V.

Kalm en eenvoudig vloeide het leven op de Horze voort. Otto was naar

Elzen vertrokken. Etienne studeerde in een ontoombare aandrift. Na

het ontbijt verdween hij in zijn kamer en werkte; na het koffiedrinken

verdween hij er opnieuw en werkte eveneens; des avonds verpoosde hij

zich een weinig in den familiekring, sprong over Van Stralenburg en

bokste met hem en wanneer de anderen te bedde gingen, werkte hij ten

derde male, tot laat in den nacht toe. Het was een rage: er was geen

spreken tegen, en hoewel mevrouw Van Erlevoort hem bezorgd opnam en

klaagde, dat hij bleek werd, liet hij zich niet van zijn stuk brengen

en werkte hij door.

Op zekeren dag kreeg Etienne een brief van Paul, waarin deze

hem mededeelde, dat hij hem wellicht spoedig met een bezoek zou

komen vereeren. Daarna wilde Paul gaan reizen, in Duitschland of

Italië. Etienne vertelde van den brief en Théodore bromde en beweerde,

dat Paul hem nu zeker van zijn studies zou afhouden en hem wellicht

zou meetroonen op reis, maar mevrouw Van Erlevoort was daarentegen

zeer verheugd en meende, dat Pauls komst een goede afleiding zou

zijn. Heusch, de jongen werkte nu te veel, hij zou ziek worden van

dat eeuwige geblok.

Frédérique had met een glanzenden glimlach Etienne's aankondiging

gehoord en gezwegen. Den dag van Pauls komst zag zij met dien zelfden

glimlach in den spiegel, rozig van gezondheid. Met hare bruine

oogen vol donker getintel, als van zwarte edelsteenen, met haar zwaar

donkerbruin haar, dat zijdeachtig kroesde op de melkblankheid van heur

nek, trof het haarzelve, hoe mooi ze in haar eenvoudig roze katoentje

was, krachtig van gestalte, groot en vol als van eene koningin, die

steeds vriendelijk glimlachte, omdat zij gelukkig was, zoo gelukkig!

Was dat omdat de zon scheen in de edelsteenen van hare oogen en

op het perzikdons harer wangen? Of was het omdat hij, aan wien ze

steeds dacht, zou komen? Zij vergat bij den aanblik dier schoonheid

haar fieren trots, zij vergat, dat zij Paul anders wenschte dan hij

was; alles jubelde in haar op, als met een stroom van hartstocht,

dien zij niet meer kon beteugelen, daar hij bruisend opgolfde in

hare ziel met krachtige, breede golven. Zij stormden op, die golven,

en zij liet zich er door wiegelen, zij streed niet met ze, zalig dat

zij zoo zwak was....

Hij kwam en toen zij hem de hand drukte, scheen het haar dat zij hem

nooit te voren gezien had. Wat was hij flink gebouwd, en wat zag hij

er knap uit met zijne vroolijke, blauwgrijze oogen, zijn dikke snor

en zijne mooie, witte tanden! Wat lachte hij prettig, vol en luid, als

schaamde hij zich niet voor zijn lach! Zij lachte terug, zij schertste

eveneens, en zij bespeurde, hoe hij haar aanzag met een geheel

anderen blik, dan met dien van overmoedige onbeschaamdheid waarmede

hij Françoise en Ange en Léonie aanzag! Er lag een vertrouwelijke

zachtheid in dien blik, evenals in zijne stem, waarin hij tegenover

haar geen cynischen klank en geen flirteerende brutaalheid legde.

Was het de landelijke lucht van de Horze, die hem zoo innemend deed

zijn, zoo eenvoudig en hartelijk? Théodore, ten minste, beviel hij zoo

goed in zijn gezonden, opgeruimden levenslust, dat zijn gastheer hem

uitnoodigde eenige dagen bij hen te blijven, op voorwaarde, dat hij

Etienne niet van zijn wetboeken afhield. Paul beloofde dit ernstig en

nam dankbaar de uitnoodiging aan. En het trof Frédérique, hoe ieder,

terwijl hij voortpraatte, naar hem opzag en luisterde, nu zij des

avonds in de open verandah zaten en lichten meiwijn dronken. Hij was

toch niet zoo wuft en ijdel, als zij gedacht had en zij... ze hield

wel van hem; ze mocht hem ten minste heel graag....

De lucht was helder en vol sterren en zij lieten zich in het bootje op

den vijver drijven, terwijl Paul en Arnold van Stralenburg de riemen

hielden, Marianne en Etienne gekheid maakten en Freddy stuurde. Zij

neuriede een liedje, dat zacht over het water heenklonk, in de violette

klaarte van den lichten avond, maar Paul overdekte eensklaps haar

murmelende stem met eenige frazes uit het Italiaansche duet, dat hij

vroeger met Eline placht te zingen:

"Ah! Viens, la nuit est belle!

Viens, le ciel est d'azur!"

en zij was gelukkig zoo overzongen te worden door hem.

Het was alles eenvoudig en bekend: het lied, dat hij zong, de

vijver waarover zij gleden, mama, Mathilde, Suzanne en Théodore in

de verlichte verandah, de donkere groene massa's van het park en het

tintelende gewelf van starren daarboven, maar toch werd het haar, alsof

zij de poëzie hiervan nooit had gezien, en toen hij zijn barcarolle

eindigde met een zacht uitgesponnen, hooge ut in falset scheen het

haar, als geurden er jasmijnen en zongen er nachtegalen om haar heen,

als klonk er een zilveren trilling in haar hart.

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 149 / 188 题