V.

Er verliepen eenige weken, toen oom Daniël van Vincent een tweeden

brief uit Parijs kreeg. Na eenige dagen verschenen de twee vrienden

op een achtermiddag en zij bleven dineeren. Oom en Elize vroegen hen,

uit beleefdheid, te logeeren, maar St. Clare weigerde vriendelijk:

zij hadden reeds hunne kamers genomen in het Hôtel des Flandres.

Vincent was niets veranderd in zijn uiterlijk en in zijn gebaren

en Eline bespeurde op eens, toen zij beiden, staande, praatten en

zij zich naast hem, in den spiegel, weêrkaatst zag, dat zij oud was

geworden. Hij, keurig en elegant gekleed, was de zelfde van voor

twee jaren; zelfs scheen zijn gelaat naast het hare, zoo geel bleek,

hol en mager, gezonder dan zij het ooit gezien had. Zij, in hare

zwarte kant, eene stof, die zij tegenwoordig steeds placht te dragen,

geleek met hare ingevallen schouders en hare sombere, doffe oogen een

ruïne van hare vroegere schitterende jeugd. Een ruïne van binnen als

van buiten....

Lawrence St. Clare maakte aanstonds een zeer aangenamen indruk, zoowel

op Elize, als op Eline. Als Amerikaan had Eline zich hem eenigszins

ruw en zonder manieren voorgesteld,--misschien wel spuwende, vloekende

en om whisky vragende,--en zij werd aangenaam verrast door zijne

innemende, gemakkelijke wijze van zijn. Groot en zwaar gebouwd met

zijn vollen, donkerblonden baard, die hem op de borst hing, blonk er

trotschheid uit zijne heldere oogen, maar eene trotschheid, die, zonder

een zweem van aanmatiging, van kracht en vasten wil getuigde. Die

kracht, die vastheid van wil gaven hem iets onafhankelijks, iets

bijna koninklijks, iets als een fiere oprechtheid, die vertrouwen

inboezemde. Ofschoon Eline vroeger van Vincent slechts nu en dan iets

over St. Clare had vernomen, scheen het haar, zoodra zij eenige woorden

met hem gewisseld had, dat zij hem lang gekend had. Zijn open glimlach,

zijn zachte, doordringende oogen boeiden haar en wekten haar op, en het

trof haar eensklaps, toen zij aan tafel een blik over allen, die daar

zaten, weidde, hoe hij van eene rustige, gezonde waarheid straalde,

waarbij de hoffelijkheid van oom, de schuimachtige, lichtzinnige

oppervlakkigheid van Elize, de nevelachtige melancholie van Vincent

en van haarzelve als huichelarij en ziekelijke bedorvenheid afstaken.

Na het diner ging men koffie drinken in de groote zaal, en Eline

gevoelde zich tevreden in St. Clare's gezelschap, en hoopte, dat

niemand van de andere kennissen hen dien avond zou komen storen. Toch

sprak St. Clare haar niet veel toe: Elize nam hem geheel en al in

beslag en vroeg hem honderd uit over New-York, over Philadelphia en

Saint-Louis. Hij antwoordde haar in het Fransch en sprak langzaam,

met een vreemd accent, dat Eline aangenaam streelde.

Vincent had haar bij beide handen genomen en haar opmerkzaam

aangestaard. Hij was haar dankbaar voor wat zij hem vroeger gedaan

had en iets als medelijden vervulde hem nu.

--Ik heb wel een beetje aan je verloren, Elly! sprak hij, terwijl zij

in het balcon ging zitten. Je moet een beetje zien aan te dikken, hoor!

Zij lachte even en de punt van haar schoentje frommelde zenuwachtig

in de mollige, witte schapenvacht van het tapijt.

--Het is niets! zeide zij. Ik voel me nog al wel in den laatsten

tijd. Ik ben heusch erger geweest.... En ik ben heel blij je weêr

eens te zien, heel blij. Je weet, ik heb je altijd nog al mogen lijden.

Zij stak hem gul de hand toe en hij drukte die en schoof zijn fauteuil

een weinig dichter bij de hare.

--En wat zeg je van Lawrence? vroeg hij. Bevalt hij je?

--Ja, hij is een goede kerel, geloof ik, niet waar?

--Hij is de eenige man, dien ik in de wereld ken, als iemand waarop

je staat kan maken. Ik vertrouw niemand, niemand, zie je, zelfs jou

niet, zelfs mezelven niet, maar hem wel.... Wat spreekt hij grappig

Fransch, hè?

--Hij spreekt het heel goed! antwoordde Eline.

