Hoe zou hij zich tegenover Marianne gedragen, dacht ze? Marianne
had een aardig dwepend gezichtje en een beetje nuffige, coquette
gebaren. Maar hij scheen er niet om te denken Marianne het hof te
maken, en het verwonderde haar bijna in hem, groote kapel die hij was.
Toch was zij na dien eersten dag, dat zij hem teruggezien had,
weder zichzelve geworden. Zij was, meende zij, te toegevend geweest;
zij zag hem, zooals zij hem gaarne wilde zien, misschien ook zooals
hij, in een vlaag van innemenden eenvoud, nu waarlijk was; maar was
zij dan vergeten, hoe zij hem steeds vroeger gezien had in Den Haag,
behaagziek tegen al die meisjes, onachtzaam voor zijn moeder, verloren
in de valsche vriendschap zijner kennissen, die zich steeds door
hem lieten onthalen en die hem als met een gevolg van tafelschuimers
omgaven? Was hij dan als door een tooverslag niet meer wuft en ijdel,
egoïst en zwak?
Misschien wel; in allen geval scheen hij nu, ver van die meisjes,
van zijn moeder, van zijn kennissen, beter. En zij beloofde zich hem
geen verwijtingen te doen, omdat hij haar dan zeker zou beginnen
te haten. Maar zij moest bij zichzelve glimlachen om die gelofte,
want hij maakte haar die tegenwoordig wel gemakkelijk! Er viel hem
niets te verwijten, voor het oogenblik.
Het had een paar dagen geregend en de ochtend was nu frisch en de
lucht als gewasschen in stroomen water. Klaas had de twee rijpaarden
gezadeld, den vos met een heeren-, den bles met een dameszadel. Paul
zag de zadels na en Freddy kwam uit de verandah, den sleep harer
amazone op den arm, een hoog heerenhoedje met witte voile op het
hoofd. Zij knoopte heur handschoenen dicht en glimlachte.
--In orde! sprak Paul en keerde zich tot haar.
Hij hielp Freddy opstijgen, terwijl zij heur voet op zijne hand zette
en uitgelaten klopte zij den bles op den glanzenden hals. Ook Paul
zat op en Klaas zag hen met genoegen langzaam wegrijden. Hij vond hen
een flink paar, beiden gezond en sterk, met vroolijkheid in de oogen
en kleur op de wangen. De freule zat als een kaars zoo recht en vast
in den zaâl en de jonker scheen hem een pootige baas. Hij hield van
pootige menschen.
Paul en Freddy reden het breede heerenhuis om en zij schertsten met
luide stem.
--Hè! Waar gaan jullie zoo naar toe? riep een stem van boven.
Zij zagen op en bespeurden Etienne, zonder jas en vest, met verwarde
haren. Freddy schaterde om zijn verwilderd uitzicht.
--Waar gaan jullie naar toe, met je beidjes? herhaalde Etienne,
in zijn inquizitoriale stem een tintje van jaloezie.
--Dat weten we niet! We hebben geen doel....
--Waarom gaat Marianne niet mee?
--Marianne wilde liever "Ein Gebet" van Carmen Sylva nog eens
overlezen. Vertrouw je ons niet met elkaâr?
--Jawel, maar konden jullie geen anderen weg nemen, dan onder mijn
venster?
--We dachten geen oogenblik aan je! riep Paul onmeêdoogend.
--Natuurlijk! antwoordde Etienne woedend. Jullie denken alleen aan
jezelve en jullie gaan rossen, terwijl ik me hier doodblok. Ik,
ik wensch je een heelen boel slechts toe!
Freddy en Paul lachten luid.
--Merci bien, allerchristelijkste broêr! riep Freddy en wuifde hem
met hare karwats toe. Ik hoop je vanmiddag in een zachter humeur
terug te zien. Adieu!
