III.

Frédérique en Marianne, die elkaâr, hoewel zij tante en nicht waren,

bij den naam noemden, sliepen te zamen in een groote, hooge kamer, waar

een kolossaal, ouderwetsch bed stond van zwaar eikenhout, verborgen

onder zware, donkerbruine gordijnen. De deuren en lambrizeeringen

van het vertrek waren eveneens van eikenhout, terwijl het plafond

beschilderd was met een groot, half uitgewischt medaillon, waar men

nog een vaag tafereel van nimfen en cupidootjes onderscheidde.

--Vindt je het niet gezellig, dat we hier samen slapen? vroeg Marianne,

terwijl de beide meisjes zich des avonds ontkleedden. O, alleen zou

ik voor geen geld in deze kamer slapen: ik zou vreeselijk bang zijn,

jij ook niet?

--Ik geloof het niet; ik ben niet zoo gauw bang, antwoordde Freddy.

--Ik vind hier nog zoo iets romantisch, zoo iets antieks, sprak

Marianne. Je kan je hier verbeelden, dat je nog in de middeleeuwen

leeft, met al dat donkere hout en die blazoenen boven de deuren.

Frédérique had zich spoedig in haar nachtjapon gehuld en kroop in

het groote bed. Zij lachte even.

--Je verdrinkt hier in; ik heb nog nooit geslapen in dit bed.

Marianne teutte en liep op haar bloote voeten rond. Zij trok het

gordijn voor het venster op en de maan viel bleek naar binnen.

--Kijk Freddy, hoe geheimzinnig. Ben ik niet net een geest in dat

licht?

--Ach, Marianne, sta jezelve toch niet zoo bang te maken; kom nu in

bed, dan kakelen we gezellig.

Marianne liet het gordijn neêr, kleedde zich in een wip uit en nestelde

zich naast Freddy. Ook zij lachte even.

--Je kan hier wel een bal geven, in dit bed! O, ik zou dol zijn van

angst, als ik hier alleen moest slapen. Ik heb totnogtoe altijd in

onze oude kamer geslapen, waar ik met Jet was. Dus jij bent niet bang;

jij bent nooit bang?

--Wel neen. En jij, je maakt jezelve bang.

--O ja, dikwijls. Dan verbeeld ik me allerlei griezelige dingen van

spoken en schimmen van ridders, tot ik er van ril. Maar jij bent ook

zoo prozaïsch, je maakt zeker ook nooit verhalen bij jezelve.

--Verhalen? Wel neen. Wat voor verhalen?

--Heele romans. Ik verbeeld me dan bijvoorbeeld een ridderjonkvrouw te

zijn, de jongens zijn mijn schildknapen en de kinderen mijn pages. En

dan bemin ik een ridder, die me wil schaken, omdat mijn vader wreed

en bloeddorstig is, en hem niet tot schoonzoon wil hebben.

--Een complimenteus portret van je vader! schaterde Frédérique. En

de ridder, hoe ziet die er uit?

--Dan eens zoo en dan eens zoo! Zeg Freddy, ben jij nog nooit verliefd

geweest?

--Ach, wel neen.

--Hoe is het mogelijk! Ik wel tienmaal, maar het duurt altijd heel

kort bij me, zoo drie à vier weken, zie je. Bij voorbeeld in Bonn,

op mijn teekenmeester, daar was ik dol op. En dan een jongmensch,

blond met blauwe oogen, die me altijd stilletjes bonbons bracht.

Er volgde een lange opsomming van Mariannes's minnaars. Eensklaps

vroeg Freddy:

--Maar zeg eens, Marianne, hoe oud ben je toch geworden? Zeventien

of achttien.

--Wel achttien, kind!

Frédérique proestte het uit.

--Kind! herhaalde zij. Je bent zelf een kind, al ben je achttien

jaar. O, Marianne, wat ben je toch nog jong, met je spoken en je

teekenmeesters! Je bent net Etienne, die blijft ook altijd een jongen,

die groeit nooit op, die wordt nooit ouder....

Marianne maakte zich boos, en schudde haar heen en weêr, terwijl

Freddy steeds hartelijker lachte.

--Jij, jij bent een kind, omdat je nog nooit van iemand gehouden

hebt! Hoe is het nu mogelijk, dat iemand nooit van iemand houdt!

--Kom, ga maar droomen, van zijn blauwe oogen! lachte Freddy.

Zij bleef nog lang wakker, hoewel zij zich hield, alsof zij sliep,

en Marianne sliep in, met het hoofd een weinig tegen haar schouder

aan. Zij glimlachte nog lang, zij vond Marianne nog zoo jeugdig

voor hare achttien jaren! Zij, ze was nu drie-en-twintig,--het

was waar, dat was wel een onderscheid,--maar ze dacht dan toch ook

aan heel andere dingen dan aan romantische fantazieën van ridders

en edelvrouwen. Waar dacht ze dan toch eigenlijk tegenwoordig aan,

dikwijls in een ontevredenheid over zichzelve? Over wien dacht ze? Veel

over iemand, van wien zij het betreurde, dat hij niet anders was,

dàn hij was. Maar hoe had zij hem dan willen hebben en waarom dacht

ze aan hem, nu hij eenmaal niet was, zooals zij hem wenschte....?

--Het is vreemd, zoo vreemd! murmelde zij onhoorbaar. Ik begrijp niet,

waarom ik aan hem denk, ik wil niet aan hem denken, en ik denk altijd

aan hem....

Zij wist dat het zoet zoude zijn, zich aan hare gedachte zonder strijd

over te geven, maar een trots verdreef aanstonds zulke weekheid. Zij

voelde zich, had Théodore gezegd: er zat ras in haar! Hij, om wien

zij dacht, was niet waard, dat zij om hem dacht. Hij was--zij zag

dat nu klaar in--hij was wuft, hij was egoïst, hij was iemand, die

ieder wilde behagen....

Théodore's woorden hadden haar iets in zichzelve getoond, dat zij

nooit zoo scherp afgeteekend in zich vermoed had; hare fierheid

namelijk; geen fierheid op haar geboorte en haar naam alleen, maar een

fierheid, die in de minste harer zenuwen trilde, als met een ingeboren

aristocraticiteit, overgeërfd uit een edel voorgeslacht, dat zich

steeds hoog gesteld had. Zij ook, zij stelde zich hoog, en toch.... zij

was niet tevreden over zichzelve, integendeel o integendeel!

Lang lag zij nog te staren op de verbleekte nimfen en cupido's van

het plafond, waarheen Marianne, in de nachtelijke schemering van dat

groote vertrek, zeker nooit had durven turen. Telkens terwijl zij den

regelmatigen, rustigen adem van het kind naast zich hoorde suizen,

herhaalde zij in zichzelve die, niet te beantwoorden vraag: waarom

dacht ze aan.... Paul?

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 147 / 188 题