IV.

Otto, die zijn aanstaande woonplaats was gaan bezichtigen, kwam den

volgenden morgen op de Horze, om er een week te vertoeven, voor hij

zijn nieuwe betrekking ging aanvaarden. Het domein, waar hij nu als

rentmeester benoemd was, was dicht bij Elzen gelegen, en hij zou

vaak een uitstapje naar de Horze kunnen maken. Mevrouw Van Erlevoort

troostte zich met de gedachte, dat hij zich niet geheel en al zou

terug trekken in een doodsche afzondering. Dicht bij het blijmoedige

leven op de Horze zou hij zichzelven weder kunnen worden, en geheel

zijne smart van zich kunnen werpen.

Théodore was naar zijne boeren en zijne landerijen toe, en Arnold Van

Stralenburg had hem vergezeld. Truus was bezig met haar huishouden. De

kinderen speelden in het park of in de gymnastiekkamer onder toezicht

der bonnes. Mevrouw Van Erlevoort zat met Mathilde, Suzanne, Frédérique

en Marianne op een der groote, overdekte en omwingerde balcons,

terwijl Otto vertelde van zijn bezoek aan het domein.

--En Etienne? vroeg hij.

Mevrouw glimlachte verheugd.

--Die is vroeg opgestaan, sprak Freddy, heeft met veel drukte en

deftigheid zijn studeerkamer ingericht en werkt al. Je ziet, hij

profiteert van zijne goede impulsies....

Marianne stond eensklaps op.

--Waar ga je naar toe, Marianne? vroeg Suzanne.

--Ik ga lezen, op mijn plekje achter in het park! zeide zij. Freddy,

daar is zoo een heerlijk plekje, vol lelietjes van dalen. Ga meê,

dan zal ik je daar vertellen van een prachtig boek, dat ik bezig ben

te lezen: Ein Gebet van Carmen Sylva....

Zij vertrokken beide en ook Otto en Suzanne wilden een wandeling maken

en lieten mevrouw en Mathilde alleen. Suzanne had Otto in langen tijd

niet gezien, daar hij den vorigen zomer te Londen bij zijn zwager

Howard vertoefd had, in plaats van op de Horze te komen. Zij had haar

broêr niet ontmoet na de paar dagen, die hij met zijne moeder en Eline

te Zwolle had doorgebracht, en zij vond hem, nu zij hem weêrzag, nadat

er zooveel voor hem veranderd was, oud geworden. Zijn gelaat was als

een masker van stille melancholie, waaronder Suzanne iets bitters ried.

Zij nam zijn arm in den hare en zij dwaalden een oogenblik zwijgend

in de groote lanen van het park, onder het zwoele loover der hooge

eiken, stovende in de Juli-ochtendzon. Groote varens hieven hunne

lange waaierbladen op aan de boorden der slooten, die, blauwend groen,

zich overglansden met tinten van metaal en email, en spinnen hadden

van stengel tot stengel hare fijne webben geweven als uit draden van

zilverig glas. Hier en daar schemerde, vergeeld wit en fluweelig van

een woekerend mos, een verminkt beeld op een voetstuk, een Flora of

een Pomona. Een adem van vuur scheen van boven uit het geblaârte neêr

te zinken over de paden, waarlangs als onkruid de wilde kamperfoelie,

zoet van geur, bloeide en hare verwarde stengels van heester op

heester slingerde, terwijl uit het broeiende groen de dolle kervel

hoog opschoot, met tal van blanke zonneschermpjes.

Otto en Suzanne liepen langzaam voort. Verder op zagen zij twee

lichte figuurtjes tusschen bladeren en twijgen verdwijnen; het

waren Frédérique en Marianne, die het plekje der lelietjes van dalen

opzochten. Achter hen klonk een lach, een kreet der kinderen, die

stoeiden op een grooten zandhoop, welke in het lommer dicht bij het

heerenhuis lag.

--Wat is het hier toch altijd mooi! sprak Suzanne eindelijk. Ik vind

het heerlijk dat Théodore, al is het ook uit economie, het park maar

verwaarloost; daardoor krijgt het iets van een woud! Ik herinner me:

vroeger, toen ik een kind was, had papa een regiment van tuinlui en

het park zag er altijd als een tuin zoo netjes uit, met koepeltjes en

kijkjes en vazen en beelden. En nu zijn de koepeltjes vervallen en

sommige van de beelden hebben geen armen meer. O, weet je niet, dat

jij zelf altijd op die nimf daar klom en toen haar arm hebt gebroken?

--Ja, sprak Otto.

--Papa was zoo boos, en je moest drie dagen op je kamer eten en je

kreeg alleen droog brood met water. Herinner je je?

--Ja, knikte Otto glimlachend.

--En je wilde geen vergiffenis vragen aan papa--je was brutaal geweest,

toen hij op je gebromd had--en mama vroeg je toen, om het toch maar

te doen.... Herinner je je wel?

Hij drukte even haren arm, zonderling, bijna tot weenens toe verweekt

door die herinnering uit zijne kinderjaren, welke zich dooreen warde

met herinneringen van een paar zomers geleden, toen hij, niet met

Suzanne, toen hij met hàar hier had rondgedwaald....

--Zeg, Otto! vroeg Suzanne eensklaps. Zal je niet naar Den Haag

verlangen, als je zoo alleen te Elzen woont?

