VIII.

Na een week kwam Jet met vacantie thuis van de kostschool te Bonn. De

Van Stralenburgen vertrokken naar Zwolle en in hun plaats kwamen de

Howards uit Londen. Maar in weêrwil van de drukte dier wisselende

gasten, in weêrwil van Mathilde's sympathie, gevoelde Frédérique

zich eenzaam en zij vroeg aan Théodore en aan Truus of deze haar

toestonden Marie Verstraeten te logeeren te vragen. Noch Théodore

noch Truus maakten bezwaar; in de Horze was altijd plaats, en Freddy

schreef aan haar vriendin.

Marie kwam en Frédérique ging zelve haar met den ouderwetschen panier

aan het station van Elzen afhalen. Zij mende en niettegenstaande

de volheid van haar gemoed, dat zich wenschte uit te storten,

glimlachte zij om Marie, die zeer vroolijk was en haar overstelpte

met vragen. Maar al waren zij alleen--Frédérique had den stalknecht

thuis gelaten--toch vond zij het oogenblik niet vertrouwelijk genoeg

voor een biecht. Alleen toen Marie vroeg:

--En Paul? Is hij amuzant geweest? antwoordde zij:

--Straks, straks over Paul!

En haar stem klonk zoo vreemd en verschrikt, dat Marie haar verbaasd

aanzag en nadacht. Zij vroeg als afleiding of men aan het station

voor haar koffer zou zorgen en Frédérique stelde haar gerust; de

koffer zou dadelijk gebracht worden met een kruiwagen.

Intusschen, wat Marie ook mocht vermoeden, haar vroolijkheid werd er

niet door getemperd en op de Horze aangekomen, liet zij de kinderen

op haar schoot klauteren en stoeide zij met ze. Dien nacht maakte

Marianne goedwillig plaats voor Marie, en in de groote, eikenhouten

kamer vernam Marie Freddy's geheim.

Zij zaten naast elkaâr op de ruime vensterbank, reeds ontkleed, in

hare witte nachtjaponnen, terwijl alleen een nachtlampje het holle

vertrek verlichtte, Frédérique snikte, de handen voor het gelaat,

maar Marie trok ze zacht weg.

--Maar Freddy, wanneer je van hem houdt, kan immers alles geschikt

worden. Hij zal niets liever willen, dan dàt je van hem houdt.... Ik

zal hem schrijven.

Met weenende oogen, maar kalm richtte Frédérique zich op.

--Neen, Marie.... Natuurlijk zal ik nooit toestemmen, dat je dat

doet. Ik heb hem afgewezen en ik kan mij nu niet aan hem opdringen. Ik

huil ook niet, omdat hij voor mij verloren is; ik ben alleen verdrietig

omdat ik hard ben geweest, omdat ik mij hield, als nam ik zijn vraag

niet in ernst op. Wanneer hij zich nu ongelukkig voelt, is dat mijn

schuld. En ik heb eerbied voor hem, dat hij zich na mijne weigering

zoo waardig tegen mij heeft gehouden, als ik nooit gedacht had, dat

hij zou doen. Dat bewijst, dat hij eigenwaarde heeft, zoo goed als

ik bespottelijken trots. Het bewijst, dat hij ook "zich voelt".

--En zoo zullen jullie als twee bokken tegenover elkaâr blijven staan,

omdat jullie je beiden "voelen", voer Marie uit. Allerverstandigst,

dat moet ik zeggen! Neen Freddy, wil je oprecht zijn, beken dan, dat

je zijn karakter verkeerd hebt ingezien, en maak alles goed.... Wat

leg je hem ten laste? Zijn egoïsme? Alle mannen zijn egoïst: hoe wil

je dan in 's hemelsnaam, dat hij het niet is! Dat tante Dora over hem

klaagt? Hoe wil je hebben, dat een moeder niet over een jongen, die

bij haar in huis woont, klaagt! Maar, chère amie, dit kan onmogelijk

anders! Zie het leven practisch in, zooals het is; neem een jongmensch

van zeven-en-twintig jaar, zooals hij is en niet anders zijn kan;

ik spreek natuurlijk niet van je broêrs; Otto.... is geheel bizonder,

en--voegde zij er zeer zacht bij--Otto heeft verdriet gehad, en Etienne

is een kind, een goede, lieve jongen, maar een kind.... Vergelijk Paul

dus niet met hen en beschouw Paul als iemand, die geld heeft, daarom

door de wereld bedorven wordt en zich gaarne laat bederven. Niet dat ik

met al die filozofie wil beweren, dat Paul een flink karakter heeft,

een man uit éen stuk is, volstrekt niet, maar ik verklaar er meê,

dat hij zwak is....

--Ik kan nooit van een man houden, die zwak is! antwoordde Freddy stug.

Marie sloeg hare armen om Freddy's hals.

--Freddy-lief! sprak ze. Je maakt me, na alles wat je me verteld hebt,

onmogelijk wijs, dat je niet van Paul houdt. Hij mag zwak zijn, hij

mag egoïst zijn, hij mag alles zijn wat hij wil, maar je houdt van hem.

Freddy zag haar smartelijk glimlachend aan.

--Ja! sprak ze treurig. Dat is zoo. Ik wil het niet meer ontkennen. Ik

heb het al aan Mathilde bekend; ik hou van hem met en om zijn

fouten. Aan jou bekende ik dat niet dadelijk, omdat je hem verdedigde

en omdat het mij zoo goed deed, dat je hem verdedigde.

--Laat me hem dan schrijven....

--Neen! sprak Freddy hard en zij richtte zich hoogmoedig op. Beloof

me, Marie, dat je dat nooit zal doen. Je mag geen misbruik maken van

wat ik je heb toevertrouwd. Ik heb als een dwaas mijn geluk verspeeld

en ik wil daarvoor lijden; ik wil dat!

De zomer ging om, zonder dat Paul en Freddy elkaâr meer zagen. De

Howards gingen terug naar Londen, de jongens en Jet naar kostschool,

Marie vertrok naar den Haag. Maar Freddy ontving weldra een brief

van Marie, waarin deze haar mededeelde, dat Paul geschreven had uit

Rome, waar hij met veel artisten samen was en waar hij een atelier

had gehuurd om te schilderen.

Toen de Erlevoorts echter in October in Den Haag terugkwamen, vernam

Frédérique, dat Paul niet meer schilderde, maar nu te Bodegraven

woonde, waar hij werkte op de secretarie. Hij wilde burgemeester

worden.

Hoofdstuk XXXII.

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 152 / 188 题