II.

Elize vond haar indolent, maar zij, ze genoot van haar nietsdoen. Zij

gaf zich geheel en al over aan hare moede loomheid. Zij bleef meestal

thuis, voor haar hoest, zooals zij voorwendde, maar inderdaad om

haar dag te verdroomen op de Turksche kussens van den grooten stoel

bij het vuur. Zij deed moeite aan niets te denken, zooals Elize, en

in zeker opzicht slaagde zij in deze studie. Alleen werd het haar,

of zij op iets wachtte, wachtte....

Hoewel zij weinig uitging, zag zij toch velerlei menschen. Telkens

bracht oom Daniël een vriend of een paar vrienden, somtijds vergezeld

door hunne vrouwen, mede, en zij bleven steeds eten. Aan Eline

was de côterie, waarin zij tegenwoordig leefde, niet geheel en al

vreemd; dikwijls herkende zij de zelfde lieden, die zij gedurende

haar eerste verblijf te Brussel, vóor hare groote reis, ook in het

huis haars ooms gezien had, maar zij kon zich niet aan hen wennen;

zij behielden steeds iets vreemds voor haar, dat haar zoowel afstuitte

als boeide. In Den Haag was zij steeds gewend geweest aan een côterie

van gelijk- en gelijkvormige menschen; trots hun verschil van fortuin,

van éen zelfde denkwijze over zeden en fatsoen, menschen, die hoffelijk

beleefdheden wisselden, elkander op diners en soirées vroegen en elkaâr

visites maakten. Men had in die côterie onderlinge maatschappelijke

verplichtingen: men scheen die hier niet te hebben. Ze hoorde soms

vreemde theorieën verdedigen, theorieën, die men bij Betsy of bij de

Eekhofs zelfs niet geuit zou hebben. Ze gevoelde zich niet thuis bij

die lieden, welke allen als een stempel van emancipatie droegen en

toch boezemden zij haar belang in door hunne exotische tint.

Het was zeker een zonderling samenraapsel, die vrienden van oom

Daniël. Nu was het een graaf die en die, dien oom te dineeren

gevraagd had en dien Eline met verbazing zag binnentreden, en frac,

met een twijfelachtig schoon plastron, diamanten knoopjes en groote

camee-ringen aan de vingers. De graaf droeg een lange zwarte lok

op het voorhoofd, had een knap maar eenigszins verflenst uiterlijk

en was dichter. Hij bood Eline een exemplaar van zijn dichtbundel

aan, benevens een bundel van overgedrukte recensiën, waarin hij

zeer geroemd werd. Men zeide, dat hij rijk was, en Elize vond hem

geestig. Eline echter gevoelde iets als walging, wanneer zij hem de

hand moest geven. Dan was het een acteur, en Eline vroeg zich ontsteld

af, of zij wellicht Fabrice nog eens in dezen kring ontmoeten zou. Een

volgenden keer kwam er een groot juwelier, met eene kolossale, dikke,

blonde vrouw, gekleed in het rood fluweel, zeer gefardeerd. Maar

soms ook waren het de Moulangers en de Des Luynes, die uit Parijs of

Bordeaux kwamen en in wie Eline met vreugde een bekend element van

distinctie terug vond.

Deze beide families uitgezonderd, welke slechts van tijd tot tijd

verschenen, waren die vreemde kennissen veel over den vloer. Zij

kwamen òf eten, òf om elf uur des avonds, wanneer Eline zich reeds

bereidde naar bed te gaan. Zij bleven dan tot half drie, drie uur;

er werd gerookt, en er werd champagne gedronken en Elize rookte meê

en lachte zeer luid. Oom Daniël lag glimlachend en wat moê in een

stoel en Eline kreeg vaak het vermoeden, dat die zonderlinge kennissen

allen hem van eenig nut waren. Eline had ook nooit begrepen, hoe oom,

zonder ooit iets uitgevoerd te hebben, aan zijn geld was gekomen. Maar

zij dacht er niet over na: zij dacht over niets, als Elize, en zij

liet zich door dit leven, zoo zeer verschillend van het leven in de

salons heurer Haagsche kennissen, in zekere mate boeien.

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 156 / 188 题