Otto, die zijn aanstaande woonplaats was gaan bezichtigen, kwam den
volgenden morgen op de Horze, om er een week te vertoeven, voor hij
zijn nieuwe betrekking ging aanvaarden. Het domein, waar hij nu als
rentmeester benoemd was, was dicht bij Elzen gelegen, en hij zou
vaak een uitstapje naar de Horze kunnen maken. Mevrouw Van Erlevoort
troostte zich met de gedachte, dat hij zich niet geheel en al zou
terug trekken in een doodsche afzondering. Dicht bij het blijmoedige
leven op de Horze zou hij zichzelven weder kunnen worden, en geheel
zijne smart van zich kunnen werpen.
Théodore was naar zijne boeren en zijne landerijen toe, en Arnold Van
Stralenburg had hem vergezeld. Truus was bezig met haar huishouden. De
kinderen speelden in het park of in de gymnastiekkamer onder toezicht
der bonnes. Mevrouw Van Erlevoort zat met Mathilde, Suzanne, Frédérique
en Marianne op een der groote, overdekte en omwingerde balcons,
terwijl Otto vertelde van zijn bezoek aan het domein.
--En Etienne? vroeg hij.
Mevrouw glimlachte verheugd.
--Die is vroeg opgestaan, sprak Freddy, heeft met veel drukte en
deftigheid zijn studeerkamer ingericht en werkt al. Je ziet, hij
profiteert van zijne goede impulsies....
Marianne stond eensklaps op.
--Waar ga je naar toe, Marianne? vroeg Suzanne.
--Ik ga lezen, op mijn plekje achter in het park! zeide zij. Freddy,
daar is zoo een heerlijk plekje, vol lelietjes van dalen. Ga meê,
dan zal ik je daar vertellen van een prachtig boek, dat ik bezig ben
te lezen: Ein Gebet van Carmen Sylva....
Zij vertrokken beide en ook Otto en Suzanne wilden een wandeling maken
en lieten mevrouw en Mathilde alleen. Suzanne had Otto in langen tijd
niet gezien, daar hij den vorigen zomer te Londen bij zijn zwager
Howard vertoefd had, in plaats van op de Horze te komen. Zij had haar
broêr niet ontmoet na de paar dagen, die hij met zijne moeder en Eline
te Zwolle had doorgebracht, en zij vond hem, nu zij hem weêrzag, nadat
er zooveel voor hem veranderd was, oud geworden. Zijn gelaat was als
een masker van stille melancholie, waaronder Suzanne iets bitters ried.
Zij nam zijn arm in den hare en zij dwaalden een oogenblik zwijgend
in de groote lanen van het park, onder het zwoele loover der hooge
eiken, stovende in de Juli-ochtendzon. Groote varens hieven hunne
lange waaierbladen op aan de boorden der slooten, die, blauwend groen,
zich overglansden met tinten van metaal en email, en spinnen hadden
van stengel tot stengel hare fijne webben geweven als uit draden van
zilverig glas. Hier en daar schemerde, vergeeld wit en fluweelig van
een woekerend mos, een verminkt beeld op een voetstuk, een Flora of
een Pomona. Een adem van vuur scheen van boven uit het geblaârte neêr
te zinken over de paden, waarlangs als onkruid de wilde kamperfoelie,
zoet van geur, bloeide en hare verwarde stengels van heester op
heester slingerde, terwijl uit het broeiende groen de dolle kervel
hoog opschoot, met tal van blanke zonneschermpjes.
Otto en Suzanne liepen langzaam voort. Verder op zagen zij twee
lichte figuurtjes tusschen bladeren en twijgen verdwijnen; het
waren Frédérique en Marianne, die het plekje der lelietjes van dalen
opzochten. Achter hen klonk een lach, een kreet der kinderen, die
stoeiden op een grooten zandhoop, welke in het lommer dicht bij het
heerenhuis lag.
--Wat is het hier toch altijd mooi! sprak Suzanne eindelijk. Ik vind
het heerlijk dat Théodore, al is het ook uit economie, het park maar
verwaarloost; daardoor krijgt het iets van een woud! Ik herinner me:
vroeger, toen ik een kind was, had papa een regiment van tuinlui en
het park zag er altijd als een tuin zoo netjes uit, met koepeltjes en
kijkjes en vazen en beelden. En nu zijn de koepeltjes vervallen en
sommige van de beelden hebben geen armen meer. O, weet je niet, dat
jij zelf altijd op die nimf daar klom en toen haar arm hebt gebroken?
--Ja, sprak Otto.
--Papa was zoo boos, en je moest drie dagen op je kamer eten en je
kreeg alleen droog brood met water. Herinner je je?
--Ja, knikte Otto glimlachend.
--En je wilde geen vergiffenis vragen aan papa--je was brutaal geweest,
toen hij op je gebromd had--en mama vroeg je toen, om het toch maar
te doen.... Herinner je je wel?
Hij drukte even haren arm, zonderling, bijna tot weenens toe verweekt
door die herinnering uit zijne kinderjaren, welke zich dooreen warde
met herinneringen van een paar zomers geleden, toen hij, niet met
Suzanne, toen hij met hàar hier had rondgedwaald....
