Elize vond haar indolent, maar zij, ze genoot van haar nietsdoen. Zij
gaf zich geheel en al over aan hare moede loomheid. Zij bleef meestal
thuis, voor haar hoest, zooals zij voorwendde, maar inderdaad om
haar dag te verdroomen op de Turksche kussens van den grooten stoel
bij het vuur. Zij deed moeite aan niets te denken, zooals Elize, en
in zeker opzicht slaagde zij in deze studie. Alleen werd het haar,
of zij op iets wachtte, wachtte....
Hoewel zij weinig uitging, zag zij toch velerlei menschen. Telkens
bracht oom Daniël een vriend of een paar vrienden, somtijds vergezeld
door hunne vrouwen, mede, en zij bleven steeds eten. Aan Eline
was de côterie, waarin zij tegenwoordig leefde, niet geheel en al
vreemd; dikwijls herkende zij de zelfde lieden, die zij gedurende
haar eerste verblijf te Brussel, vóor hare groote reis, ook in het
huis haars ooms gezien had, maar zij kon zich niet aan hen wennen;
zij behielden steeds iets vreemds voor haar, dat haar zoowel afstuitte
als boeide. In Den Haag was zij steeds gewend geweest aan een côterie
van gelijk- en gelijkvormige menschen; trots hun verschil van fortuin,
van éen zelfde denkwijze over zeden en fatsoen, menschen, die hoffelijk
beleefdheden wisselden, elkander op diners en soirées vroegen en elkaâr
visites maakten. Men had in die côterie onderlinge maatschappelijke
verplichtingen: men scheen die hier niet te hebben. Ze hoorde soms
vreemde theorieën verdedigen, theorieën, die men bij Betsy of bij de
Eekhofs zelfs niet geuit zou hebben. Ze gevoelde zich niet thuis bij
die lieden, welke allen als een stempel van emancipatie droegen en
toch boezemden zij haar belang in door hunne exotische tint.
Het was zeker een zonderling samenraapsel, die vrienden van oom
Daniël. Nu was het een graaf die en die, dien oom te dineeren
gevraagd had en dien Eline met verbazing zag binnentreden, en frac,
met een twijfelachtig schoon plastron, diamanten knoopjes en groote
camee-ringen aan de vingers. De graaf droeg een lange zwarte lok
op het voorhoofd, had een knap maar eenigszins verflenst uiterlijk
en was dichter. Hij bood Eline een exemplaar van zijn dichtbundel
aan, benevens een bundel van overgedrukte recensiën, waarin hij
zeer geroemd werd. Men zeide, dat hij rijk was, en Elize vond hem
geestig. Eline echter gevoelde iets als walging, wanneer zij hem de
hand moest geven. Dan was het een acteur, en Eline vroeg zich ontsteld
af, of zij wellicht Fabrice nog eens in dezen kring ontmoeten zou. Een
volgenden keer kwam er een groot juwelier, met eene kolossale, dikke,
blonde vrouw, gekleed in het rood fluweel, zeer gefardeerd. Maar
soms ook waren het de Moulangers en de Des Luynes, die uit Parijs of
Bordeaux kwamen en in wie Eline met vreugde een bekend element van
distinctie terug vond.
Deze beide families uitgezonderd, welke slechts van tijd tot tijd
verschenen, waren die vreemde kennissen veel over den vloer. Zij
kwamen òf eten, òf om elf uur des avonds, wanneer Eline zich reeds
bereidde naar bed te gaan. Zij bleven dan tot half drie, drie uur;
er werd gerookt, en er werd champagne gedronken en Elize rookte meê
en lachte zeer luid. Oom Daniël lag glimlachend en wat moê in een
stoel en Eline kreeg vaak het vermoeden, dat die zonderlinge kennissen
allen hem van eenig nut waren. Eline had ook nooit begrepen, hoe oom,
zonder ooit iets uitgevoerd te hebben, aan zijn geld was gekomen. Maar
zij dacht er niet over na: zij dacht over niets, als Elize, en zij
liet zich door dit leven, zoo zeer verschillend van het leven in de
salons heurer Haagsche kennissen, in zekere mate boeien.