--Veel plezier! Adieu! herhaalde Paul en Etienne verdween in de kamer,
terwijl zij beiden, steeds vroolijk om zijne ergernis, verder stapvoets
reden, de lange eikenlaan in, die naar de open weg leidde. Daar zetten
zij de paarden tot een draf aan. De zon gloeide van omhoog neêr en
verguldde de haver en de rogge aan beide zijden van den weg.
--Laten we met een omweg door de dennenboschen naar den Witten Kuil
gaan, wil je, Paul? vroeg Freddy.
--Goed, antwoordde Paul.
Zij sloegen het blonde bouwland om en gingen langzaam langs de
boerderij, die in de schaduw der kastanjes lag. De hofhonden, vast
aan den ketting, herkenden hen en sprongen vroolijk blaffend op,
rammelend met hun kluister, en de boerin verscheen in de open deur
met een groet. Achter de woning en haar stallen werd de schaduw reeds
dicht en zij reden, verademend van de schroeiende hitte der zon, onder
de pijnboomen den heuvelachtigen weg op, glad van naalden. Hun, van
glans vermoeide, blikken, verkoelden zich als in een bad van lommer,
dat van het sombergroene loof neêrzeeg.
Het was de eerste maal, dat Freddy, sedert den tijd, dien Paul nu op
de Horze vertoefd had, met hem alleen was en het werd haar, of zij zich
tegenover hem in een nieuwen toestand bevond, een toestand, waarin zij
zich vroeger met hem nooit bevonden had, en toch, hoe vaak hadden zij
niet in vorige zomers met elkaâr paardgereden, hoe vaak waren zij niet
met elkaâr alleen geweest, zelfs in vertrouwelijke gesprekken! Waarom
dorst zij dan nu bijna niet tot hem opzien, als vreesde zij iets in
zijne blikken te lezen, dat haar zou doen ontstellen....
Zij verzamelde heur moed; zij zag hem, terwijl hij voortkoutte,
vol aan; zij wilde zich niet laten medesleepen door hare neiging
vol weekheid en zwakheid. Zij wilde hem laten blijken, hoe ze
nog hetzelfde meisje van vroeger was, dat hem de waarheid dorst
zeggen. Zonder noodzakelijke reden zou zij hem niet lastig vallen met
hare verwijtingen, maar vrees voor de flitsen van zijn blauwgrijze
oogen.... dat nooit!
En haar volle blik had iets uittartends bij die gedachte. Maar waarom
tartte zij hem uit? Hij was nu nog satyrisch-voor-den-gekhoudend, noch
pedant, hij praatte zelfs met een ongewone zachtheid over menschen,
waarover zij hem vroeger heel anders had hooren spreken.
--Die Georges en Lili! zeide hij en er klonk bij het uitspreken
dier twee namen zoo iets vriendelijks in zijn stem, dat het haar
verbaasde. Het is bepaald aardig ze met elkaâr te zien! Ze vergeten
de lui om hen heen geheel en al en ze gelooven vast, dat de wereld
alleen voor hen bestaat, dat zij met hun beidjes het middelpunt zijn,
waarom het heelal draait. En dat zonder de minste verwaandheid,
o neen, met de grootste naïveteit! Als je hun vertelde, dat er nog
andere menschen waren, die van elkaâr hielden en met elkaâr gelukkig
waren, zouden ze ongeloovig hun hoofd schudden. Zij zijn Adam en Eva
en met hen begint alles.
Frédérique lachte zacht, vreemd ontroerd door zijne woorden.
--Ik vind ze heel aardig met elkaâr, vervolgde Paul; hoewel je me
moet toegeven, dat ze eigenlijk oppervlakkige menschjes zijn. Bij
geen van beiden zit veel. Georges is een goede verstandige jongen,
daarmeê is alles gezegd....
--Goed en verstandig, dat is toch al veel! sprak ze nadenkend.
--Ja, maar ik meen, Georges heeft nooit in zichzelve met iets een
strijd gevoerd. Zijn leven is tot nu toe een vlak paadje geweest en
zoo zal het wel altijd blijven.