--Zeg, Otto! vroeg Suzanne eensklaps. Zal je niet naar Den Haag
verlangen, als je zoo alleen te Elzen woont?
--Neen! antwoordde hij heftig. Neen, o neen! Ik wil van Den Haag weg.
Zij zag hem aan, verschrikt over zijn toon, en hij voegde er zachter
bij:
--Ik hoû van het buitenleven en ik verlang naar iets anders dan naar
mijn bureau.
--Wil je om geen andere reden van Den Haag weg? vroeg zij zacht.
--Om een andere reden? Neen, wel neen....
Hij zette zich op eene bank, maar zij bleef staan en plukte
werktuigelijk de trossen der kamperfoelie boven zijn hoofd. Zij had
op de lippen eene vraag, die zij niet uiten kon.
--O, Otto, zeg me.... is het niet om.... om? stamelde ze.
Hij zag vóór zich, terwijl zij de verwarde stengels uit elkaâr
rukte. Langzaam sprak hij:
--Wat meen je toch, Suze-lief? Dat het zou zijn om.... om
Eline? fluisterde hij terug met eene stem zonder uitdrukking.
--Ja! hernam zij verlegen en zette zich met eene liefkoozende beweging
naast hem en ordende hare kamperfoelies.
--Maar zusje-lief! vervolgde hij, steeds dof en op een wijze,
als uitte hij een zin, dien hij met moeite van buiten had geleerd,
hoe kan je dat denken? Denk je, dat een man altijd om een meisje
blijft treuren en dat een man er niet langzamerhand overheen komt,
wanneer zijn meisje hem zijn woord teruggeeft. Natuurlijk speet het
me in den eersten tijd, en was ik er verdrietig om. Maar nu is het
over, nu is heusch alles voorbij. Je ziet elkander niet meer, je
denkt langzamerhand niet meer aan elkander en je vergeet elkaâr. Aan
een gebroken hart is nog niemand in de werkelijkheid gestorven en
daarbij: het hart van een man breekt zoo gauw niet, je hebt immers
je bezigheden en het leven gaat zijn gang en laat je geen tijd veel
over je verdriet na te denken, al zou je dat willen. Bij een vrouw
is dat anders, die geeft zich meer aan zulke gevoelens over, niet waar?
Hij stond op als in een droom en zij volgde hem.
--Ja, dat is wel zoo, sprak ze, niet overtuigd.
--Dan vergeet je elkaâr, vervolgde hij op denzelfden toon: en dan
kan het best gebeuren, dat je later beiden iemand anders ontmoet,
van wien je begint te houden en met wien je gelukkig wordt. Zoo
gebeurt het honderdmaal in het leven.
--O ja! sprak zij weêr en hij, hij dacht aan een zin uit Eline's
brief: "dan vindt je een meisje, dat je waard is, en dat je gelukkig
kan maken...."
--Je moet je dus maar niet verbeelden, dat ik aan romaneske
liefdesmarten lijd! eindigde hij met iets als een schertsenden
glimlach. Zoo verschrikkelijk is het heusch niet met me gesteld, hoor!
Zij zweeg, vol treurigheid dat hij zoo sprak. Hij was dan, evenals
Mathilde, te trotsch om een ander in zijn leed te laten mede lijden en
hij verschool zich in een aangenomen ongevoeligheid, die zij doorzag,
hoewel zij het hem niet deed blijken. Zij liepen een pooze stil voort
en vernamen eensklaps een opgewonden stem, die een lang verhaal scheen
te doen. Het was Marianne, met Frédérique tusschen de lelietjes van
dalen gelegerd en die haar den inhoud van "Ein Gebet" mededeelde.
--Het is wel overdreven, maar het is prachtig, het is zoo boeiend! Zie
je, Raoul doet boete voor zijne moeder, die een zondares is geweest,
hoewel ik niet geloof, dat het zoo vreeselijk was, wat ze gedaan
had! Hij wordt priester en kastijdt zich en geeselt zich. Ik kon er
niet van slapen toen ik het gelezen had, hoe hij dan het huwelijk
inzegent van Tassillo en Editha. Editha is vreeslijk zacht en lief
en van Editha heeft Raoul altijd gehouden. Berthalda daarentegen,
is hartstochtelijk. Nu, ik vertelde je, dat Berthalda de hostie
vergiftigd heeft! Als Raoul dus de hostie aan Editha geeft, o,
verbeeld je, dan zinkt ze stervend neêr, en in plaats dat zij Raoul
het huwelijksformulier nazegt, spreekt zij voor het laatst zijn eigen
naam uit: Raoul! Zoo sterft ze, vindt je het niet vreeselijk? Ik heb
er over liggen te snikken! En Berthalda doet ook boete en gaat in een
klooster, onder de aarde, waar de zon nooit schijnt; en Raoul is in
éen nacht geheel en al grijs geworden.
Otto en Suzanne hadden, onzichtbaar achter de dikke stammen, geluisterd
en zij keerden nu op hun weg terug.
--Zie je, Suze! sprak Otto met dien zelfden pijnlijk schertsenden
glimlach: ik ben niet in éen nacht grijs geworden; ik ben heusch niet
als Raoul!
Zij bleef zwijgen, hangende aan zijn arm, en zwaaiende met hare
kamperfoelie, poogde zij even te lachen en neuriede zij een wijsje.