St. Clare wist niet, hoe lang hij te Brussel zou blijven.
Van uit Brussel wilde hij namelijk Mechelen, Antwerpen, Brugge, Gent
zien. Tante Elize vond hem een zeer innemende persoonlijkheid maar
keurde het af, dat hij des winters reisde in het Noorden. Zij hield
ook veel van reizen, maar niet van kou lijden. St. Clare lachte en
beweerde, dat noch hij, noch Vincent kou leden.
Vincent vergezelde hem, hoewel niet geregeld, wanneer hij uit de stad
ging. Zoo gingen er soms dagen om, dat de Vere's de beide vrienden
niet zagen. Dan sprak men veel over hen met de zonderlinge kennissen,
die des avonds om elf uur een visite kwamen maken. De graaf meende
eens vroeger een St. Clare gekend te hebben, een soort van chevalier
d'industrie en ried de Vere's aan op hunne hoede te zijn. Oom Daniël
echter haalde de schouders op en Eline verpletterde den graaf onder
een zwijgende minachting en trok zich om twaalf uur terug in hare
slaapkamer, waar zij de hooge schreeuwende stem van de blonde dame
in het rood fluweel en het gelach van Elize hoorde doorklinken.
Het geraas van die orgie verhinderde haar, trots de druppels, te
slapen. Maar hoewel zij niet sliep en het daarginds niet rustig was,
gevoelde zij toch iets van een rust in zichzelve. De gedachte aan
St. Clare bracht haar een kalmte aan, nog weldadiger dan de koele
fluïde van haren dokter. Er scheen in de wereld nog iets anders te
zijn dan huichelarij; er scheen ook nog vriendschap, toewijding,
in één woord, waarheid te zijn.
St. Clare en Vincent bleven een week weg en Eline verlangde naar
hen. Toen zij kwamen was het de dag vóor Oudejaarsavond en Elize
vroeg hen beiden morgen terug te komen. Zij gaf dan eene soirée,
eene groote soirée.