Zoo ging het leven voort en Eline schikte er zich zooveel mogelijk
in. Zij hoestte nog zeer, maar zij gevoelde zich desniettemin
betrekkelijk tevreden. Elize, al ratelde zij, scheen van haar te
houden en oom Daniël, al was zijn galante hoffelijkheid wat koud,
eveneens. Wel kreeg zij soms het vermoeden, dat zij huichelden, zooals
ook iedereen in Den Haag gehuicheld had, maar zij wilde dezen twijfel
niet analyzeeren. Heure hersenen sluimerden in, als in eene lethargie.
Geheel onverwachts kreeg oom Daniël een brief van Vincent Vere,
uit New-York. Zij hielden geen correspondentie en oom was ietwat
verbaasd. Eline, wier briefwisseling met haren neef niet van langen
duur was geweest, gevoelde echter, nu zijn naam onverwachts haar in
de ooren klonk, eene groote belangstelling in zich herleven; zij was
zeer nieuwsgierig wat oom van het epistel zou mededeelen. Misschien
vroeg Vincent wel om geld.
Maar hierin vergiste Eline zich. Vincent vroeg om geen geld, zelfs
niet om recommandatie of andere hulp. Vincent deelde eenvoudig mede,
dat hij met zijn vriend Lawrence St. Clare een reis dacht te doen
naar Europa en kondigde oom hun komst te Brussel aan. Zij zouden van
Liverpool, over Londen, naar Parijs gaan en vervolgens te Brussel
komen. Wanneer oom zijn brief ontving, waren zij op zee.
Deze brief wekte Eline eenigszins op uit hare geestelijke
lethargie. Zij herinnerde zich, hoe Vincent, kwijnende van zwakte,
op haren divan had gelegen, in zijn Turkschen chambercloak, en
hoe zij hem verpleegd had. De gedachte aan Otto mengde zich in die
herinnering en zenuwachtig zochten hare vingers dan het medaillon
van zwart email, aan hare horlogeketting. Had zij zich niet verbeeld,
dat Vincent haar liefhad en dat zij Vincent liefhad. Vond zij nu nog
iets van die gevoelens in haar hart terug? Neen die gevoelens waren
ver, ver weg als vogels, die waren weggezweefd.
Oom en Eline spraken een weinig over Vincent en zwegen toen over
hem. Maar Eline bleef, hoewel zwijgend, veel over hem en zijn
Amerikaanschen vriend denken. Zij herinnerde zich het portret van
St. Clare gezien te hebben, toen het uit zijn brief aan Vincent
gevallen was, dien dag waarop zij aan tafel zoo tegen Otto had
uitgevaren.... Aan Vincent had zij gevraagd, of St. Clare blond of
bruin was, maar zij herinnerde zich niet wat hij geantwoord had. Zij
herinnerde zich ook niet meer St. Clare's trekken. Zij was zeer
nieuwsgierig naar hen beiden.