III.

Maar vooral boeiden haar de gesprekken, die zij wisselde met oom

Daniëls dokter, een man van onzekeren leeftijd, zeer beleefd van

manieren, zeer kiesch van woorden, en die haar steeds met groote

belangstelling scheen gade te slaan. Zij gevoelde zich in den aanvang

een weinig bevreesd voor die belangstelling, als zou hij iets in haar

doorgronden, dat haarzelve onbewust was en dat eene schande zou blijken

te zijn. Maar er ging iets als een magnetische invloed op haar uit:

zij gevoelde zich als gebiologeerd door zijn vasten, vriendelijk

doordringenden blik, en weldra vroeg zij hem vaak, wanneer zij aan

hoofdpijn leed, of hij even zijne koele hand vóór haar voorhoofd

wilde houden. Hij had dit eens uit zichzelven gedaan en het was Eline

aanstonds geweest of een verfrisschende, versterkende stroom door heure

gloeiende hersens was gevloeid. Sedert verslaafde zij als het ware aan

de koele fluïde van die hand, die haar zelfs niet aanraakte, maar die

een kouden bries door haar verhit hoofd scheen te kunnen laten waaien.

Eline had hem gesproken over hare slapelooze nachten en hij had willen

pogen haar, naar hij zeide, alleen door zijn wil te laten slapen,

maar zij had hem gesmeekt, haar niet geheel en al tot een niets te

maken. Zij had reeds zoo weinig wil; zij was bevreesd een geheel en al

willoos wezen te worden, zoo hij haar zóo, zelfs in zijne afwezigheid,

zou kunnen beheerschen. Daarop had hij haar morfinedrankjes gegeven,

druppels, die zeer duur waren, die hijzelve gemengd had, en die

hijzelve haar telde in een glas water. Zij brachten haar des nachts,

zoolang zij nog wakker lag, in een zacht suizende extase, waarin zij

van hare kussens, uit heure lakens scheen op te zweven langs deinende,

blauwe luchtstroomen, die haar als golven wiegelden.

Maar daarna zonk zij, tot laat in den morgen, in doffe rust neêr. En

zij roemde oom Daniëls dokter zeer; hij wist een zoo heilzamen invloed

op haar uit te oefenen als Reijer nooit vermocht had te doen; hij

wist ten minste haar te laten slapen.

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 157 / 188 题