--Maar heb jij dan zooveel in jezelven gestreden? vroeg zij met iets
als scherts.
--Meer dan Georges! merkte hij op. Ik dacht, dat ik een artist was en
ik heb gemerkt dat ik me vergiste. Voor je je bij zoo een vergissing
neêrlegt, strijdt je wel eens met jezelven, begrijp je dat niet?
--Zeker. En ook dat je energie in zoo een strijd het onderspit moet
delven....
Hare opmerking klonk wat hatelijk en zij had er dadelijk berouw
over. Wat behoefde zij artistieke eerzucht in hem op te wekken, als
hij genialiteit miste? Maar hij scheen niet vernomen te hebben wat
zij geantwoord had, want hij voer voort:
--Weet je wat ik zoo vreemd vind, nu ik daarover nadenk? Georges
en Lili kenden elkander betrekkelijk kort en ze hebben al heel gauw
gevoeld, dat ze voor elkander in den wieg waren gelegd. Terwijl je
soms dikwijls bij andere menschen vindt, dat ze elkaâr heel lang kennen
zonder dat in te zien, tot er in eens een licht voor hen opgaat....
Zij voelde heur hart sneller kloppen bij zijne woorden, terwijl
het bloed naar hare wangen steeg. Zij boog heur blozend hoofdje en
scheen zeer bezig te zijn, met de karwats lichte tikjes te geven op
den sleep harer amazone.
--Vindt jij ook niet? vroeg hij.
--Ik.... ik weet niet! stamelde zij. Ik heb daar nooit zoo over
nagedacht.
Hij zweeg, en zij zwegen beiden een oogenblik.
--Het is hier benauwd onder de boomen, murmelde zij eindelijk met eene
matte stem en zachtkens knippende oogleden. Ik kan hier bijna niet
adem halen! Laten we.... laten we dit zijpad ingaan, dan komen we op
den grooten weg en dan galoppeeren we heerlijk naar den Witten Kuil....
Zij gevoelde zich zeer vreemd; haar die nooit last van de warmte had,
werd het eensklaps of zij in onmacht zou zinken, het schemerde voor
hare oogen en de teugels sidderden in hare vingers. Het spannende
corsage der amazone was haar een harnas, dat klemde....
Zij zag niet meer, terwijl zij het nauwe, bijna niet te berijden zijpad
insloeg en den bles tot een galop aanspoorde. Zij hoorde Paul iets
roepen en.... plotseling gevoelde zij een prikkelende pijn in heure
haren, terwijl het hooge heerenhoedje als afgerukt werd en neêrviel.
--Ai! schreeuwde zij van smart en zij hield met een ruwen ruk haar
paard in, dat trillend staan bleef.
In hare halve zwijmeling had zij niet gezien, hoe een lange dennetak
den weg versperde, en de scherpe twijg had haar even het voorhoofd
geschramd en zich in heur kapsel verward. Uit vrees zich nog meer
te verwonden, hield zij zich achterover gebogen, het onbeweeglijke
hoofd door heure haren als vastgestrengeld aan den tak....
--Ai! kreunde zij steeds.
Paul reed haar dadelijk op zij, nam haar de teugels uit de hand en
bedaarde de onrustige paarden met een vluchtig klopje op hunne halzen.
--Ik riep je nog toe, voorzichtig met dien tak te zijn! sprak hij
angstig. Hier.... leun tegen mijn schouder, dan zal ik je haar
losmaken.
Hij wierp zijn karwats neêr. Hij trok zijne handschoenen uit en
wierp die eveneens op den grond. En terwijl de paarden trillend zij
aan zij stonden, Frédérique zittend tegen hem aanzeeg, en hij zich
over haar heenboog, hief hij den arm op en trachtte hij voorzichtig
den tak, dien hij afbrak, uit het verwarde glanzend bruine haar te
ontwarren. Haarspelden vielen op den grond.
--Heb je je pijn gedaan? vroeg hij.
