Er verliepen eenige weken, toen oom Daniël van Vincent een tweeden
brief uit Parijs kreeg. Na eenige dagen verschenen de twee vrienden
op een achtermiddag en zij bleven dineeren. Oom en Elize vroegen hen,
uit beleefdheid, te logeeren, maar St. Clare weigerde vriendelijk:
zij hadden reeds hunne kamers genomen in het Hôtel des Flandres.
Vincent was niets veranderd in zijn uiterlijk en in zijn gebaren
en Eline bespeurde op eens, toen zij beiden, staande, praatten en
zij zich naast hem, in den spiegel, weêrkaatst zag, dat zij oud was
geworden. Hij, keurig en elegant gekleed, was de zelfde van voor
twee jaren; zelfs scheen zijn gelaat naast het hare, zoo geel bleek,
hol en mager, gezonder dan zij het ooit gezien had. Zij, in hare
zwarte kant, eene stof, die zij tegenwoordig steeds placht te dragen,
geleek met hare ingevallen schouders en hare sombere, doffe oogen een
ruïne van hare vroegere schitterende jeugd. Een ruïne van binnen als
van buiten....
Lawrence St. Clare maakte aanstonds een zeer aangenamen indruk, zoowel
op Elize, als op Eline. Als Amerikaan had Eline zich hem eenigszins
ruw en zonder manieren voorgesteld,--misschien wel spuwende, vloekende
en om whisky vragende,--en zij werd aangenaam verrast door zijne
innemende, gemakkelijke wijze van zijn. Groot en zwaar gebouwd met
zijn vollen, donkerblonden baard, die hem op de borst hing, blonk er
trotschheid uit zijne heldere oogen, maar eene trotschheid, die, zonder
een zweem van aanmatiging, van kracht en vasten wil getuigde. Die
kracht, die vastheid van wil gaven hem iets onafhankelijks, iets
bijna koninklijks, iets als een fiere oprechtheid, die vertrouwen
inboezemde. Ofschoon Eline vroeger van Vincent slechts nu en dan iets
over St. Clare had vernomen, scheen het haar, zoodra zij eenige woorden
met hem gewisseld had, dat zij hem lang gekend had. Zijn open glimlach,
zijn zachte, doordringende oogen boeiden haar en wekten haar op, en het
trof haar eensklaps, toen zij aan tafel een blik over allen, die daar
zaten, weidde, hoe hij van eene rustige, gezonde waarheid straalde,
waarbij de hoffelijkheid van oom, de schuimachtige, lichtzinnige
oppervlakkigheid van Elize, de nevelachtige melancholie van Vincent
en van haarzelve als huichelarij en ziekelijke bedorvenheid afstaken.
Na het diner ging men koffie drinken in de groote zaal, en Eline
gevoelde zich tevreden in St. Clare's gezelschap, en hoopte, dat
niemand van de andere kennissen hen dien avond zou komen storen. Toch
sprak St. Clare haar niet veel toe: Elize nam hem geheel en al in
beslag en vroeg hem honderd uit over New-York, over Philadelphia en
Saint-Louis. Hij antwoordde haar in het Fransch en sprak langzaam,
met een vreemd accent, dat Eline aangenaam streelde.
Vincent had haar bij beide handen genomen en haar opmerkzaam
aangestaard. Hij was haar dankbaar voor wat zij hem vroeger gedaan
had en iets als medelijden vervulde hem nu.
--Ik heb wel een beetje aan je verloren, Elly! sprak hij, terwijl zij
in het balcon ging zitten. Je moet een beetje zien aan te dikken, hoor!
Zij lachte even en de punt van haar schoentje frommelde zenuwachtig
in de mollige, witte schapenvacht van het tapijt.
--Het is niets! zeide zij. Ik voel me nog al wel in den laatsten
tijd. Ik ben heusch erger geweest.... En ik ben heel blij je weêr
eens te zien, heel blij. Je weet, ik heb je altijd nog al mogen lijden.
Zij stak hem gul de hand toe en hij drukte die en schoof zijn fauteuil
een weinig dichter bij de hare.
--En wat zeg je van Lawrence? vroeg hij. Bevalt hij je?
--Ja, hij is een goede kerel, geloof ik, niet waar?
--Hij is de eenige man, dien ik in de wereld ken, als iemand waarop
je staat kan maken. Ik vertrouw niemand, niemand, zie je, zelfs jou
niet, zelfs mezelven niet, maar hem wel.... Wat spreekt hij grappig
Fransch, hè?
--Hij spreekt het heel goed! antwoordde Eline.
