Daniël Vere bewoonde met zijn jonge vrouw, Elize Moulanger, in de
Avenue Louise een groot appartement. Het vertrek, waar ze het meest
vertoefden, was een soort van zaal, die met vijf ramen op straat
uitzag.
Half salon, half huiskamer was dit vertrek, hoewel in geen stijl,
artistiek-weelderig ingericht. Al schenen ook de meubelen, de
ornamenten een weinig van iedere auctie bij elkander gesleept, toch
vormden zij te zamen een geheel van aangename, zacht doffe tinten en
bevallige lijnen. Dof goudleer bedekte de wanden; het plafond was in
Moorschen stijl beschilderd met vaalbonte tinten, met goud, verwelkt
blauw, verschoten rood. Een veelarmige kaarsenkroon van kleurig
Venetiaansch glas hing er van neêr. Onder een hooge, antieke schouw
van zwaar gebeeldhouwd eikenhout, brandde een groot vuur. En overal
vulden palmen en oud porselein, Turksche en Chineesche curioziteiten,
de hoeken van het vertrek met een wanorde van artistieke grilligheid.
Het middelste, breed uitgehouwde, raam vormde een soort van inwendig
balcon, waar Elize en Eline veel zaten. Sedert een week woonde Eline
bij Daniël Vere in en zij gevoelde iets als een aangename verpoozing
in het gezelschap van haar oom en haar jeugdige tante. Haar oog werd
lieflijk gestreeld door de zacht lachende bontheid van die groote
kamer, welke een museum geleek. De moderne luxe van Betsy's salons,
vol verguldsel, peluche en satijn, scheen haar banaal en smakeloos toe,
bij deze, ietwat slordige, stoffige en toch gezellige weelde.
Het was ochtend en tante Elize, in een zonderlingen peignoir, van
grijze, Chineesche zijde, met roode kwasten, schilderde in het balcon
aan een tafel, bezaaid met verven en penseelen. Eline was huiverig
en had zich bij het groote vuur gezet, een boek in de handen. Haar
oogen dwaalden zoekend door het vertrek en een onbewust glimlachje
speelde om haar bleeken mond.
--Het is aardig, zooals je je hier hebt ingericht! sprak zij, in
het Fransch, tot Eline, die, neuriënd, haar penseel uitspoelde. Je
kan rustig hier bij den haard zitten en je kan toch de grappigste
fantazieën maken, want elk van die bibelots wekt een idée bij je op,
waarop je kan voortbrodeeren. Als je hier de kamer rondziet, is het,
alsof je reist.
Elize likte het penseel af, zag haar aan en begon te lachen.
--Wat kan je toch eigenaardige denkbeelden hebben, Eline! antwoordde
ze, terwijl ze, steeds zeer beweeglijk, opstond en heur kroezend
haar, dat altijd in de war was, even losmaakte, uitschudde en weder
samenwond. Ik heb nu al drie jaar in deze kamer gewoond, maar het
is nooit bij me opgekomen, dat ik reisde wanneer ik al die prullen
zag! Trouwens, jullie hebben allemaal zulke vreemde ideeën! Jij en
Daniël en Vincent! Het is wel amuzant; het is origineel, zie je! Maar
het is curieus, zoo curieus! Het frappeert me telkens! Is je zuster
ook zoo?
Eline zag haar even verwonderd glimlachend aan.
--Betsy? herhaalde zij nadenkend. Neen, ik geloof het niet! Betsy
is zeer practisch, zeer gedecideerd; Betsy is meer als mama was,
zij heeft niets van de Vere's.
Elize glimlachte vroolijk.
--Weet je wat het is? jullie hebben allemaal een tikje beet; bepaald
waar, jullie hebben allemaal een tikje beet! Geloof me!
Zij betuigde dit op zulk een luchtige, bijna gemoedelijke wijze,
dat Eline niet boos kon worden en even meêlachte.
--O, ik vind het wel interessant een tikje beet te hebben. Er is
niets wat me zoo terugstuit als banaliteit. Banale menschen, o! En
begrijp je: daarom hoû ik zooveel van je: je bent niet banaal, je
hebt iets origineels!
--Waarlijk? vroeg Eline, smartelijk lachend. Nu, ik verzeker je,
ik gaf er mijn halve leven voor, als ik niet origineel en niet
interessant was, maar banaal, zoo banaal mogelijk.
--Maar lieve meid! wat een verlangen. Enfin, zie je: ik vind, je moet
nooit naar iets verlangen, je moet nemen wat je krijgt en tevreden
zijn met wat je krijgt. Voilà le secret du bonheur! Jij bent origineel,
Eline; welnu, wees gelukkig met je originaliteit! Maar neen, natuurlijk
verlang je naar iets anders, en wel naar banaliteit, ah fi donc!