--Ja, steunde zij. Ai, ai....
--Doe ik je ook pijn?
--Neen, o neen...!
Het was een fijn werk en al deden zijne vingers het ook nog
zoo zorgzaam, toch was het een pijnlijke behandeling, die zij
onderging. Maar zijne teederheid deed haar de pijn vergeten. En toen
hij ten laatste gereed was, bleef zij een weinig moê nog tegen hem
aanleunen. Zijn glimlach glansde haar verblindend in de oogen als de
glimlach van een jongen, mooien god en zij sloot de oogen: het scheen
haar als zonk alles om haar weg....
Maar eensklaps ... daar voelde zij zijn adem over heur gelaat zuchten,
daar voelde zij zijn lippen met eene liefkoozing zoo gloeiend en
warm, zoo hartstochtelijk hare lippen drukken, dat zij zich als met
een electrischen schok in het zadel oprichtte en woedend bliksemden
hare bruine oogen hem toe.
--Paul! riep zij zeer gekrenkt.
Verder wist zij hare woorden niet meer te vinden, wist zij niet
meer wat te doen. Hij bleef haar aanzien, half verlegen, half driest
smeekend en steeds glimlachend. En op eens, als met eene plotselinge
ingeving, liet zij zich van den bles glijden, zette zich den afgevallen
hoed op het, nu loshangende haar, en raapte haar karwats op. In een
seconde zat zij weder in het zaâl. Het paard steigerde onder haar
vinnigen zwiep en voort vloog het over het nauwe pad, onder de takken
der pijnen....
Zij zag niet naar Paul om, zij rende voort als had zijn kus haar met
den angel van een bij gestoken en haar razend van machtelooze woede
gemaakt. Op den open weg gekomen, rende zij voort, steeds voort,
zonder naar hem om te zien. Zij zwiepte den bles en haar beest vlood
met haar weg tusschen het brandende goud van het koren en in den gouden
brand van de zon. Heure haren golfden, hare witte voile golfde, hare
amazone golfde. De boeren in het veld zagen haar verbaasd achterna.
Tusschen aanplanten van hakhout en langs heidevelden ijlde zij
verder. Maar zij liet zich niet lang zoo medeslieren door de vaart van
heur paard en de woede harer gedachten. Heur hand trilde niet meer;
krachtig hield zij het hollende dier in. Het bedaarde en rustig reed
zij thans, zonder om te zien, het eikenbosch door tot zij aan een
zandgroeve kwam. Daar steeg zij af, bond den bles aan een jongen beuk,
en daalde, haar sleep over den arm, in de groote kom van zand, die
men op de Horze algemeen den Witten Kuil noemde. Het zand korrelde
af onder haar tred; blokken zand vielen naar beneden en lieten een
roodachtige kleilaag, waardoor de wortels der boomen heendrongen,
zichtbaar. Beneden gekomen, bleef zij staan, sloot even de oogen en
wierp zich toen, met een bedroefden zucht, op het zand, dat de vroege
morgen in de zon roosterde, maar dat nu koel en overschaduwd was. Zij
wierp heur hoed af, en legde zich het hoofd in de armen, overstroomd
door het lange, zware haar. En zij begon zachtjes te snikken.
De Witte Kuil was eene plek, die hun allen zeer dierbaar was. Zoo
Marianne eens goed wilde dwepen en eenzaam wilde lezen, toog zij des
avonds naar den Witten Kuil, en eens had Cor, die nu adelborst 1ste
klasse was, er haar medegedeeld, dat hij verliefd was, op een meisje
in Den Helder. De kinderen speelden het liefst in den Witten Kuil en
wisten de bonnes niet waar ze te vinden, dan zocht men ze daar. En
Frédérique, die thans wilde uitweenen, had geen oogenblik gedacht
naar een andere plaats voor hare tranen te zoeken dan den Witten Kuil.