--O, je kan niet begrijpen, hoeveel hij over heeft voor iemand,
van wien hij houdt! ging Vincent vertrouwelijk voort. Als ik je
vertelde, wat hij al niet voor mij heeft gedaan, zou je het niet
willen gelooven. Ik zou niet aan iedereen willen vertellen, wat hij
me gedwongen heeft van hem te accepteeren, en zelfs nu ik er jou
over spreek, schaam ik mij er wel een beetje over. Je moet weten,
dat ik in New-York zwaar ziek ben geweest, heel lang en tot op den
dood toe. Ik had toen nog eene betrekking aan het zelfde handelshuis,
waarin hij zijn geld heeft. Hij heeft me toen in zijn huis opgenomen
en me verzorgd, bijna zoo lief als jij het gedaan hebt. Ik weet
waarlijk niet, waarmeê ik zijn vriendschap verdiend heb, en ik kan
hem die vriendschap nooit goed maken. Toch geloof ik, dat ik alles
voor hem over zou hebben. Als er een greintje goed in me is, is
dit door zijn invloed in me gekomen. Terwijl ik ziek was heeft hij
weten te bewerken, dat mijn plaats--ik was tweede boekhouder--alleen
tijdelijk door een ander werd vervuld, zoodat ik niet op zwart zaad
zat, toen ik tel-quel hersteld was. Maar nu onlangs kreeg hij het
idee te gaan reizen: hij kende weinig van Europa, en hij beweerde,
dat mijn betrekking me eigenlijk te zwaar was.... Enfin, in éen woord,
hij inviteerde mij met hem meê te gaan. Ik heb eerst geweigerd, omdat
ik reeds zooveel verplichtingen aan hem had, maar hij drong aan en
ik gaf toe. Hij wil van den winter tot Petersburg en Moskou gaan en
den aanstaanden zomer in het zuiden van Europa ronddwalen. Je weet,
ik heb altijd nogal veel her- en derwaarts getrokken, en ik ben blij
hem hier en daar eenigszins tot gids te kunnen zijn. Maar zoo chic
als ik nu reis, heb ik het nooit gedaan. We hebben overal het beste en
het fijnste en niets is goed genoeg. We nemen het er van, begrijp je.
Hij hield op, een weinig vermoeid van zijn lang gefluister.
--Zooveel sympathie heeft hij dus voor je? sprak Eline zacht. Hoe
curieus! Ik ken hem natuurlijk niet, maar ik zou toch zeggen, dat
hij geheel en al het contrast is van jou, Vincent.
--Dat is hij ook, daar heb je gelijk in. Misschien juist daarom
houdt hij van mij. Hij beweert ten minste altijd, dat ik beter ben,
dan iedereen en ikzelve me vinden. Dat is ten minste troostelijk,
niet waar?
--Hij vindt je misschien interessant, zooals Elize mij! sprak Eline,
haars ondanks met een schamper lachje. Maar zij gevoelde, nu zij
St. Clare op haar toe zag komen, eenig zelfverwijt als had zij
hem onrecht gedaan. Hoe kon zij de fiere waarheid, welke van hem
uitstraalde, vergelijken met de luchtige kilte van Elize!
Elize was druk in de weer met haar liqueuren en zij vroeg Vincent,
of hij kirsch of curaçao dronk of misschien cognac wilde. Vincent
nam bij haar en bij oom Daniël, die om den haard zaten, plaats,
terwijl St. Clare zich in de vensterbank zette, bij Eline.
--En u is dus het lieve nichtje, waarvan Vincent me zooveel verteld
heeft? Het nichtje, dat hem zoo goed heeft opgepast? vroeg hij met
een glimlach, terwijl hij zijn handen in de zakken stak en zijne
heldere oogen doordringend in die van Eline zagen.
Eline had het op de lippen hem te zeggen, dat Vincent verhaald had,
hoe hij, St. Clare, eveneens goed zieken kon oppassen, maar zij
bedacht zich: het was wellicht niet goed hem te laten blijken, dat
Vincent reeds zooveel over hem gesproken had, op dien eersten avond.
--Ja, dat ben ik, ik heb hem opgepast! antwoordde zij, in het
Fransch. Zij sprak goed Engelsch, maar zijn Fransch behaagde haar zoo,
dat zij hem niet vroeg of hij liever Engelsch sprak.
--Dat was in Den Haag, niet waar?
--Ja, in Den Haag. Hij logeerde toen bij mijn zwager.
--En u was daar ook in huis bij uw zwager, niet waar?
Hij scheen haar eenigszins te willen uitvragen, maar de wijze waarop
hij het deed, had zoo weinig van onbescheidenheid en zooveel van
belangstelling, dat zij niet gekrenkt werd.
--Ja, antwoordde zij. Had Vincent u dat gezegd?
--Juist. Vincent sprak dikwijls over u.
Zijn woorden gaven haar den indruk, alsof hij veel van haar leven
wist. Na haar vlucht uit het huis van Henk en Betsy, had zij Vincent
geschreven; hij, St. Clare, wist dus zeker van die vlucht.
--En u heeft veel gereisd? vervolgde hij.
--O ja, met oom en tante. Heel veel. U denkt nu ook veel te reizen,
hoor ik?
--Van den winter tot in Rusland toe.
