VII.

Den volgenden morgen zou Paul vertrekken; hij had, naar hij zeide,

in Keulen zijn vriend Oudendijk, den broêr van Françoise, rendez-vous

gegeven en zij zouden van daar een reis door Duitschland of door

Zwitserland naar Italië te zamen aanvangen. Niemand bespeurde aan

hem iets bizonders; alleen aan tafel sprak hij bijtend cynisch over

verschillende onderwerpen en personen, op dien satyrischen toon,

die hem eigen was en die eene wreede, minachtende uitdrukking om

zijn blonden knevel grifte. Frédérique was stil, wat, toen men van

den tak gehoord had, aan hoofdpijn werd toegeschreven.

Toch zouden zij beiden moeilijk hebben kunnen verbergen, dat er

iets tusschen hen verbroken was, zoo dien middag de jongens,

Willy en Gustaaf, niet van kostschool waren thuis gekomen met

groote vacantie. Veertien en twaalf jaar, waren zij luidruchtig van

uitgelatenheid bij het terugzien van alles wat hun lief was; de lucht

der Horze scheen hen dronken te maken en in de dolheid hunner grappen

met Marianne, wier deftigheid hun geen ontzag inboezemde, met de Van

Rijseltjes, de kleine Van Stralenburgen en Mémée, merkte niemand op,

dat Paul en Frédérique elkaâr ontweken.

Dien avond in het groote bed, was Frédérique dankbaar, dat Marianne

lang doorkeuvelde, over Adam Bede en Romola, en Marianne's stortvloed

van wijsgeerig-psychologische aanmerkingen verhinderde Frédérique

na te denken. Den volgenden morgen nam Paul van hen allen afscheid

en ook zij stak hem hare hand toe, die hij even drukte. Er werd geen

woord meer tusschen hen gewisseld en hij vertrok.

Zwaar voelde zij zich gedrukt door haar stil verdriet en zij smachtte

het iemand mede te deelen. Niet aan Marianne; Marianne was nog zulk

een kind! Niet aan mama, mama kon hare kinderen niet zien lijden! Aan

Mathilde....

Zij zocht Mathilde en vond ze in heure zitkamer met hare vier kinderen,

op het punt een dagelijksche les te beginnen. Boeken en cahiers lagen

op tafel en Nico kraste reeds op zijn lei.

--O! verontschuldigde Freddy zich, binnentredende. Neem me niet

kwalijk, ik dacht niet aan de les! Ik had je willen spreken....

Zij wilde zich terugtrekken, maar hare teleurstelling was zoo

zichtbaar, dat Mathilde haar tegenhield.

--Waarover? vroeg zij.

Frédérique aarzelde en sloeg een blik op de kinderen.

--Ik zal straks wel terugkomen, antwoordde zij.

Mathilde echter gaf den kinderen vrijaf en zij buitelden de kamer

uit, de trap af. Frédérique begon zachtjes te snikken en Mathilde

trok haar tot zich op de bank.

--Het was onmogelijk het je niet te komen vertellen! sprak Freddy

tusschen hare snikken door. Gisterenmorgen, heeft Paul me gevraagd

en ik heb hem afgewezen!

Mathilde zag verbaasd op. Zij was gewend aan de intimiteit tusschen

Paul en Freddy en het verwonderde haar te hooren, dat zich achter

deze intimiteit, ten minste van zijn kant, liefde verstak.

--Ik geloof, dat ik hard tegen hem ben geweest, te hard! vervolgde

Freddy. Ik heb hem gekrenkt zonder het te willen. Het is vreemd,

dat men soms door iets onweêrstaanbaars gedwongen wordt woorden te

spreken, die men niet spreken wil! Ik had hem ook zonder hardheid

kunnen zeggen, dat ik niet genoeg van hem hield.... niet waar?

Zij verhaalde Mathilde, hoe zij hem verklaard had, dat zij niet aan

zijne liefde gelooven kon.

--Hadt je dan gaarne daaraan willen gelooven? vroeg Mathilde zacht

en boog heur arm om Freddy's middel.

Mathilde deed dus bijna dezelfde vraag, die Paul gedaan had! Maar

Freddy dorst zelfs bij haar zuster zich niet geheel en al uitstorten

en zij verschool zich een weinig achter haar woorden.

--Ach neen! sprak ze blozend. Dat niet; het speet me alleen later,

dat ik hem niet zachter had toegesproken, dan ik gedaan had. Waarom

had ik toen geen medelijden met hem en later wel?

Mathilde ried, dat zij niet alles zeide en Freddy zelve ontdekte zich

door er smartelijk bij te voegen:

--Hoe vreeselijk, als je iets gewichtigs doen moet en je weet niet hoe

het te doen. Ik wist niet, dat ik ooit zoo weinig zeker van mijzelve

had kunnen zijn.

Mathilde zuchtte en dof murmelde zij:

--Zeker! Het is iets verschrikkelijks een besluit te moeten nemen. Soms

neemt men een besluit in een roes van blijdschap, zonder er over

na te denken en men wordt ongelukkig; soms neemt men een besluit,

men denkt er over na, wanneer het genomen is, men komt tot andere

gedachten en niemand zal zeggen, dat men door zoo te doen gelukkig

kan worden. Soms durft men geen besluit te nemen....

Zij voltooide haar gedachte niet; zij had beurtelings gedacht aan

zichzelve, aan Eline en aan Freddy, en zij wilde er voor de laatste

niet bijvoegen, dat het geluk ook niet in besluiteloosheid lag. Want

Mathilde had doorzien, dat Freddy niet had durven besluiten, zooals

zij gewenscht had te doen; Mathilde doorzag, dat Freddy's weigering

meer uit besluiteloosheid was gesproten, dan uit onverschilligheid.

Maar Freddy kon zich niet langer verbergen.

--Ja, zoo is het! weende zij. Ik dorst niet besluiten. En waarom

niet? Omdat ik mijzelve als een zottin op een hoog voetstuk stel,

omdat ik mij, zooals Théodore het uitdrukt, "voel"! O, zeker, ik

weet het: Paul heeft zijn fouten, Paul heeft groote fouten, maar

ik hoû van hem met zijn fouten, ik hoû misschien wel van hem, omdat

hij egoïst is, omdat hij niet een ideaal van genie en deugd is, maar

een mensch met zijn goed en zijn kwaad! Wat denk ik dan van mezelve

en wat zoek ik in hem? Het schijnt waarlijk wel, of ik me inbeeld,

dat ik zelve een ideaal van genie en deugd ben en dat hij me niet

waard is. Alsof ik misschien nog niet onbeduidender ben dan hij,

met mijn dwazen trots! Maar er zit ras in me, o ja, er zit ras in me!

Zij omvatte Mathilde in haar armen en wierp zich snikkende aan haar

borst. En Mathilde had Freddy liever dan ze ooit gehad had, Freddy,

die zich nu verlaagde om den man, die haar dierbaar was, nabij te

komen. Maar zij verlaagde zich nu het te laat was. Zij had zich eerder

moeten verlagen, had zij gelukkig willen zijn.

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 151 / 188 题