Dokter Reijer had er nogmaals uitdrukkelijk bij Eline op aangedrongen,
dat zij zich bezigheden zou scheppen, dat zij niet in loome melancholie
zich vermijmeren zou van den vroegen morgen tot den laten avond. Eline
verontschuldigde zich over hare traagheid door de schuld te werpen
op de warmte van den zomer die haar verpletterde. Nu de bladeren
afvielen, nu de eerste herfstkoelte haar frisch in het gelaat woei,
scheen het haar, dat zij ruimer ademde, gevoelde zij zich opgewekter
en verklaarde zij beslist, dat zij bezigheid zou zoeken. Mevrouw Van
Raat bleef haar steeds bezorgd aanzien, want met Eline's grootere
opgewektheid was tevens haar kuch teruggekomen, een dof krijschende
kuch, die zich uit hare keel scheen op te wringen. Intusschen kleedde
zij zich tegenwoordig weêr met meer behaagzieke zorgvuldigheid dan
zij dien zomer gedaan had, en studeerde zij ijverig op de nieuwe
Bechstein. Maar de muziek was haar geene bezigheid genoeg: zij zocht
deze elders.
Hoewel zij hare vroegere kennissen een weinig verwaarloosde, ontmoette
zij ze toch een enkele maal in de salons van Betsy. Uit verveling
had ze daar met een oude freule Eekhof, een tante van Ange en Léonie,
afspraak gemaakt om den volgenden Zondag gezamenlijk naar de Fransche
kerk te gaan. Zij had dit in geen jaren gedaan en des Zaterdags drukte
de belofte haar nogal zwaar op de schouders, zoodat zij op het punt
was Freule Eekhof een briefje te schrijven. Mevrouw Van Raat drong er
echter op aan, dat Eline gaan zou en Eline ging. Er preekte een nieuwe
predikant met groote, zwarte, dwepende oogen en aristocratische,
witte handen. Eline kwam in een extaze thuis en verhaalde mevrouw
Van Raat opgewonden van de preek, waarnaar zij aandachtig geluisterd
had. Zij betreurde het slechts in zichzelve, dat een Protestantsche
kerk zoo kaal en leeg was, en dat men er zoo slecht zong; zij had
gaarne Katholiek willen zijn: hare ziel zou op een Ave Maria of een
Gloria in Excelsis als op vleugelen van melodie omhoog zijn gestegen;
zij zou bij de heilige transformatie in den mystieken glans van het
altaar, gesidderd hebben van zaligheid en de wierrook zou haar met
een geur van theatrale vroomheid hebben bezwijmeld.
Maar zij was niet Katholiek, en zij troostte zich met hare Fransche
kerk. Zij ging nu vaak met freule Eekhof er des Zondags heen;
weldra was het haar een gewoonte geworden en nam zij er hare vaste
plaats. Zij groette er hare kennissen met een strak, ernstig gezichtje,
met een zacht smeltenden blik en een gesloten treurig mondje, en men
verwonderde zich er algemeen over, dat Eline Vere vroom was geworden.
Freule Eekhof was in het bestuur van vele damesvereenigingen en
zij had weinig overredingskracht noodig om Eline over te halen
lid te worden van Tesselschade en bij te dragen voor de Chrèches
en Licht-Liefde-Leven. Zelfs werd zij, op raad van freule Eekhof,
gekozen in het dagelijksch bestuur der kinderbewaarplaatsen en had
zij er een vasten dag van bezigheid. Zij ijverde eene week lang voor
een Fancy-fair, hoewel zijzelve niet verkoopen wilde. En dikwijls
haalde freule Eekhof haar over tot het bezoeken van armen.
Een maand lang vond zij in deze vroomheid en filantropie genoegen. Toen
verveelde haar de eentonigheid der zalvende woorden van den
predikant en kon zij vooruit voorspellen, hoe hij zou hemelen met
zijn oogen wanneer men zong, of welk gebaar zijne blanke hand zou
maken, wanneer hij den zegen uitsprak. Het gezang ontzenuwde haar,
daar zij het om zich heen uit schorre en ongeoefende kelen hoorde op
krijschen. De eenvoud van de witte muren, van den preêkstoel en der
houten zitbanken prikkelde meer en meer hare ergernis. Zij begon te
vermoeden, dat al die menschen, welke daar gekomen waren om gesticht
te worden, huichelden. De zalving van den predikant was gehuichel,
de deftigheid der diakenen gehuicheld; freule Eekhof, naast haar,
huichelde en zijzelve had gehuicheld met hare smeltende oogen en heur
ernstig gelaat.
Door freule Eekhof hoorde zij van oneenigheden en kleine twisten der
bestuurderessen dier verschillende vereenigingen, en zij twijfelde nu
ook of zij inderdaad het goede wilden. Zij haatte thans de filantropie,
waardoor nijd en jaloezie gluurden, en zij kon niet meer gelooven aan
de oprechtheid dier dames, zelfs niet aan de oprechtheid van die, welke
haar sympathie hadden ingeboezemd. Een ieder huichelde en had geheime
drijfveeren, een ieder was egoïst en dacht slechts om zichzelve, onder
den schijn van anderen te willen helpen. Zij had niet kunnen zeggen
welke die drijfveeren waren maar ze bestonden, bij elk dier dames!