Beiden zwegen zij een pooze. Het scheen Eline, alsof zij elkaâr veel
te verhalen hadden en niet wisten waarmede te beginnen. Het had haar
geschenen, alsof zij hem reeds lang kende, en nu bleek het, dat ook
hij haar reeds kende. Zij waren geen vreemden meer voor elkander.
--Houdt u veel van Vincent? vroeg zij.
--Heel veel. Ik heb veel medelijden met hem. Wanneer hij een flinker
gezondheid had gehad, was hij een buitengewoon man geworden. Er zit
energie, werkkracht in hem en hij heeft een ruimen blik over veel
zaken. Maar zijn lichamelijke zwakte belemmert hem in iets vol te
houden en iets tot stand te brengen. De meeste menschen kennen Vincent
niet. Ze denken, dat hij lui, grillig, egoïst is en ze willen niet
inzien, dat hij alleen maar ziek is. Ik geef het den beste werkzaam
en standvastig te zijn, en zijn gaven en talenten de wereld ten nutte
te maken als hij half stervende is van zwakte.
Zij had Vincent nooit zoo beschouwd, zij had alleen een onberedeneerde
sympathie voor hem gevoeld.
--Ik geloof wel, dat u gelijk heeft! sprak zij na een korte pauze. Maar
zal zoo een verre reis nu niet vermoeiend zijn voor Vincent? Rusland,
in den winter?
--O neen. Een koud klimaat is opwekkend voor zijn gestel. En hij
behoeft zich niet te vermoeien. Ik wil zelfs niet eens, dat hij alles
meêdoet, wat ik van plan ben te doen. Tegen sporen kan hij. Hij trekt
dus zijn pels aan en gaat in een waggon zitten, dat is alles.
Zij vermoedde uit zijn halve woorden, zooals zij het uit haar gesprek
met Vincent vermoed had, dat St. Clare hem met alle mogelijke gemakken
omringde.
--Ik geloof, dat u nog al goedhartig is! kon zij niet nalaten te
zeggen.
Hij zag haar even verbaasd aan.
--Hoe komt u daar zoo op? vroeg hij lachend.
--Dat weet ik niet! antwoordde zij, en zij bloosde en lachte een
weinig. Men krijgt van iemand een zekeren indruk, niet waar? Misschien
vergis ik me wel.
Hij maakte een onbestemd gebaar met de hand. In hare laatste woorden
was een tintje van coquetterie, dat haar, nu zij gesproken had,
ergerde.
--U sprak zooeven van energie, van wilskracht, hernam zij. En u
geloofde dat, wanneer men ziek is, het te vergeven is, wanneer men
geen energie en werkkracht heeft.
--Natuurlijk. Wat bedoelt u?
Hij had iets doortastends, iets alsof hij steeds recht op zijn doel
afging, en dit bracht haar in verwarring. Met Vincent had zij zich
weleer in nevelachtige, filozofische gesprekken verdiept, gesprekken,
waarvan de zinnen als spiralen rook waren geweest, die zich grillig
en toevallig ontkronkelden en verbreidden. Gesprekken, waarin zij
beiden niet hadden geweten, op welk doel zij mikten. Hij, St. Clare,
maakte haar van streek met zijn: "wat bedoelt u?"
--Ik bedoel, antwoordde zij onzeker, of u aan iemand, die ... die veel
verdriet heeft gehad, niet nog veel meer zoudt vergeven, dat hij geen
energie, geen werkkracht had, dan.... dan bijvoorbeeld aan Vincent,
die alleen maar ziekelijk is.
Hij zag haar een pooze vast aan.
--Wanneer hij getracht had energiek te zijn, en onder zijn poging
bezweken was, ja, anders niet. Niet wanneer hij zich willoos had laten
medesleepen door de omstandigheden, met de gedachte dat er niets te
doen is tegen iemands noodlot. Dat fatalisme heeft Vincent ook. En
er is niets zoo ontzenuwend als dat fatalisme. Het leven zou in een
moreelen dood ontaarden, wanneer een ieder ging zitten, de handen in
den schoot legde en dacht: Nu kome, wat komen wil.
Hare gedachten dwarrelden een weinig; zij wist niet wat zij dacht.
Had zij energie gehad? Had zij zich laten medesleepen? Zij wist het
niet. Zijn kracht drukte haar neêr en verhinderde haar na te denken.
--Maar als die persoon geleden had, vooral geleden had uit berouw
over wat hij eens deed? fluisterde zij bijna smeekend, met een
vochtigen glans in hare oogen, en haar voet trippelde zenuwachtig in
de schapenvacht, hare vingers slingerden met het zwarte medaillon. Zijn
blik werd zeer zacht, overvol van medelijden.
--Dan.... o ja, dan zou hem alles te vergeven zijn! fluisterde hij
met eene ontfermende geruststelling.
Maar die ontferming maakte haar verlegen: het werd haar opeens,
of zij zich geheel had bloot gegeven en dingen gezegd had, die men
niet zeide; het werd haar of zij geen kracht had gehad zich in hare
terughoudendheid te verschuilen.