--O, je kan niet begrijpen, hoeveel hij over heeft voor iemand,

van wien hij houdt! ging Vincent vertrouwelijk voort. Als ik je

vertelde, wat hij al niet voor mij heeft gedaan, zou je het niet

willen gelooven. Ik zou niet aan iedereen willen vertellen, wat hij

me gedwongen heeft van hem te accepteeren, en zelfs nu ik er jou

over spreek, schaam ik mij er wel een beetje over. Je moet weten,

dat ik in New-York zwaar ziek ben geweest, heel lang en tot op den

dood toe. Ik had toen nog eene betrekking aan het zelfde handelshuis,

waarin hij zijn geld heeft. Hij heeft me toen in zijn huis opgenomen

en me verzorgd, bijna zoo lief als jij het gedaan hebt. Ik weet

waarlijk niet, waarmeê ik zijn vriendschap verdiend heb, en ik kan

hem die vriendschap nooit goed maken. Toch geloof ik, dat ik alles

voor hem over zou hebben. Als er een greintje goed in me is, is

dit door zijn invloed in me gekomen. Terwijl ik ziek was heeft hij

weten te bewerken, dat mijn plaats--ik was tweede boekhouder--alleen

tijdelijk door een ander werd vervuld, zoodat ik niet op zwart zaad

zat, toen ik tel-quel hersteld was. Maar nu onlangs kreeg hij het

idee te gaan reizen: hij kende weinig van Europa, en hij beweerde,

dat mijn betrekking me eigenlijk te zwaar was.... Enfin, in éen woord,

hij inviteerde mij met hem meê te gaan. Ik heb eerst geweigerd, omdat

ik reeds zooveel verplichtingen aan hem had, maar hij drong aan en

ik gaf toe. Hij wil van den winter tot Petersburg en Moskou gaan en

den aanstaanden zomer in het zuiden van Europa ronddwalen. Je weet,

ik heb altijd nogal veel her- en derwaarts getrokken, en ik ben blij

hem hier en daar eenigszins tot gids te kunnen zijn. Maar zoo chic

als ik nu reis, heb ik het nooit gedaan. We hebben overal het beste en

het fijnste en niets is goed genoeg. We nemen het er van, begrijp je.

Hij hield op, een weinig vermoeid van zijn lang gefluister.

--Zooveel sympathie heeft hij dus voor je? sprak Eline zacht. Hoe

curieus! Ik ken hem natuurlijk niet, maar ik zou toch zeggen, dat

hij geheel en al het contrast is van jou, Vincent.

--Dat is hij ook, daar heb je gelijk in. Misschien juist daarom

houdt hij van mij. Hij beweert ten minste altijd, dat ik beter ben,

dan iedereen en ikzelve me vinden. Dat is ten minste troostelijk,

niet waar?

--Hij vindt je misschien interessant, zooals Elize mij! sprak Eline,

haars ondanks met een schamper lachje. Maar zij gevoelde, nu zij

St. Clare op haar toe zag komen, eenig zelfverwijt als had zij

hem onrecht gedaan. Hoe kon zij de fiere waarheid, welke van hem

uitstraalde, vergelijken met de luchtige kilte van Elize!

Elize was druk in de weer met haar liqueuren en zij vroeg Vincent,

of hij kirsch of curaçao dronk of misschien cognac wilde. Vincent

nam bij haar en bij oom Daniël, die om den haard zaten, plaats,

terwijl St. Clare zich in de vensterbank zette, bij Eline.

--En u is dus het lieve nichtje, waarvan Vincent me zooveel verteld

heeft? Het nichtje, dat hem zoo goed heeft opgepast? vroeg hij met

een glimlach, terwijl hij zijn handen in de zakken stak en zijne

heldere oogen doordringend in die van Eline zagen.

Eline had het op de lippen hem te zeggen, dat Vincent verhaald had,

hoe hij, St. Clare, eveneens goed zieken kon oppassen, maar zij

bedacht zich: het was wellicht niet goed hem te laten blijken, dat

Vincent reeds zooveel over hem gesproken had, op dien eersten avond.

--Ja, dat ben ik, ik heb hem opgepast! antwoordde zij, in het

Fransch. Zij sprak goed Engelsch, maar zijn Fransch behaagde haar zoo,

dat zij hem niet vroeg of hij liever Engelsch sprak.

--Dat was in Den Haag, niet waar?

--Ja, in Den Haag. Hij logeerde toen bij mijn zwager.

--En u was daar ook in huis bij uw zwager, niet waar?

Hij scheen haar eenigszins te willen uitvragen, maar de wijze waarop

hij het deed, had zoo weinig van onbescheidenheid en zooveel van

belangstelling, dat zij niet gekrenkt werd.

--Ja, antwoordde zij. Had Vincent u dat gezegd?

--Juist. Vincent sprak dikwijls over u.

Zijn woorden gaven haar den indruk, alsof hij veel van haar leven

wist. Na haar vlucht uit het huis van Henk en Betsy, had zij Vincent

geschreven; hij, St. Clare, wist dus zeker van die vlucht.

--En u heeft veel gereisd? vervolgde hij.

--O ja, met oom en tante. Heel veel. U denkt nu ook veel te reizen,

hoor ik?

--Van den winter tot in Rusland toe.