Van de armen, welke zij met de freule bezocht, walgde zij nu na die
maand. De muffe benauwdheid hunner onzindelijke, kleine kamertjes,
geheel hunne ellende en hun gebrek beklemde haar de keel; zij zou
gestikt zijn had zij éen dag in zulke vuile bekrompenheid moeten
ademen. En evenals zij de dames-bestuurderessen niet vertrouwde,
vertrouwde zij thans de haveloosheid dier armen niet. Er speelden haar
verhalen van rijke bedelaars door den geest: zij had ergens gelezen,
dat er in Londen bedelaars leefden, die schatten bezaten en des avonds
feesten gaven met stroomen champagne en schoone vrouwen. Al deze armen,
welke zij met freule Eekhof ondersteunde, hadden juweelen en goud in
hunne walgelijke matrassen genaaid; hunne overdreven dankbaarheid,
zelfs hunne onverschillige lompheid was gehuichel.
En hoewel zij lid bleef der vereenigingen en freule Eekhof vaak geld
ter hand stelde voor eene zieke weduwe of een blinden orgelman, ging
zij niet meer naar de kerk en naar die vieze menschen en nam zij haar
ontslag uit het dagelijksch bestuur der Crèches.
De winter kwam en Eline bleef, om haren hoest, zeer veel thuis bij
mevrouw Van Raat. In doffe werkeloosheid sleepte zich de eene dag
na den anderen voort, onveranderlijk, eentonig. Voor de honderdste
maal in haar leven vroeg Eline zich af, waarom zij leven moest,
indien zij niet gelukkig kon worden!
Na de teleurstelling harer filantropie en vroomheid, vertrouwde zij
niemand meer. Zij zag om zich rond en zij geloofde niet, dat Georges en
Lili van elkander hielden, en met elkander gelukkig waren; het kon niet
anders of zij moesten zich in elkander bedrogen hebben en nu huichelden
zij, om dit te verbergen. Zij geloofde niet, dat Betsy gelukkig was,
al was zij rijk, want hoe zou het mogelijk zijn, dat zij van Henk
hield, en dat zij niet smachtte naar een hartstochtelijke liefde! Zij
geloofde nu ook niet, dat Otto haar ooit had lief gehad; hoe had hij
dit kunnen doen, terwijl zijn karakter zoo geheel verschillend was
van het hare! Zelfs kwam er een oogenblik, waarin hare achterdocht
zoo hoog steeg, dat zij niet meer gelooven kon, dat mevrouw Van Raat
onbaatzuchtig van haar hield, mevrouw Van Raat had gehoopt een lieve
dame de compagnie in haar te vinden en zij, Eline, viel nu zeker
tegen. Mevrouw Van Raat huichelde, zooals ieder huichelde.
Vroeger zou Eline zich met zulke bittere gevoelens tot stervens
toe wanhopig hebben gevoeld, maar nu was er zooveel in hare ziel
afgesleten, dat zelfs die bittere gevoelens haar niet prikkelden. Zij
bleef er onverschillig onder; het deerde haar niet, dat het leven
éen groote leugen was; zij vermocht er niets aan te veranderen,
zij zou meêliegen.
Ten minste wanneer het niet anders kon, wanneer men haar opwekte tot
een emotie, tot "leven". Anders zou zij blijven neêrliggen in haar
onverschilligheid als in een verdoovende rust.
Zoo dacht zij en zij dwong hare jeugd onder het juk dier apathie te
buigen. Zij gaf zich geheel en al over aan die apathie. Zij verloor
zelfs hare innemendheid, zij wekte zelfs bij hare kennissen geen
medelijden meer op, zij werd stug en afstuitend.
Bijna den geheelen morgen placht zij te bed te blijven, en hoewel
mevrouw Van Raat dit afkeurde, liet zij Eline desniettemin haar
ontbijt op heure kamer brengen, omdat Eline anders niet zou ontbijten.
Dikwijls liet Eline het echter onaangeroerd staan. Was zij opgestaan,
dan kon zij niet besluiten zich aan te kleeden; zij hulde zich slechts
in haren peignoir, viel op den divan neêr of bleef wezenloos op
een stoel uit het venster staren. Eindelijk, omstreeks twaalf uur,
kwam zij beneden, moê van een verweekende loomheid, die heel haar
lichaam als een lauw vocht doorvloeide. Reijer kwam en dwong haar
uit te gaan, trots regen, wind en sneeuw, maar hoewel zijzelve naar
buitenlucht snakte, ging zij òf niet, òf zij keerde na vijf minuten
huiswaarts. Hoestend sleepte zij zich van een stoel bij het raam naar
een stoel bij de kachel. Zij rilde en haar vingers waren steeds als
ijs. Een starende blik van glas tintelde in hare oogen en hare lippen
sloten zich met een ontevreden trek op elkaâr.
Mevrouw Van Raat verloor al haren goeden moed in dit, zich uitputtende,
leven eenigen levenslust op te wekken. Zooals zij vermoed had, toen
Reijer haar zijne gedachten had medegedeeld: de taak, die zij zoo
gaarne had willen vervullen, was haar te zwaar. Hare hoop zonk weg;
zelve viel zij in hare doffe neêrslachtigheid, in de grijze nevels
harer melancholie terug, en er gingen uren om, dat de oude vrouw
en het jonge meisje, in het zelfde vertrek gezeten, geen woord met
elkander wisselden, beiden verloren in een hopelooze mijmering.