--Neen! antwoordde hij heftig. Neen, o neen! Ik wil van Den Haag weg.

Zij zag hem aan, verschrikt over zijn toon, en hij voegde er zachter

bij:

--Ik hoû van het buitenleven en ik verlang naar iets anders dan naar

mijn bureau.

--Wil je om geen andere reden van Den Haag weg? vroeg zij zacht.

--Om een andere reden? Neen, wel neen....

Hij zette zich op eene bank, maar zij bleef staan en plukte

werktuigelijk de trossen der kamperfoelie boven zijn hoofd. Zij had

op de lippen eene vraag, die zij niet uiten kon.

--O, Otto, zeg me.... is het niet om.... om? stamelde ze.

Hij zag vóór zich, terwijl zij de verwarde stengels uit elkaâr

rukte. Langzaam sprak hij:

--Wat meen je toch, Suze-lief? Dat het zou zijn om.... om

Eline? fluisterde hij terug met eene stem zonder uitdrukking.

--Ja! hernam zij verlegen en zette zich met eene liefkoozende beweging

naast hem en ordende hare kamperfoelies.

--Maar zusje-lief! vervolgde hij, steeds dof en op een wijze,

als uitte hij een zin, dien hij met moeite van buiten had geleerd,

hoe kan je dat denken? Denk je, dat een man altijd om een meisje

blijft treuren en dat een man er niet langzamerhand overheen komt,

wanneer zijn meisje hem zijn woord teruggeeft. Natuurlijk speet het

me in den eersten tijd, en was ik er verdrietig om. Maar nu is het

over, nu is heusch alles voorbij. Je ziet elkander niet meer, je

denkt langzamerhand niet meer aan elkander en je vergeet elkaâr. Aan

een gebroken hart is nog niemand in de werkelijkheid gestorven en

daarbij: het hart van een man breekt zoo gauw niet, je hebt immers

je bezigheden en het leven gaat zijn gang en laat je geen tijd veel

over je verdriet na te denken, al zou je dat willen. Bij een vrouw

is dat anders, die geeft zich meer aan zulke gevoelens over, niet waar?

Hij stond op als in een droom en zij volgde hem.

--Ja, dat is wel zoo, sprak ze, niet overtuigd.

--Dan vergeet je elkaâr, vervolgde hij op denzelfden toon: en dan

kan het best gebeuren, dat je later beiden iemand anders ontmoet,

van wien je begint te houden en met wien je gelukkig wordt. Zoo

gebeurt het honderdmaal in het leven.

--O ja! sprak zij weêr en hij, hij dacht aan een zin uit Eline's

brief: "dan vindt je een meisje, dat je waard is, en dat je gelukkig

kan maken...."

--Je moet je dus maar niet verbeelden, dat ik aan romaneske

liefdesmarten lijd! eindigde hij met iets als een schertsenden

glimlach. Zoo verschrikkelijk is het heusch niet met me gesteld, hoor!

Zij zweeg, vol treurigheid dat hij zoo sprak. Hij was dan, evenals

Mathilde, te trotsch om een ander in zijn leed te laten mede lijden en

hij verschool zich in een aangenomen ongevoeligheid, die zij doorzag,

hoewel zij het hem niet deed blijken. Zij liepen een pooze stil voort

en vernamen eensklaps een opgewonden stem, die een lang verhaal scheen

te doen. Het was Marianne, met Frédérique tusschen de lelietjes van

dalen gelegerd en die haar den inhoud van "Ein Gebet" mededeelde.

--Het is wel overdreven, maar het is prachtig, het is zoo boeiend! Zie

je, Raoul doet boete voor zijne moeder, die een zondares is geweest,

hoewel ik niet geloof, dat het zoo vreeselijk was, wat ze gedaan

had! Hij wordt priester en kastijdt zich en geeselt zich. Ik kon er

niet van slapen toen ik het gelezen had, hoe hij dan het huwelijk

inzegent van Tassillo en Editha. Editha is vreeslijk zacht en lief

en van Editha heeft Raoul altijd gehouden. Berthalda daarentegen,

is hartstochtelijk. Nu, ik vertelde je, dat Berthalda de hostie

vergiftigd heeft! Als Raoul dus de hostie aan Editha geeft, o,

verbeeld je, dan zinkt ze stervend neêr, en in plaats dat zij Raoul

het huwelijksformulier nazegt, spreekt zij voor het laatst zijn eigen

naam uit: Raoul! Zoo sterft ze, vindt je het niet vreeselijk? Ik heb

er over liggen te snikken! En Berthalda doet ook boete en gaat in een

klooster, onder de aarde, waar de zon nooit schijnt; en Raoul is in

éen nacht geheel en al grijs geworden.

Otto en Suzanne hadden, onzichtbaar achter de dikke stammen, geluisterd

en zij keerden nu op hun weg terug.

--Zie je, Suze! sprak Otto met dien zelfden pijnlijk schertsenden

glimlach: ik ben niet in éen nacht grijs geworden; ik ben heusch niet

als Raoul!

Zij bleef zwijgen, hangende aan zijn arm, en zwaaiende met hare

kamperfoelie, poogde zij even te lachen en neuriede zij een wijsje.

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 148 / 188 题