Eline begreep, dat deze sombere samenleving niet kon duren. Iets, dat
zij niet had kunnen omschrijven, ergerde haar in mevrouw Van Raat en
in heur huis. Onwillekeurig liet Eline zich door haar kribbige kuren
medesleepen om der oude vrouw harde, driftige woorden toe te voegen,
soms zonder de minste aanleiding. Mevrouw zag haar slechts even
weemoedig aan en Eline gevoelde oogenblikkelijk, hoe zij ongelijk
had. Soms was zij dan te trotsch dit ongelijk te willen bekennen en
sprak zij, in een bouderie, die vaak een dag duurde, nauwelijks een
enkel woord.
Maar soms was zij zoo overvol van berouw, dat zij zich snikkend op
hare knieën wierp, heur hoofd in mevrouws schoot legde en om vergeving
bad. Mevrouwtje moest er maar niet op letten, als zij, Eline, zulke
akelige buien had; zij wist zelve niet wat die waren, zij kon ze niet
bedwingen; o, ze waren als duivels, die haar willoos meêslierden!
Mevrouw weende eveneens, kuste haar en ... den volgenden dag sleurden
dezelfde duivels Eline opnieuw willoos meê....
Het ging niet meer, dacht Eline. Zij schreef een langen brief aan oom
Daniël en Elize, een brief, waarin zij veel van hare ziel neêrlegde,
zooveel als zij vroeger, in hare achterhoudendheid, nooit zou gewaagd
hebben te doen. Zij schreef, dat zij zich, hoe lief mevrouw Van
Raat ook was, diep ongelukkig voelde, en dat zij sterven zou van
melancholie, zoo zij langer bij haar bleef. Zij smachtte naar een
andere omgeving. Oom Daniël kwam in Den Haag, sprak met mevrouw Van
Raat en met Eline, en vroeg Eline, zonder van den brief te reppen,
in het bijzijn der oude vrouw, of zij de familie te Brussel geheel
en al vergat en of zij hen niet eens wilde opzoeken.
Eline wist niet wat te beslissen, maar mevrouw zelve drong er met
hare treurige stem op aan, dat Eline ooms verzoek niet zou afslaan,
en dat zij naar Brussel zou gaan. Oom bepaalde nu, dat Eline twee
dagen daarna hem zou vergezellen.
Toen Daniël Vere vertrokken was, bleef mevrouw Van Raat, als
verpletterd onder een zware teleurstelling, roerloos neêrgezeten en
heur grijs hoofd viel met starende oogen haar nog matter dan anders
op de borst. Overmorgen zou Eline haar verlaten! Dat was dus het
einde harer verwachtingen! Zij had, hoe zwak zij ook was, gehoopt
dit jonge leven ten nutte te zijn en die doffe jeugd levenslust in
te blazen en...--zij ried dit--Eline verflauwde al meer en meer,
Eline verlangde naar afwisseling! Hoe had zij, oude vrouw, zoo groote
aanmatiging kunnen koesteren!
Eline zag dit stille leed, en een groote wanhoop maakte zich van haar
meester, een wanhoop over haar egoïsme. Zij had niet aan mevrouw
gedacht, toen zij oom Daniël geschreven had: zij had slechts aan
zichzelve gedacht en zij deed nu mevrouw leed door haar vertrek,
terwijl zij overtuigd was, dat zijzelve, na hare verwisseling van
woonplaats, de zelfde zou blijven, die zij, verwelkt van lichaam en
ziel, sedert een tweetal jaren was.
--Moesje! riep zij eensklaps weenend uit. Doet het je veel verdriet,
dat ik weg ga? Zeg, hadt je me nog langer bij u willen houden, met
mijn ondankbaarheid en mijn drift?
Zij liet zich op een kussen aan mevrouws voeten neêr en zoende haar
hand. Mevrouw streek Eline zacht over het voorhoofd.
--Verdriet.... verdriet doet het me, ja Elly! stamelde zij. Maar toch
is het beter dat je gaat. Niet, dat ik je niet zou kunnen verdragen,
al ben je niet altijd meer lief tegen me. O, als ik wist, dat je
nog tevreden bij me zou kunnen zijn, dan zou ik je niet zeggen: ga
weg. Maar nu zeg ik: ga, mijn arm kind, ga.... en kom bij me terug,
wanneer je wilt.
Eline snikte.
--O, ik weet zoo goed, dat het alles mijn fout is! kreet zij
smartelijk. U is zoo lief, u heeft alles voor me over en het eerste
harde woord moet ik nog van u hooren. U zou me willen bederven
als uw eigen kind. En ik stoot u af met mijn opvliegendheid en mijn
bitsheid... O, het is wel vreeslijk, dat ik ben zooals ik ben! Ik zou
zoo gaarne anders willen zijn! Vroeger zou ik het heerlijk gevonden
hebben door u bedorven te worden, maar nu... nu kan het me niet
schelen! Niet dat ik niet van u hou; ik hou van u het meest van
alle menschen die ik ken, maar ziet u: niets kan me meer schelen,
niets, niets!