Zij was zeer bedroefd, dat Paul haar dien zoen had gegeven, en zij was
nu boos op zichzelve, dat zij gevlucht was in plaats van hem flink de
waarheid gezegd te hebben over zijne onbehoorlijkheid. Schertsende
had hij haar vroeger wel eens nageloopen, haar gevangen en haar
gekust, maar toen waren zij kinderen geweest, ten minste zij. En
hij had in dezen zoen een warmen gloed gelegd, die haar nieuw was,
en die haar verschrikt had. Waarom had hij dat gedaan, o, waarom
had hij dat gedaan! Die zoen had alles anders tusschen hen gemaakt,
en de zachte vriendschap, die zij voor hem gevoelde, wreed gestoord.
Troosteloos snikte zij door, en zij hoorde niet, dat Paul, die haar
gevolgd was, thans boven aan den zoom van den Witten Kuil zijn paard
deed stilstaan, afstapte en den vos bij den bles bond. Zij hoorde niet,
hoe het zand onder zijn voeten afbrokkelde en neêrplofte. Zij hoorde
niets, voordat zij dicht aan heur oor heur naam hoorde fluisteren:
--Freddy!
Verschrikt hief zij zich op en wezenloos zag zij hem aan, onmachtig
hare ontroering te verhelen. Hij lag voor haar geknield in het zand
en zag haar met een glimlach, zoo innig zacht, aan, dat zij hare
gramschap geheel voelde wegsmelten.
--Waarom ben je zoo boos van me weggereden? vroeg hij met zijne
vleiende stem. Heb ik zoo een groote zonde gedaan?
--Ja, zeker! hernam zij, fier bij de herinnering aan zijne liefkoozing,
die haar half weelde, half smaad was geweest. Zeker! Ik heb je nooit
het recht gegeven om mij te zoenen, nooit, nooit!
Zij wachtte, hoe hij zich zou verontschuldigen, zeker met haar te
doen herdenken, dat hij haar wel eens meer gekust had, zonder het
recht er toe te hebben.
Maar hij deed het niet; hem was deze zoen dus ook iets anders
geweest? Zelfs verontschuldigde hij zich in het geheel niet, nu
zij, nadat zij opnieuw heur hoofd in hare armen verborgen had, goed
luisterde naar zijn woorden.
--Maar als ik dat recht nu eens vroeg, Freddy? Als ik nu voor altijd
dat recht van je vroeg, als ik je nu al lang dat recht had willen
vragen? Zeg, zou dat ook zonde in me zijn?
Zij richtte zich nu op en zag hem, omgolfd in heur haren, onbestemd
aan.
--Ik begrijp je niet, murmelde zij bijna onhoorbaar.
--Begrijp je niet, dat ik je vraag, of je van mij houden wilt, of je
zooveel van me houden wilt om mijn vrouw te worden?
Zij bloosde en haar lippen trilden. Weêr voelde zij de bekoring van
hare zwakte en weekheid, gevoelde zij dat het zoet zoude zijn zich
zonder strijd in zijn armen te vlijen. Maar tevens richtte al hare
weerspannige fierheid zich met een hoog gevoel van eigenwaarde op; zijn
vraag rukte haar een blinddoek van de oogen en zij zag hem op eens,
zooals zij hem steeds gezien had in Den Haag, egoïst, wuft, ijdel.
--Je meent dat niet, Paul! antwoordde zij hard en koel en wond nu
zeer kalm heure losse haren vast op heur hoofd.
--Meen ik dat niet? riep hij gekrenkt en hij zag haar angstig
uitvorschend aan.
--Je meent misschien op het oogenblik wat je zegt, vervolgde zij,
haar woorden verbeterend; maar je meent zeker niet, wat je op het
oogenblik je verbeeldt voor me te gevoelen. Wat je je verbeeldt voor
me te gevoelen is geen liefde. Je voelt dat zelfde nu voor mij, morgen
voor Léonie Eekhof, overmorgen voor Françoise Oudendijk en den dag
daarop voor ik weet niet wie. Mijn amazone flatteert me misschien,
dat je me zoo een gekke vraag durft doen.
