VI.

St. Clare wist niet, hoe lang hij te Brussel zou blijven.

Van uit Brussel wilde hij namelijk Mechelen, Antwerpen, Brugge, Gent

zien. Tante Elize vond hem een zeer innemende persoonlijkheid maar

keurde het af, dat hij des winters reisde in het Noorden. Zij hield

ook veel van reizen, maar niet van kou lijden. St. Clare lachte en

beweerde, dat noch hij, noch Vincent kou leden.

Vincent vergezelde hem, hoewel niet geregeld, wanneer hij uit de stad

ging. Zoo gingen er soms dagen om, dat de Vere's de beide vrienden

niet zagen. Dan sprak men veel over hen met de zonderlinge kennissen,

die des avonds om elf uur een visite kwamen maken. De graaf meende

eens vroeger een St. Clare gekend te hebben, een soort van chevalier

d'industrie en ried de Vere's aan op hunne hoede te zijn. Oom Daniël

echter haalde de schouders op en Eline verpletterde den graaf onder

een zwijgende minachting en trok zich om twaalf uur terug in hare

slaapkamer, waar zij de hooge schreeuwende stem van de blonde dame

in het rood fluweel en het gelach van Elize hoorde doorklinken.

Het geraas van die orgie verhinderde haar, trots de druppels, te

slapen. Maar hoewel zij niet sliep en het daarginds niet rustig was,

gevoelde zij toch iets van een rust in zichzelve. De gedachte aan

St. Clare bracht haar een kalmte aan, nog weldadiger dan de koele

fluïde van haren dokter. Er scheen in de wereld nog iets anders te

zijn dan huichelarij; er scheen ook nog vriendschap, toewijding,

in één woord, waarheid te zijn.

St. Clare en Vincent bleven een week weg en Eline verlangde naar

hen. Toen zij kwamen was het de dag vóor Oudejaarsavond en Elize

vroeg hen beiden morgen terug te komen. Zij gaf dan eene soirée,

eene groote soirée.

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 160 / 188 题