Zij zag Eline nieuwsgierig aan en zette zich toen eveneens bij den
haard, haar handen uitstrekkende naar het vuur.
--Zie je, ik zal je eens iets vertellen, Eline, iets wat me altijd
in je verwonderd heeft. Je bent mooi, je hebt geld genoeg om heel
onafhankelijk te zijn, en je profiteert niet van je leven! Je
droomt altijd, lieve meid, je droomt, maar je leeft niet! Was ik
in jouw geval geweest, voordat ik trouwde: ik had geleefd, ik had
genot gehad. Maar ik bezat geen cent en ik was een leelijke meid:
trouwens dat ben ik nog! Daniël vond charmes in me, en ik heb hem
geaccepteerd. Natuurlijk! Maar was ik, als jij, mooi geweest en had
ik een beetje geld gehad, ik had me geamuzeerd.... zonder Daniël, zie
je! Met wien! Dat zou ik je op het oogenblik niet kunnen zeggen, maar
geamuzeerd had ik me! En jij, o mais c'est une pitié! Je verveelt je,
je verkwijnt van verveling! Het is doodjammer, zie je. In éen woord,
je bent een raadsel voor me! Maar dat bekoort me juist!
Eline glimlachte weemoedig en antwoordde niet.
--Enfin, ik weet je geschiedenis niet, alleen weet ik, dat je in een
storm het huis van je zuster hebt verlaten! Dat doet niet iedereen,
zie je, dat vind ik grappig. Daar is iets in! Zeker, ik vermoed,
dat je een roman in je leven gehad hebt! Ach, wie heeft er geen
gehad. Misschien wel een liefdesroman. Maar dan beklaag ik je, kind,
want dan ben je dom geweest.
Zij hield even op: misschien wilde Eline iets antwoorden. Maar Eline
bleef zwijgen.
--Je moet me niet verkeerd begrijpen! vervolgde zij in het genot,
dat haar vlug geratel haarzelve verschafte. Ik vind: liefde moet
iets aangenaams blijven; zoodra ik er mijn zielsrust door verloor,
zou ik niet meer liefhebben! Aan het bestaan van een enkele vlam,
die geen andere bijvlammetjes duldt, geloof ik niet. Dat is
iets onmogelijks. Zie maar zelf... ik heb steeds hier te Brussel
gewoond. Daniël woonde hier ook, we hebben elkaâr ontmoet. We hebben
elkaâr zoogenaamd liefgekregen, we zijn gaan trouwen.... goed. Stel,
dat ik in Lapland gewoond had en Daniël aan de Zuidpool. We hadden
elkaar nooit gezien, en we hadden beiden iemand anders bemind; ik
een Eskimo, en hij een Zuidpoolsche. Natuurlijk, niet waar? Liefde is
toeval en een mensch kan honderdmaal liefhebben in zijn leven.... Wat
ben je stil, ik verveel je toch niet?
--Integendeel! lachte Eline. Ik geniet, als je zoo ratelt...
Elize lachte ook, goedsmoeds.
--Enfin ja.... ik ratel wel een beetje. Maar daarin heb ik gelijk, dat
jij niet van je leven geniet. Denk daar eens over na, heusch, kindlief,
denk daar eens over na; je bent nog jong genoeg om je te veranderen.
Eline wist, dat er niets aan haar te veranderen was; zij was steeds,
willoos, van een hellend vlak gedaald, zij was steeds naar omlaag
geduwd, en hoewel zij den afgrond had zien gapen, had zij nooit omhoog
kunnen stijgen.
--Maar weet je wat ik geloof, dat je fout is? Je bent te gevoelig,
je trekt je te veel aan. Wapen je toch met een groote dosis
onverschilligheid in den strijd van het leven. Zie je, we zijn nu
eenmaal in het leven, we moeten leven, we moeten meê. Laten we het
ons dus zoo aangenaam mogelijk maken. Jij.... je hebt er de middelen
toe. Je hebt voor kind noch kraai te zorgen, je zou kunnen leven
voor je eigen genot. Maar je denkt te veel en veel denken maakt
ongelukkig. Ik? ik denk nooit. Ik heb impulsies, ik heb invallende
gedachten, maar ik denk niet. Gelukkig niet. Ik filozofeer nu, maar
ik denk niet.
Hare zorgelooze luchtigheid vermaakte Eline, die iets gevoelde,
als zou Elize gelijk kunnen hebben. Maar zij, Eline, was nu eenmaal
anders; zij kon nu eenmaal niet hare melancholie, die haar in heur
merg scheen gevloeid te zijn, van zich afwerpen en zij gevoelde
het: zij zou sterven zonder te hebben genoten.... zooals Elize het
bedoelde. Zij verlangde ook niet zulk een genot: zij had hooger genot
gekend, zij was gelukkig geweest met hem, Otto.