X.

Er verliep een groote week, dat de Vere's noch Vincent, noch St. Clare

zagen, daar zij eenige dagen in Holland doorbrachten. Er was sprake

van een bal masqué, dat de graaf zou geven. Oom Daniël zou zich niet

costumeeren. Maar Elize ging als almée en Eline, wier fantazie niet

veel werkte, ging denkelijk ook als almée. Eline had bij de invitatie

voor dat bal even aan St. Clare gedacht.... wat zou hij er van zeggen,

als zij aannam? Maar zij schrikte er voor een avond thuis alleen door

te brengen. Zij dacht dus niet verder aan hem en hield zich met haar

toilet bezig.

Een dag voor het bal kwamen de vrienden terug, Eline meende iets

straks op het gelaat van St. Clare te bespeuren, toen hij vernam, dat

men naar dat bal zou gaan. Hij zeide echter niets. Maar den volgenden

avond, omstreeks halfnegen, kwam hij met Vincent even aan. Zij waren

ook geïnviteerd; Vincent had aangenomen, St. Clare niet. Hij vroeg

Eline te spreken, maar Eline was juist aan haar toilet begonnen,

evenals Elize en oom. Toch drong St. Clare aan en Eline liet hem door

de kamenier verzoeken even te wachten.

In de groote zaal was niemand. Vincent, gerokt, had zich op een divan

neêrgevlijd en nam l'Indépendance op. St. Clare stond in het balcon,

de handen in den zak, na te denken en hij tuurde op de sneeuw, die

vaalwit schemerde in den avond. De knecht kwam vragen of de heeren

thee wilden drinken.

--Ik moet zeggen, dat je moed hebt, Lawrence! sprak Vincent, in het

Engelsch, terwijl hij zijn kopje langzaam omroerde. Weet je zeker

dat alles goed zal worden opgenomen?

--Ik kan nu eenmaal niet anders. Ik wil het zoo! antwoordde St. Clare

vast en hij bedankte voor de thee.

De knecht verdween en zij zwegen beide een pooze, toen Eline

binnenkwam. Een rose waas van veloutine bedekte hare geelbleekheid. Zij

was reeds gekapt met rissen van blinkende munten, die in drie rijen op

haar voorhoofd neêrvielen. Maar verder was zij nog niet gekostumeerd,

en had zij zich in een wit flanellen peignoir gehuld. Vincent stond

op en zij verontschuldigde zich over heur toilet. Maar zij zag er

zeer bevallig uit.

--U verlangde zoo dringend mij te spreken! sprak zij zacht tot

St. Clare, terwijl zij hem de hand reikte. Neemt u me dus niet kwalijk,

dat ik maar zoo gekomen ben! Gaat u zitten.

Zij zetten zich, terwijl Vincent zich met zijn courant in den

wintertuin terugtrok. St. Clare nam Eline met een blik op.

--Wat wilt u me vragen? vroeg zij.

--Ten eerste vergiffenis voor mijn brutaliteit, u zoo zonder décorum

van uw toilet te hebben afgerukt.

--O, dat is niets, ik heb nog den tijd.

--Ik ben er zeer meê gevleid, dat u dadelijk gekomen is. U zal zeker

begrijpen, dat ik niet anders, dan voor een nog al gewichtige zaak

zoo indringend ben geweest. Ik heb u een verzoek te doen.

--Dat geen uitstel kon gedoogen?

--Neen, dat geen uitstel kon gedoogen. En ik loop gevaar, dat u

zeer boos op me zal zijn wanneer ik u dat verzoek doe: dat u zich

gekrenkt zal gevoelen en me zal zeggen, dat ik me met zaken bemoei,

die me niet aangaan.

Zij kreeg een onbestemd vermoeden van zijn vraag, die hij nog niet

uitte.

--Spreek maar ronduit! sprak zij eenvoudig.

--U heeft me verzocht in het vervolg u zooveel belangstelling te toonen

als een broêr voor een zuster zou hebben. Is dat waar of vergis ik

me daarin?

--Neen, dat is waar.

--Nu, als u mijn zuster was, zou ik u vriendelijk verzoeken mij een

groot genoegen te doen en van avond niet naar dat bal te gaan.

Zij antwoordde niet en zag hem aan.

--Als u mijn zuster was, zou ik u zeggen, dat ik met Vincent

geïnformeerd heb, wie er van avond op dat bal komen; dat ik zeker weet,

dat een groot gedeelte der geïnviteerden nog minder in uw omgeving

passen, dan velen van de kennissen van uw oom en tante. Ik zou mij

voor mijn zuster niet veel duidelijker kunnen uitdrukken en voor u kan

ik er geen woord meer bijvoegen. Maar ik hoop, dat u begrijpen zal,

en dat u eenigszins kan vermoeden wat voor geïnviteerden u van avond

zou zien als u ging.

Zij sloeg haar oogen neêr en zweeg.

--En daarom vraag ik nog eens, op gevaar mij met iets te bemoeien, dat

mijn zaak niet is, op gevaar, dat uw oom en uw tante mijn inmenging

in uw zaken kwalijk zullen nemen, op gevaar dat uzelve, na mij al

eens een indiscretie te hebben vergeven, heel boos op mij zal worden:

ga niet naar dat bal. U past daar niet.

