij vertrouwelijker. Zij
verhaalde hem van tante Vere, van haar lectuur van Ouida, vooral
van haren vader en zijne groote doeken, die hij nooit voltooide. Ze
verhaalde hem ook van haren zang, van Betsy en Henk en zeide, dat ze
vroeger heel anders dacht dan nu en er ook geheel anders uitzag.
--Wat noemt u vroeger?
--Voordat ik ziek ben geworden en met oom en tante ben gaan
reizen. Voor.... mijn engagement.
--En hoe zag u er dan uit?
--Veel gezonder en.... en frisscher.
--U wil zeggen: mooier?
Zij moest lachen, dat hij hare gedachten ried en zich niet de minste
moeite gaf galant te zijn. Daarna vroeg zij hem, of hij hare portretten
uit dien tijd wilde zien, en terwijl zij een album van een tafel nam,
dacht zij er aan, dat zij hem wel kon vergunnen haar bij den naam te
noemen. Maar zij kwam er niet toe.
Hij bladerde in den album, die veel van hare portretten bevatte, zeer
fijne kopjes met een lint of een collier van parelen om den hals,
enkele gedecolleteerd.
--Nu?.... Wat zegt u? vroeg ze, daar hij zwijgen bleef.
--Heel lieve gezichtjes, sprak hij onverschillig. Maar overal
een onuitstaanbaar coquet lachje, een lievigheid, die pretentieus
is. Poseerde u altijd zoo of deed u dat alleen voor den fotograaf?
Zij was een beetje gepiqueerd.
--Foei, wat kan u soms toch hatelijk zijn! sprak ze verwijtend.
--Was ik hatelijk? vroeg hij. Vergeeft u me dan; het is waar,
dit zijn uw portretten. Ik was een oogenblik in de war. Het is ook
moeilijk voor me, u hierin te herkennen. Maar, geloof me.... Ik zou u
onuitstaanbaar gevonden hebben, als ik u ooit zoo gezien had. Mooi,
maar onuitstaanbaar. U is nu een beetje vermagerd, u heeft iets
lijdends, maar er is iets innemends in uw gelaat en de gezichtjes
hier zijn niets dan coquetterie. Ik zie u liever zoo als u nu is.
Hij sloot den album en legde dien weg.
--En nu? hernam hij. Woû u liever zijn zooals toen? Regretteert u
dien tijd?
--Ach neen! zuchtte zij. Ik was toen ook niet gelukkig.
--Maar nu zal u al uw best doen gelukkig te worden, niet waar?
Zij haalde de schouders op.
--Het geluk laat zich niet dwingen! murmelde zij droomerig en, haars
ondanks, onbewust, in het Engelsch.
Hij zag haar verbaasd aan.
--Spreekt u Engelsch? vroeg hij.
--Ik? riep zij in het Fransch uit, ontwakende uit haar droom.
--Ja, u!
--Ik? Spreek ik Engelsch?
--Neen, nu niet.... maar zoo even.
--Sprak ik toen Engelsch? Ik wist het niet....
--Waarom heeft u nooit Engelsch met me gesproken?
--Ik weet het niet....
--Jawel, u weet het wel.
--Neen, heusch niet.
--Ik verzeker u, dat u het weet. Zegt u nu waarom, kom! Zij lachte
vroolijk.
--Omdat u zoo grappig Fransch spreekt. U heeft zoo een aardig accent.
--U heeft me dus altijd in stilte uitgelachen?
--Neen, ik verzeker u, waarlijk niet....
--Wat wil u voortaan spreken? Engelsch of Fransch?
--Fransch. Anders denkt u toch, dat ik u uitlachte.
--Daar is niets geen logica in hetgeen u nu zegt.
--Dat is wel mogelijk, maar toch wil ik Fransch blijven spreken.
--Goed. Weet u wel, dat u niet zoo heel zwak meer is, maar dat u
flinker wordt?
--Waarom?
--Ik heb u voor den eersten keer, dat ik u ken, hooren zeggen: Ik
wil. Let op mijn woorden: u begint met een beetje wil te krijgen,
en dan krijgt u een heel vasten wil. En als u een vasten wil heeft,
wordt u flink. Zal u uw beetje wil nu goed cultiveeren, als een
broeikasplantje, dat veel zorg noodig heeft?
Zij lachte steeds, op haar zachte, liefelijke wijze.
--Ik zal nog verbazend koppig worden onder uw invloed.
--Neen, dat hoop ik niet. Maar ik zou heel gelukkig zijn, als u een
beetje flinker werd onder mijn invloed.
--Ik zal mijn best doen.
--Ik hoû u aan uw woord. En nu ga ik u verlaten. Het is bij elven.
Zij zweeg, zij had een uitroep, iets als "nu al?" op de lippen,
maar zij had zich bijtijds ingehouden.
--En vertelt u me nu oprecht, vindt u niet, dat u verstandiger zal doen
met van avond vroeg naar bed te gaan en te probeeren te slapen, dan
u gedaan zou hebben, als u tot zes uur in den morgen had gedanst met
zonderlinge cavaliers en in het bijzijn van nog zonderlinger danseuses?
--U heeft volkomen gelijk. Ik ben u innig dankbaar.
--Ik u ook, voor de munt die u mij gegeven hebt.
Zij voelde, dat hij haar niet alleen dankbaar was voor de munt.
--En nu goeden nacht. Goeden nacht, Eline.
Zij zag vol zachtheid naar hem op bij het hooren van haar naam,
dien hij zoo zonder haar vergunning, uitsprak.
--Goeden nacht, Lawrence, fluisterde zij.
Zij stak haar hand uit. Hij hield ze even in de zijne, met de oogen
in hare oogen; toen liet hij de dunne vingertjes los.
--Adieu! sprak hij met een laatsten hartelijken knik en hij ging.
Zij bleef even peinzend staan. Daarna beval zij den knecht het licht
in de zaal uit te doen, en trok zij zich terug in hare slaapkamer. Zij
deed de munten van haar kapsel op heur kaptafel glijden. Op een stoel
lagen de glinsterende draperies van heur toilet en hare almeeënmuiltjes
stonden er bij.
Terwijl zij zich uitkleedde, hoorde zij nog steeds zijn stem en hoorde
zij dat lichte accent. Dralend ordende zij hare bijouterieën. Haar oog
viel op heur horloge, aan welks ketting een zwart medaillon hing. Zij
opende het, en staarde er lang in, met vochtige oogen.
Toen gaf zij een zeer zachten kus op de beeltenis, die het bevatte,
zoo zacht als men een afgestorvene kust. Zij dacht een oogenblik
het los te haken van den ketting, om het in een laadje van heur
bijouteriekistje te bergen, waarin zij kleinigheden bewaarde, die
zij niet meer droeg. Maar toch deed zij het niet.
Zij legde zich te bed. Zij sliep niet. Zij nam ook geen druppels
in. Om halfzes hoorde zij Elize, zuchtend van vermoeidheid, met oom
Daniël terugkomen. Maar heur slapeloosheid was niet verstoord geweest
door angstige nachtmerries en het had haar geschenen, of er een kalme,
roze lichtschijn om haar heen had geschitterd.
Tegen den morgen sliep zij een weinig in en toen zij ontwaakte,
voelde zij zich niet zoo loom als gewoonlijk bij haar ontwaken.