IX.

Nu het feest was geëindigd overdacht zij hare krenking, alleen in hare

kamer. Het was vijf uur in den morgen en zij gevoelde zich bijna te

moê om zich te ontkleeden.

Zij was niet zoozeer gekrenkt, omdat hij aanmatigend was

geweest. Maar... dien avond had zij voor het eerst sedert langen tijd

een weinig haar leed vergeten. Zij had zich een weinig vermaakt en iets

van vroeger in zich teruggevonden. En hij had dit onschuldige genot

vergald door haar te herinneren, dat zij zich in een kring bevond,

die haar niet voegde. Wist zij dit niet zoo goed als hij? En juist

omdat zij dit wist, omdàt ze gevoelde, dat hij gelijk had, omdàt hij

dacht als zijzelve dacht, was zij gekrenkt. Waarom had hij haar niet

dat korte oogenblikje van vreugde in vrede laten doorbrengen? Waarom

had hij gesproken van hare "andere familie"? Wat kon het Henk en Betsy

schelen, al vergooide zij zich aan de zonderlinge kennissen van oom en

Elize? Maar zij deed dit niet; zij had nauwelijks met iemand anders

een woord gesproken dan met Vincent en met hem. Zij had zich slechts

ten koste van dien kring geamuzeerd....

Zij wierp zich in haar zwarte zijden japon op een bank neêr, en

terwijl zij nadacht over hare krenking, gevoelde zij die verflauwen

en verflauwen als een ijle rook. Maar toch wilde zij gekrenkt zijn,

o, ze was gekrenkt, ze was zeer gekrenkt....

Ach, eigenlijk was ze het toch niet zoo bijzonder! Hij was, terwille

van haar zoo geërgerd geweest over die vreemde côterie, verdacht

aristocratisch, verdacht artistiek, verdacht in... alles. Hij had

haar zoo flinkweg die ergernis getoond en zij hoorde hem nog met die

ontevreden stem zeggen:

--Hoe komt u toch hier? Is u hier met goedvinden van uw andere familie?

Hij stelde dus in haar belang, oprecht belang, met al den fieren

trots van zijne zonnige waarheid. En een groot verlangen omving haar

plotseling om hem vergeving te smeeken en hem te vragen, wat hij wilde,

dat zij doen zou. Het zou zalig zijn zich te schikken naar zijn wil,

zich geheel en al aan hem over te geven, het zou zoo rustig zijn,

zoo rustig en zoo zoet....

Om twaalf uur trad zij, na een weinig gesluimerd te hebben, zeer bleek,

met blauwe kringen onder de oogen, in de groote zaal, waar Elize met

een meid en een knecht nog bezig waren de wanorde, die de orgie achter

zich had gelaten, te regelen. Elize was zeer tevreden over haar soireé

en wenschte Eline een gelukkig nieuwjaar. Oom Daniël was uit.

--Wat een glazen hebben ze me gebroken! Gelukkig, dat ik ze gehuurd

had! Wil je ontbijten, Eline, ga dan in de salle à manger. Hier hinder

je toch maar: neem me niet kwalijk, dat ik het je zeg. Maar het was

amuzant gisteren, niet waar?

Eline ging naar de eetkamer. Zij at iets en bleef er een weinig

treuzelen. Zij wachtte op iemand, op St. Clare. Maar noch Vincent,

noch hij kwam. Ook niet den volgenden, ook niet den daaropvolgenden

dag. Als Eline gedurfd had, had zij hem geschreven.

Terwijl zij zich, in afwachting, dat hij komen zou, verdroomde, ontving

zij een brief van Mevrouw Van Raat, die haar mededeelde, hoe zij Paul,

al woonde hij nu te Bodegraven, een enkele maal zag, en hoe hij een

verdriet scheen te hebben, dat zij niet raden kon. Het speet haar,

dat er iets als eene vervreemding was tusschen haar en heur zoon en

zij twijfelde er aan, of zij hem wel altijd genoeg liefde betoond had.

--Zij niet genoeg liefde! dacht Eline. Zij was een en al liefde,

tenminste voor mij....