--Foei, Eline! Je mag zoo niet spreken....
--O, ik weet het wel, dat ik slecht ben! Maar is het mijn schuld? Zou
ik niet liever goed en vriendelijk en tevreden willen zijn? Ik kan me
niet veranderen! U zegt wel eens, dat ik moest bidden, dat mij dat zou
verluchten.... Wel, ik ben naar de kerk geweest, en het heeft mij niet
verlucht... En zoo bidden als u doet, dat kan ik niet! Vroeger wel,
vroeger heb ik wel eens zoo om iets gebeden, maar dat gebed is niet
verhoord geworden....
Zij dacht aan dien nacht op de Horze, waarin zij gesmeekt had, dat
haar geluk, haar geluk met Otto, zich niet zou omwenden, en zij liet
zich door de gedachte verder voortsleepen.
--Ik zal u vertellen wat dat was! vervolgde zij met een heesche stem
en hoestend, terwijl zij opstond en langzaam, bijna droomend, door de
kamer liep, hare magere handen wringende met een gebaar, alsof zij
kilkoud waren. Ik was gelukkig, zoo gelukkig, als ik nooit vermoed
had te kunnen worden. Het was alles zoo mooi om me heen, zoo rustig
en stil, iedereen was goed en vriendelijk voor me.... Ik begreep
niet, waarmeê ik zulk een groot geluk verdiende en toen--nu voel
ik dat duidelijk--toen ben ik de vrees gaan voeden, dat het anders
kon worden. Toen heb ik God gebeden, dat het toch zoo blijven zou,
dat mooie geluk. En van dat oogenblik af, van het oogenblik af, dàt
ik ben gaan vreezen en dàt ik gebeden heb, is het anders geworden;
is het, heel langzaam aan, anders geworden. Ik zie dat nu zoo goed
in! Ik had niet moeten twijfelen, niet moeten vreezen en niet moeten
bidden! Ziet u, daarom kan, daarom wil ik niet meer bidden....
Zij viel in een zenuwachtig geween op de canapé neêr, stond aanstonds
weêr op, gejaagd en schrikachtig. Onrustig flikkerden hare oogen en
hare vingeren betastten telkens een vaas of een mandje, rafelden
de franje der gordijnen uit of trokken arabesken op de beslagen
spiegelruiten. Het was haar eensklaps, als ontwaakte zij uit een
droom en zij herinnerde zich niet meer, wat zij gezegd had.
--U heeft me zeker niet begrepen? vroeg zij twijfelend aan mevrouw,
wier treurige blik haar overal had nagestaard.
--Ik... ik geloof... het wel! stamelde de oude vrouw, met een stille
ontzetting om dat verspeelde geluk.
Eline zag haar wezenloos aan. Even gevoelde zij groot berouw over
hare halve bekentenis, die zij zich niet meer herinnerde, maar de
sympathie, welke uit mevrouws oogen straalde, stelde haar gerust.
--U heeft me begrepen? U heeft me begrepen, waarom ik niet meer
gelukkig kan worden? vroeg zij smartelijk en viel nogmaals op het
voetkussen neêr.
Mevrouw antwoordde niet, maar sloeg, de oogen vol tranen, haar arm
om Eline's hals en kuste haar. Beiden bleven zoo zwijgend.
--En kan u me dan eenigszins vergeven, dat ik u verlaat....
--O, waarom blijf je niet bij me?
--Ik ben u tot verdriet, en geef u niet de minste vreugde. Ik kan
niets voor u doen.... u kan niets voor mij doen.
Ja, het was wel waar. Mevrouw kon niets voor haar doen. Niemand kon
iets voor haar doen.
Zij hadden elkaâr niets meer te zeggen. Zij begrepen beiden dat
zij elkander den last van het leven niet konden helpen dragen, dat
zij elkander niet tot troost konden zijn. Maar mevrouw twijfelde er
ook aan, of oom Daniël en Elize Eline tot troost zouden zijn. En al
spraken zij niet meer, toch hield mevrouw Eline in haar arm omvat,
tegen haar borst aan.
Het werd donker en daar de kachel uitging, begon een kille ijzigheid de
kamers te vullen. Vale schaduwen noopten zich in de hoeken, tusschen
de meubels op. Hoewel mevrouw huiverde, verrees zij niet om naar de
kachel te zien of om de meid te bellen, want Eline was, met heur hoofd
tegen mevrouws knie in slaap gevallen. Nu Eline's oogen gesloten waren,
zou het, zonder de zware ademhaling, die de fletse lippen overtoog,
mevrouw hebben toegeschenen, dat Eline gestorven ware. De wasachtige
gele bleekte van dat ingevallen gelaat was als een doodskleur....
Eline sliep en het werd killer. Mevrouw zag naar de kachel om; er was
geen vuur meer te bespeuren. Zij nam zeer langzaam de wollen pelerine,
die zij steeds gewoon was te dragen, van den schouder en spreidde
die voorzichtig over Eline uit.
Hoofdstuk XXXIII.