Beiden zwegen zij een pooze. Het scheen Eline, alsof zij elkaâr veel

te verhalen hadden en niet wisten waarmede te beginnen. Het had haar

geschenen, alsof zij hem reeds lang kende, en nu bleek het, dat ook

hij haar reeds kende. Zij waren geen vreemden meer voor elkander.

--Houdt u veel van Vincent? vroeg zij.

--Heel veel. Ik heb veel medelijden met hem. Wanneer hij een flinker

gezondheid had gehad, was hij een buitengewoon man geworden. Er zit

energie, werkkracht in hem en hij heeft een ruimen blik over veel

zaken. Maar zijn lichamelijke zwakte belemmert hem in iets vol te

houden en iets tot stand te brengen. De meeste menschen kennen Vincent

niet. Ze denken, dat hij lui, grillig, egoïst is en ze willen niet

inzien, dat hij alleen maar ziek is. Ik geef het den beste werkzaam

en standvastig te zijn, en zijn gaven en talenten de wereld ten nutte

te maken als hij half stervende is van zwakte.

Zij had Vincent nooit zoo beschouwd, zij had alleen een onberedeneerde

sympathie voor hem gevoeld.

--Ik geloof wel, dat u gelijk heeft! sprak zij na een korte pauze. Maar

zal zoo een verre reis nu niet vermoeiend zijn voor Vincent? Rusland,

in den winter?

--O neen. Een koud klimaat is opwekkend voor zijn gestel. En hij

behoeft zich niet te vermoeien. Ik wil zelfs niet eens, dat hij alles

meêdoet, wat ik van plan ben te doen. Tegen sporen kan hij. Hij trekt

dus zijn pels aan en gaat in een waggon zitten, dat is alles.

Zij vermoedde uit zijn halve woorden, zooals zij het uit haar gesprek

met Vincent vermoed had, dat St. Clare hem met alle mogelijke gemakken

omringde.

--Ik geloof, dat u nog al goedhartig is! kon zij niet nalaten te

zeggen.

Hij zag haar even verbaasd aan.

--Hoe komt u daar zoo op? vroeg hij lachend.

--Dat weet ik niet! antwoordde zij, en zij bloosde en lachte een

weinig. Men krijgt van iemand een zekeren indruk, niet waar? Misschien

vergis ik me wel.

Hij maakte een onbestemd gebaar met de hand. In hare laatste woorden

was een tintje van coquetterie, dat haar, nu zij gesproken had,

ergerde.

--U sprak zooeven van energie, van wilskracht, hernam zij. En u

geloofde dat, wanneer men ziek is, het te vergeven is, wanneer men

geen energie en werkkracht heeft.

--Natuurlijk. Wat bedoelt u?

Hij had iets doortastends, iets alsof hij steeds recht op zijn doel

afging, en dit bracht haar in verwarring. Met Vincent had zij zich

weleer in nevelachtige, filozofische gesprekken verdiept, gesprekken,

waarvan de zinnen als spiralen rook waren geweest, die zich grillig

en toevallig ontkronkelden en verbreidden. Gesprekken, waarin zij

beiden niet hadden geweten, op welk doel zij mikten. Hij, St. Clare,

maakte haar van streek met zijn: "wat bedoelt u?"

--Ik bedoel, antwoordde zij onzeker, of u aan iemand, die ... die veel

verdriet heeft gehad, niet nog veel meer zoudt vergeven, dat hij geen

energie, geen werkkracht had, dan.... dan bijvoorbeeld aan Vincent,

die alleen maar ziekelijk is.

Hij zag haar een pooze vast aan.

--Wanneer hij getracht had energiek te zijn, en onder zijn poging

bezweken was, ja, anders niet. Niet wanneer hij zich willoos had laten

medesleepen door de omstandigheden, met de gedachte dat er niets te

doen is tegen iemands noodlot. Dat fatalisme heeft Vincent ook. En

er is niets zoo ontzenuwend als dat fatalisme. Het leven zou in een

moreelen dood ontaarden, wanneer een ieder ging zitten, de handen in

den schoot legde en dacht: Nu kome, wat komen wil.

Hare gedachten dwarrelden een weinig; zij wist niet wat zij dacht.

Had zij energie gehad? Had zij zich laten medesleepen? Zij wist het

niet. Zijn kracht drukte haar neêr en verhinderde haar na te denken.

--Maar als die persoon geleden had, vooral geleden had uit berouw

over wat hij eens deed? fluisterde zij bijna smeekend, met een

vochtigen glans in hare oogen, en haar voet trippelde zenuwachtig in

de schapenvacht, hare vingers slingerden met het zwarte medaillon. Zijn

blik werd zeer zacht, overvol van medelijden.

--Dan.... o ja, dan zou hem alles te vergeven zijn! fluisterde hij

met eene ontfermende geruststelling.

Maar die ontferming maakte haar verlegen: het werd haar opeens,

of zij zich geheel had bloot gegeven en dingen gezegd had, die men

niet zeide; het werd haar of zij geen kracht had gehad zich in hare

terughoudendheid te verschuilen.

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 159 / 188 题