Haar stem klonk zoo ironisch en vinnig, als hij haar nooit had
hooren spreken. Hij wist niet wat hij het eerste oogenblik zou
antwoorden. Maar het woord, dat hij uitte, kwam geheel en al uit
zijn hart.
--Denk je er geen oogenblik aan, Freddy, dat je pijn kan doen met
zoo iets te zeggen?
--Het zou me spijten, Paul, zoo dit het geval was! antwoordde zij,
zonder zich door eene, bijna niet te bedwingen, opwelling van
teederheid te laten medesleepen. Maar denk je, dat je mij niet
beleedigd hebt met me dien zoen te geven?
--Ik had mijn vraag toen al op de lippen, Freddy! Is die wedervraag
dus het eenige antwoord, dat ik krijg?
Zij zweeg een oogenblik,--zij streed. De tranen welden in haar oogen.
--Ik kan je geen ander antwoord geven, Paul; ik kan het niet. Geloof
me, ik ken je misschien beter dan jij je zelven kent. Je houdt niet
zoo van me, als ik zou willen hebben, dat mijn man van me hield. Je
mag me gaarne. Je verbeeldt je misschien op het oogenblik verliefd
op me te zijn. Maar je houdt te veel van jezelven om veel van een
ander te kunnen houden.
--Je kent me dus wel goed! sprak hij bitter en zijn mond trilde onder
zijn blonde snor.
--Laten we vrienden blijven! antwoordde zij en stak hem hare sidderende
hand toe. We zouden niet gelukkig zijn met elkaâr en eens zal je me
dankbaar zijn, dat ik nu je aanzoek.... weiger.
Maar hij nam heure hand niet aan en zij was genoodzaakt die
onaangeroerd terug te trekken.
--Je kent me dan wel goed! herhaalde hij bitter. Ik wist niet, dat
je mijn karakter zoo goed bestudeerd had, en ik wist niet, dat ik
zulke nauwkeurige studie nog waard was.
--Men heeft heusch niet veel menschenkennis noodig om je te
doorgronden! antwoordde zij hoog en bijna schamper. Ik ten minste,
die je bijna dagelijks heb zien omgaan met meisjes van onze kringen,
kan, als je me verklaart van me te houden, onmogelijk zoo iets van
je gelooven....
--Dus je denkt, dat ik aan al die kinderen het hof heb gemaakt? Ik
dacht, dat je beter ernst van gekheid kon onderscheiden. En ik wist
niet, dat het zoo een groote zonde was vroolijk te zijn.
--Zulke gekheid en zulke vroolijkheid zijn een man onwaardig, Paul. De
een doorziet zulke mauvaises plaisanteries en de ander niet....
Zij haatte zichzelve om hare wijze lessen, maar het was haar onmogelijk
thans die grief, welke uit een weinig jaloezie voortsproot, niet
te uiten.
--Dus je bedoelt, dat ik harten gebroken heb! lachte hij
gedwongen. Geloof me, Freddy, je vergist je. De meisjes zijn
tegenwoordig heusch zoo naief niet, om niet drommels goed in te zien
wat gekheid en wat ernst is. Jij hebt dat niet willen zien. En ik
verzeker je, dat, als ik dien kinderen, die je bedoelt, werkelijk het
hof had willen maken, ik geheel anders tegen ze zou geweest zijn dan
ik geweest ben. Dat verzeker ik je.
Er klonk iets dreigends in zijne stem en zij vond hem bijna
gevaarlijk. Zij zweeg.
--Maar je zei zooeven, vervolgde hij zachter, dat je me niet gelooven
kon, wanneer ik je verklaarde van je te houden. Zeg me nu oprecht,
Freddy, wat zou het je zijn, wanneer je dat kon gelooven? Wanneer ik
mijn best deed, dat je dat kon gelooven!
