IV.

Zoo ging het leven voort en Eline schikte er zich zooveel mogelijk

in. Zij hoestte nog zeer, maar zij gevoelde zich desniettemin

betrekkelijk tevreden. Elize, al ratelde zij, scheen van haar te

houden en oom Daniël, al was zijn galante hoffelijkheid wat koud,

eveneens. Wel kreeg zij soms het vermoeden, dat zij huichelden, zooals

ook iedereen in Den Haag gehuicheld had, maar zij wilde dezen twijfel

niet analyzeeren. Heure hersenen sluimerden in, als in eene lethargie.

Geheel onverwachts kreeg oom Daniël een brief van Vincent Vere,

uit New-York. Zij hielden geen correspondentie en oom was ietwat

verbaasd. Eline, wier briefwisseling met haren neef niet van langen

duur was geweest, gevoelde echter, nu zijn naam onverwachts haar in

de ooren klonk, eene groote belangstelling in zich herleven; zij was

zeer nieuwsgierig wat oom van het epistel zou mededeelen. Misschien

vroeg Vincent wel om geld.

Maar hierin vergiste Eline zich. Vincent vroeg om geen geld, zelfs

niet om recommandatie of andere hulp. Vincent deelde eenvoudig mede,

dat hij met zijn vriend Lawrence St. Clare een reis dacht te doen

naar Europa en kondigde oom hun komst te Brussel aan. Zij zouden van

Liverpool, over Londen, naar Parijs gaan en vervolgens te Brussel

komen. Wanneer oom zijn brief ontving, waren zij op zee.

Deze brief wekte Eline eenigszins op uit hare geestelijke

lethargie. Zij herinnerde zich, hoe Vincent, kwijnende van zwakte,

op haren divan had gelegen, in zijn Turkschen chambercloak, en

hoe zij hem verpleegd had. De gedachte aan Otto mengde zich in die

herinnering en zenuwachtig zochten hare vingers dan het medaillon

van zwart email, aan hare horlogeketting. Had zij zich niet verbeeld,

dat Vincent haar liefhad en dat zij Vincent liefhad. Vond zij nu nog

iets van die gevoelens in haar hart terug? Neen die gevoelens waren

ver, ver weg als vogels, die waren weggezweefd.

Oom en Eline spraken een weinig over Vincent en zwegen toen over

hem. Maar Eline bleef, hoewel zwijgend, veel over hem en zijn

Amerikaanschen vriend denken. Zij herinnerde zich het portret van

St. Clare gezien te hebben, toen het uit zijn brief aan Vincent

gevallen was, dien dag waarop zij aan tafel zoo tegen Otto had

uitgevaren.... Aan Vincent had zij gevraagd, of St. Clare blond of

bruin was, maar zij herinnerde zich niet wat hij geantwoord had. Zij

herinnerde zich ook niet meer St. Clare's trekken. Zij was zeer

nieuwsgierig naar hen beiden.

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 158 / 188 题