Zij las door en vernam dat Lili een kleine bébé wachtte, in Maart. Maar

aan het einde van den brief ontstelde zij hevig. Jeanne Ferelijn was

in Bangil gestorven. Eline's oogen vulden zich met tranen.

--Mijn God! Mijn God! herhaalde zij langzaam en een zenuwachtige snik

schokte haar. Heur arme vriendin was dood! O, wat had Jeanne haar

niet zorgvuldig opgepast, toen zij met die bronchitis in hun klein

bovenhuisje had gelegen. Wat was Jeanne niet altijd zacht en troostvol

geweest! Hoe hield zij niet van haar man en hare kinderen! Nu was ze

dood.... wat had ze aan haar leven gehad? Niets, o niets! En mevrouw

Van Raat had verdriet, Paul had verdriet. Lili zou ook verdriet en

teleurstellingen van haar kind hebben.... Wat was het leven anders

dan éen groot verdriet....

Zij snikte hevig over den brief, vol van de gedachte, dat Jeanne dood

was. Jeanne is dood, Jeanne is dood! suisde het in hare ooren en in

hare hersenen. Zij had zooveel verplichting aan Jeanne en zij zou

Jeanne nooit terug zien, want Jeanne was dood! O God, ze was dood!

Zij wierp zich achterover in haren stoel en bedekte haar gelaat met

de handen. Maar eensklaps hoorde zij stappen in de antichambre; zij

zag op en voor zij zich herstellen kon, zag zij iemand in de portière

verschijnen. Het was St. Clare. Wezenloos, met haar weenende oogen,

blikte zij hem aan.

--Ik hoop, dat u het me niet kwalijk neemt, als ik u stoor! sprak hij

zacht, want hij zag, dat ze schreide. De knecht zeide, dat u thuis

was en ontving. Ik zal morgen liever terug komen.

Zij rees op, wischte haar oogen af en glimlachte vriendelijk.

--Wil u dan al weggaan? sprak ze weemoedig. U stoort me niets;

integendeel, ik vind het heel lief, dat u gekomen is. Gaat u

zitten. Maakt Vincent het goed?

--Heel goed, dank u! sprak hij op een toon, die haar al zijn

vriendschap voor Vincent openbaarde. Wij zijn naar Luik en Verviers

geweest om eenige fabrieken te gaan zien.

--Dat is dus de eenige reden, dat ik u niet eerder na de soiree

gezien heb?

Hij zag haar even aan.

--Ja, antwoordde hij. De eenige.

--U was dus niet boos?

--Volstrekt niet. Ik had ongelijk, ik had niet zoo moeten spreken. U

was in uw recht.

--Ik geloof niet! sprak zij. Ik weet toch, dat ik u beleedigd heb

met mijn stugheid. Wil u mij dit vergeven? Of weigert u me uw hand,

zooals ik u de mijne geweigerd heb?

Zij stak haar hand uit. Hij drukte die vast.

--Ik vergeef u graag! antwoordde hij. En ik waardeer het, dat u

bekennen wil, dat u een beetje ongelijk had.

--En zal u me voortaan, zooals toen, uwe belangstelling toonen? Wil

u voortaan gelooven, dat uw belangstelling en uw vriendschap mij niet

hinderlijk zullen zijn, zooals ik toen beweerde? Mag ik daarop rekenen?

--Zeker, vast.

--Dank u. Dank u hartelijk. Ik heb me niet vergist, toen ik u zeide,

dat u goedhartig was. U is meer dan goed, u is edel.

Hij lachte een weinig.

--Wat gebruikt u groote woorden! sprak hij schertsend. U wordt deftig!

--Neen! sprak zij beslist. Ik word niet deftig en ik gebruik geen

groote woorden. Dat mag u niet zeggen. Ik meen, wat ik zeg. U weet

niet wat een plezier het me doet u te zien en van u te hooren, dat

u niet boos op me is. Vooral juist nu. Ik voelde me zoo ongelukkig.

--U huilde geloof ik?

De tranen vielen haar van de wimpers.