Zij werd zeer verward en hij zag die verwarring.
--Zeg me nu, Freddy! drong hij aan.
--Wanneer ik dat kon gelooven, Paul ... sprak zij, zich herstellende,
dan zou ik medelijden met je hebben. Maar nu geloof ik wel, dat je
spoedig over je verdriet heen zal zijn en daarom zou ik zoo gaarne
goede vrienden met je blijven. We behoeven elkaar in het vervolg niet
te boudeeren, omdat je mij bij toeval ten huwelijk hebt gevraagd,
en omdat ik, als een meisje, dat niet naief was, geen ernst in die
gekheid zag.
Hij zweeg, verpletterd onder hare minachting, innerlijk woedend
over haar luchtige woorden. Langzaam stond hij op.--Goed, sprak hij,
schijnbaar kalm. Laat het dan zoo zijn.
Hij sloeg met zijn karwats het zand van zijn bruine, fluweelen rijbroek
en zag op zijn horloge.
--Het is bij twaalven. Willen we niet naar huis gaan? vroeg hij,
alsof er niets gebeurd was.
--Uitstekend, antwoordde zij.
Zij richtte zich eveneens omhoog, plooide aan de voile van heur hoed en
zette zich dien op het hoofd. Even sloeg zij haar sleep uit, nam dien
in de hand, en klom het zand, dat telkens onder den voet weggleed, op.
--Wil ik je mijn arm geven? vroeg hij koel.
--Dank je, ik kan wel, sprak zij.
Boven bond hij de paarden los en hij hielp haar zonder een woord
opstijgen.
--Merci, zeide zij.
Zij gingen steeds zwijgend, een oogenblik naast elkaâr. Toen
versnelde hij den stap en reed voor haar uit. Zij was treurig te
moede, overtuigd, dat zij verkeerd geantwoord had. Buiten het bosch,
op den open weg, tusschen het bouwland, was hij weldra ver vooruit
en zij zag steeds zijn rug, terwijl de zon loodrecht en smoorheet
neêrgloeide en hare blikken verblindde. Zij had zich in dit oogenblik
geen rekenschap van hare gevoelens kunnen geven. Over hare ziel,
die steeds helder en onbewolkt voor haar oog was geweest als de
hemel boven haar, daalde een nevel, dien zij niet doorzag. In dit
oogenblik had zij niet kunnen zeggen, of zij gewild had wat zij had
gedaan. En zij was zich slechts bewust van eene groote twijfeling,
van eene onvoldaanheid, als had zij eene rampzalige zege behaald met
de wreede wapenen van fieren trots en eigenwaarde.
Zij bleven steeds achter elkaâr rijden. Toen hij aan het ijzeren
hek van de groote rijlaan der Horze gekomen was, bleef hij staan en
wachtte, tot zij hem stapvoets ingehaald had. Daarna reden zij naast
elkaâr, zwijgende voort, de Horze om, tot bij het koetshuis en de
stallen, waar Klaas met den stalknecht bezig was de wielen van den
ouden tentwagen te wasschen.
Zij stegen af. Men zou over tien minuten koffiedrinken en Frédérique
had slechts even den tijd zich van hare amazone te ontdoen. In de
vestibule ontmoette zij Etienne, moê gewerkt, thans in een jasje en
met gekamde haren.
--Zoo! beet hij haar toe. Zoo! Ben je daar terug! Je moest je schamen
te gaan rijden zonder mij.
Zij zag hem aan met een vreemden blik, en eensklaps barstte hare
ontevredenheid over zichzelve uit.
--En ik verzoek je, voortaan zelfs niet uit gekheid me iets slechts
toe te wenschen! sprak zij hartstochtelijk. Ik had mijn gezicht
bijna opengereten aan een tak, wanneer die maar zooveel lager was
geweest... kijk, mijn voorhoofd is geschramd! Je moet nooit meer zoo
iets zeggen, nooit meer! Ik ben bijgelooviger dan je wel denkt!