Zij zweeg steeds en haar vingers woelden sidderend in de cordelière

van haar peignoir.

--Is u heel boos? vroeg hij.

--Neen! antwoordde zij na een pooze zeer zacht. Neen, ik ben niet

boos. En ik zal doen wat u me vraagt. Ik zal niet gaan.

--In ernst? riep hij verheugd uit.

--In ernst! herhaalde zij. Ik zal niet gaan. Ik ben u heel dankbaar

dat u voor mij geïnformeerd heeft wie er op dat bal komen. Ik had al

vrees, dat u het niet goed zou vinden, als ik zou gaan, maar ik zag

er tegen op een geheelen avond alleen thuis te blijven. Dat maakt me

altijd melancholiek.

--U vreesde voor mijn afkeuring? vroeg hij glimlachend.

--Ja! antwoordde zij. U heeft zooveel vriendschap voor me; ik zou niet

graag iets doen dat u niet goed vondt. En voor van avond... schik ik

me geheel en al naar uw wil.

--Dank u! sprak hij ontroerd en drukte hare hand.

--O, u mag het wel apprecieeren! riep zij quasi luchtig uit, een

weinig ter neêr gedrukt door hare deemoedigheid. Weet u wel, dat

ik zeker drie kwartier bezig ben geweest die munten in mijn haar te

arrangeeren? En nu is het voor niets!

--Ik apprecieer wat u doet! Ik verzeker u, dat ik het

apprecieer! betuigde hij ernstig.

Oom Daniël kwam binnen.

--Bonsoir, St. Clare. Je gaat niet meê, wel? Maar Eline! Kleed je je

nog niet aan...?

Eline stamelde iets en kon hare woorden niet vinden, toen zij de

stem van Elize hoorde, die op de kamenier bromde. Elize kwam binnen,

schitterend van munten en Algerijnsche draperieën, twee Moorsche

muiltjes aan de voeten.

--Bonsoir St. Clare! Hoe jammer, dat je niet gaat! Het zal zoo aardig

zijn... Ciel! Eline!

Vincent kwam uit den wintertuin.

--Het is bij half tien en je hebt je nog alleen maar gekapt! vervolgde

Elize, ontzet van verbazing. Waar heb je aan gedacht?

--Ik geloof niet, dat uw nichtje meêgaat, mevrouw! sprak St. Clare,

daar Eline zeer verlegen was. Wij hoorden, Vincent en ik, dat er

nog al gemêleerd gezelschap kwam, op dat bal... En ik heb juffrouw

Vere aangeraden liever niet te gaan dan zich bloot te stellen aan

onaangename ontmoetingen. Ik hoop, dat u me dien raad niet kwalijk

zult nemen. Zij zou natuurlijk onder de hoede geweest zijn van haar

oom en van u, maar ik dacht, dat zulke kringen voor een jong meisje

nog eerder te ontwijken zijn, dan voor een getrouwd vrouwtje, al is

ze ook gracieus als u! Had ik ongelijk?

Elize weifelde of zij zich boos zou maken of niet. Maar er klonk

zoo iets beslists en tevens zoo iets innemends in zijn stem, dat ze

ontwapend werd. Daniël Vere trok even de schouders op.

--Ongelijk? herhaalde Elize, nog in weifeling. Ach, misschien niet,

Eline kan natuurlijk doen wat ze wil. Wil ze liever niet gaan, eh bien,

soit, dan zullen we een migraine voorwenden. Niets gemakkelijker dan

dat. Maar je zal je verschrikkelijk embêteeren, Eline.

--Ach neen, heusch, ik blijf liever thuis! sprak Eline. Ten minste,

als je het niet kwalijk neemt.

--Wel neen, Liberté chérie, hoor kind.

De knecht kwam zeggen, dat het rijtuig voor stond en bracht de pelsen

van oom en Vincent. De kamenier hield Elize's bonten mantel op.

--Als uw oom en tante het goed vinden, zou ik u gaarne nog een

oogenblik gezelschap houden? vroeg St. Clare.

Oom en tante vonden het uitstekend. Eline bleef steeds een weinig

verlegen.

--Adieu, amuzeer je! sprak zij met een schuchter glimlachje tot Elize,

oom en Vincent.

--Bespottelijk! bromde oom Daniël, terwijl zij in het rijtuig

zaten. Bespottelijk! Hij wil niet hebben; dat ze naar dat bal gaat,

maar hij wil wel bij haar blijven om haar gezelschap te houden. Dat is

zeker Amerikaansch! Ik weet ten minste niet wat meer compromitteert,

met ons naar een bal te gaan of alleen met een jong mensch een avond

te passeeren. Bespottelijk.

Vincent zweeg; hij achtte het beneden zich zijn vriend te

verdedigen. Maar Elize legde in een vloed van betuigingen het

stilzwijgen aan haren man op. Hij mocht geen kwaad spreken van een

nichtje, dat onder zijn dak was en van een vriend, dien zij zooveel

zagen.

--Kwaad? O neen! hernam oom Daniël nog zeer gekrenkt. Het is alleen

maar Amerikaansch! Het zal Amerikaansch zijn.

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 164 / 188 题