Na een week kwam Jet met vacantie thuis van de kostschool te Bonn. De
Van Stralenburgen vertrokken naar Zwolle en in hun plaats kwamen de
Howards uit Londen. Maar in weêrwil van de drukte dier wisselende
gasten, in weêrwil van Mathilde's sympathie, gevoelde Frédérique
zich eenzaam en zij vroeg aan Théodore en aan Truus of deze haar
toestonden Marie Verstraeten te logeeren te vragen. Noch Théodore
noch Truus maakten bezwaar; in de Horze was altijd plaats, en Freddy
schreef aan haar vriendin.
Marie kwam en Frédérique ging zelve haar met den ouderwetschen panier
aan het station van Elzen afhalen. Zij mende en niettegenstaande
de volheid van haar gemoed, dat zich wenschte uit te storten,
glimlachte zij om Marie, die zeer vroolijk was en haar overstelpte
met vragen. Maar al waren zij alleen--Frédérique had den stalknecht
thuis gelaten--toch vond zij het oogenblik niet vertrouwelijk genoeg
voor een biecht. Alleen toen Marie vroeg:
--En Paul? Is hij amuzant geweest? antwoordde zij:
--Straks, straks over Paul!
En haar stem klonk zoo vreemd en verschrikt, dat Marie haar verbaasd
aanzag en nadacht. Zij vroeg als afleiding of men aan het station
voor haar koffer zou zorgen en Frédérique stelde haar gerust; de
koffer zou dadelijk gebracht worden met een kruiwagen.
Intusschen, wat Marie ook mocht vermoeden, haar vroolijkheid werd er
niet door getemperd en op de Horze aangekomen, liet zij de kinderen
op haar schoot klauteren en stoeide zij met ze. Dien nacht maakte
Marianne goedwillig plaats voor Marie, en in de groote, eikenhouten
kamer vernam Marie Freddy's geheim.
Zij zaten naast elkaâr op de ruime vensterbank, reeds ontkleed, in
hare witte nachtjaponnen, terwijl alleen een nachtlampje het holle
vertrek verlichtte, Frédérique snikte, de handen voor het gelaat,
maar Marie trok ze zacht weg.
--Maar Freddy, wanneer je van hem houdt, kan immers alles geschikt
worden. Hij zal niets liever willen, dan dàt je van hem houdt.... Ik
zal hem schrijven.
Met weenende oogen, maar kalm richtte Frédérique zich op.
--Neen, Marie.... Natuurlijk zal ik nooit toestemmen, dat je dat
doet. Ik heb hem afgewezen en ik kan mij nu niet aan hem opdringen. Ik
huil ook niet, omdat hij voor mij verloren is; ik ben alleen verdrietig
omdat ik hard ben geweest, omdat ik mij hield, als nam ik zijn vraag
niet in ernst op. Wanneer hij zich nu ongelukkig voelt, is dat mijn
schuld. En ik heb eerbied voor hem, dat hij zich na mijne weigering
zoo waardig tegen mij heeft gehouden, als ik nooit gedacht had, dat
hij zou doen. Dat bewijst, dat hij eigenwaarde heeft, zoo goed als
ik bespottelijken trots. Het bewijst, dat hij ook "zich voelt".
--En zoo zullen jullie als twee bokken tegenover elkaâr blijven staan,
omdat jullie je beiden "voelen", voer Marie uit. Allerverstandigst,
dat moet ik zeggen! Neen Freddy, wil je oprecht zijn, beken dan, dat
je zijn karakter verkeerd hebt ingezien, en maak alles goed.... Wat
leg je hem ten laste? Zijn egoïsme? Alle mannen zijn egoïst: hoe wil
je dan in 's hemelsnaam, dat hij het niet is! Dat tante Dora over hem
klaagt? Hoe wil je hebben, dat een moeder niet over een jongen, die
bij haar in huis woont, klaagt! Maar, chère amie, dit kan onmogelijk
anders! Zie het leven practisch in, zooals het is; neem een jongmensch
van zeven-en-twintig jaar, zooals hij is en niet anders zijn kan;
ik spreek natuurlijk niet van je broêrs; Otto.... is geheel bizonder,
en--voegde zij er zeer zacht bij--Otto heeft verdriet gehad, en Etienne
is een kind, een goede, lieve jongen, maar een kind.... Vergelijk Paul
dus niet met hen en beschouw Paul als iemand, die geld heeft, daarom
door de wereld bedorven wordt en zich gaarne laat bederven. Niet dat ik
met al die filozofie wil beweren, dat Paul een flink karakter heeft,
een man uit éen stuk is, volstrekt niet, maar ik verklaar er meê,
dat hij zwak is....
--Ik kan nooit van een man houden, die zwak is! antwoordde Freddy stug.
Marie sloeg hare armen om Freddy's hals.
--Freddy-lief! sprak ze. Je maakt me, na alles wat je me verteld hebt,
onmogelijk wijs, dat je niet van Paul houdt. Hij mag zwak zijn, hij
mag egoïst zijn, hij mag alles zijn wat hij wil, maar je houdt van hem.
Freddy zag haar smartelijk glimlachend aan.
--Ja! sprak ze treurig. Dat is zoo. Ik wil het niet meer ontkennen. Ik
heb het al aan Mathilde bekend; ik hou van hem met en om zijn
fouten. Aan jou bekende ik dat niet dadelijk, omdat je hem verdedigde
en omdat het mij zoo goed deed, dat je hem verdedigde.
--Laat me hem dan schrijven....
--Neen! sprak Freddy hard en zij richtte zich hoogmoedig op. Beloof
me, Marie, dat je dat nooit zal doen. Je mag geen misbruik maken van
wat ik je heb toevertrouwd. Ik heb als een dwaas mijn geluk verspeeld
en ik wil daarvoor lijden; ik wil dat!
De zomer ging om, zonder dat Paul en Freddy elkaâr meer zagen. De
Howards gingen terug naar Londen, de jongens en Jet naar kostschool,
Marie vertrok naar den Haag. Maar Freddy ontving weldra een brief
van Marie, waarin deze haar mededeelde, dat Paul geschreven had uit
Rome, waar hij met veel artisten samen was en waar hij een atelier
had gehuurd om te schilderen.
Toen de Erlevoorts echter in October in Den Haag terugkwamen, vernam
Frédérique, dat Paul niet meer schilderde, maar nu te Bodegraven
woonde, waar hij werkte op de secretarie. Hij wilde burgemeester
worden.
Hoofdstuk XXXII.