--Ik had zoo juist het bericht gekregen, dat een lieve vriendin

gestorven was. Een zwak schepseltje, maar ze was zoo noodig; ze

kon niet gemist worden door haar man en hare kinderen. Zoo gaat het

altijd in de wereld, niet waar? Menschen, die nuttig zijn, sterven. En

menschen, die zooals ik, iedereen tot last en hunzelve tot verveling

zijn, blijven leven.

--Waarom spreekt u zoo treurig? Is u dan niemand van nut? Houdt dan

niemand van u en houdt u van niemand?

Zij lachte schamper.

--Maar er zijn toch menschen, die belang in u stellen? vroeg hij

verder.

--Wat zal ik u zeggen? Ik heb geen ouders. Van mijn zuster zal u door

Vincent wel het een en ander gehoord hebben. Weet u, dat ik... uit

het huis van mijn zwager... ben weggeloopen?

--Ja.

--Sedert dien tijd heb ik gezworven. Ik was altijd bij vreemde

menschen. Oom en tante hebben mij nu tot zich genomen, maar ze zijn

mij toch ook vreemd. In Den Haag woonde ik een tijd lang bij een oude

dame, de moeder van mijn zwager, die heel lief was en van wie ik veel

hield. Maar ik was niet lief tegen haar....

--Ik heb heel veel medelijden met u! sprak hij. Ik wou, dat ik iets

voor u doen kon. Maar zou het niet goed zijn, als u een bezigheid

zocht? Verveelt u u niet, en voelt u u daarom niet ongelukkig?

--Ik heb bezigheden in den Haag gezocht. Ik heb veel gereisd. Maar

ik voelde mij toch ongelukkig. Het is mijn eigen schuld, weet u. Ik

heb mijn geluk weggegooid....

Ze begon te weenen, het hoofd in de handen. Hij vroeg niet verder.

--Zeg me of ik niet iets voor u doen kan? drong hij aan.

--Niets, dank u. Niemand kan iets voor mij doen.

--Maar het is waarlijk niet goed zich zoo maar te dompelen in zijn

verdriet en aan niets anders te denken. U mag dat niet doen. U moet

flinker zijn en u uit uw leed oprichten. Iedereen heeft verdriet. Kom,

belooft u me, dat u voortaan flinker zal worden.

--Ik ben niet flink, ik ben zoo zwak! snikte zij. Ik ben gebroken,

gebroken....

Er klonk zulk een hopelooze krachteloosheid uit hare woorden, dat hij

niet wist wat te zeggen. Maar hij vloeide over van medelijden, een

medelijden, gemengd met een wanhoop, dat hij niets voor haar doen kon

en dat hij dit gevoelde. En hij wilde haar troosten, wat het kostte.

--Neen! sprak hij vast. U is niet gebroken. Dat is een fraze. U

is jong, u heeft een leven voor u. Breek met uw verleden, vergeet

uw verleden.

--O, hoe kan dat! snikte zij. Hoe zou dat mogelijk kunnen zijn!

Hij wist, dat hijzelve een fraze gezegd had. Hij begreep, dat de

smart van een verleden voor altijd brandmerken kon.

--Ik heb zoo een medelijden met u! herhaalde hij. Zoo een medelijden,

als ik nooit voor iemand gevoeld heb!

--Dat is nog het eenige, dat u voor me doen kan! riep zij

hartstochtelijk uit. Heb medelijden met me, dat doet me zoo goed! U

heeft immers gezegd, dat u me reeds kende voor u me gezien had,

dat ik voor u was als een onbekend zusje?

Hij was opgestaan, hij legde de handen op haar teedere schouders en

zag haar aan.

--Zeker! sprak hij hartelijk en zij had voor hem kunnen sterven van

innige genegenheid. En nu is u mij niet meer onbekend. En alles wat

ik voor u doen kan, zal ik doen. U moet me maar veel vertellen. Ik

zal u wel flink maken.

Hij klopte haar even op den schouder, als een kameraad. In haar hart

bliksemde een groote spijt op: dat zij elkander niet eerder hadden

leeren kennen. Wat was het haar een zoet genot geweest zich voor hem

verlaagd, hem vergiffenis gevraagd te hebben!

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 163 / 188 题