Frédérique en Marianne, die elkaâr, hoewel zij tante en nicht waren,
bij den naam noemden, sliepen te zamen in een groote, hooge kamer, waar
een kolossaal, ouderwetsch bed stond van zwaar eikenhout, verborgen
onder zware, donkerbruine gordijnen. De deuren en lambrizeeringen
van het vertrek waren eveneens van eikenhout, terwijl het plafond
beschilderd was met een groot, half uitgewischt medaillon, waar men
nog een vaag tafereel van nimfen en cupidootjes onderscheidde.
--Vindt je het niet gezellig, dat we hier samen slapen? vroeg Marianne,
terwijl de beide meisjes zich des avonds ontkleedden. O, alleen zou
ik voor geen geld in deze kamer slapen: ik zou vreeselijk bang zijn,
jij ook niet?
--Ik geloof het niet; ik ben niet zoo gauw bang, antwoordde Freddy.
--Ik vind hier nog zoo iets romantisch, zoo iets antieks, sprak
Marianne. Je kan je hier verbeelden, dat je nog in de middeleeuwen
leeft, met al dat donkere hout en die blazoenen boven de deuren.
Frédérique had zich spoedig in haar nachtjapon gehuld en kroop in
het groote bed. Zij lachte even.
--Je verdrinkt hier in; ik heb nog nooit geslapen in dit bed.
Marianne teutte en liep op haar bloote voeten rond. Zij trok het
gordijn voor het venster op en de maan viel bleek naar binnen.
--Kijk Freddy, hoe geheimzinnig. Ben ik niet net een geest in dat
licht?
--Ach, Marianne, sta jezelve toch niet zoo bang te maken; kom nu in
bed, dan kakelen we gezellig.
Marianne liet het gordijn neêr, kleedde zich in een wip uit en nestelde
zich naast Freddy. Ook zij lachte even.
--Je kan hier wel een bal geven, in dit bed! O, ik zou dol zijn van
angst, als ik hier alleen moest slapen. Ik heb totnogtoe altijd in
onze oude kamer geslapen, waar ik met Jet was. Dus jij bent niet bang;
jij bent nooit bang?
--Wel neen. En jij, je maakt jezelve bang.
--O ja, dikwijls. Dan verbeeld ik me allerlei griezelige dingen van
spoken en schimmen van ridders, tot ik er van ril. Maar jij bent ook
zoo prozaïsch, je maakt zeker ook nooit verhalen bij jezelve.
--Verhalen? Wel neen. Wat voor verhalen?
--Heele romans. Ik verbeeld me dan bijvoorbeeld een ridderjonkvrouw te
zijn, de jongens zijn mijn schildknapen en de kinderen mijn pages. En
dan bemin ik een ridder, die me wil schaken, omdat mijn vader wreed
en bloeddorstig is, en hem niet tot schoonzoon wil hebben.
--Een complimenteus portret van je vader! schaterde Frédérique. En
de ridder, hoe ziet die er uit?
--Dan eens zoo en dan eens zoo! Zeg Freddy, ben jij nog nooit verliefd
geweest?
--Ach, wel neen.
--Hoe is het mogelijk! Ik wel tienmaal, maar het duurt altijd heel
kort bij me, zoo drie à vier weken, zie je. Bij voorbeeld in Bonn,
op mijn teekenmeester, daar was ik dol op. En dan een jongmensch,
blond met blauwe oogen, die me altijd stilletjes bonbons bracht.
Er volgde een lange opsomming van Mariannes's minnaars. Eensklaps
vroeg Freddy:
--Maar zeg eens, Marianne, hoe oud ben je toch geworden? Zeventien
of achttien.
--Wel achttien, kind!
Frédérique proestte het uit.
--Kind! herhaalde zij. Je bent zelf een kind, al ben je achttien
jaar. O, Marianne, wat ben je toch nog jong, met je spoken en je
teekenmeesters! Je bent net Etienne, die blijft ook altijd een jongen,
die groeit nooit op, die wordt nooit ouder....
Marianne maakte zich boos, en schudde haar heen en weêr, terwijl
Freddy steeds hartelijker lachte.
--Jij, jij bent een kind, omdat je nog nooit van iemand gehouden
hebt! Hoe is het nu mogelijk, dat iemand nooit van iemand houdt!
--Kom, ga maar droomen, van zijn blauwe oogen! lachte Freddy.
Zij bleef nog lang wakker, hoewel zij zich hield, alsof zij sliep,
en Marianne sliep in, met het hoofd een weinig tegen haar schouder
aan. Zij glimlachte nog lang, zij vond Marianne nog zoo jeugdig
voor hare achttien jaren! Zij, ze was nu drie-en-twintig,--het
was waar, dat was wel een onderscheid,--maar ze dacht dan toch ook
aan heel andere dingen dan aan romantische fantazieën van ridders
en edelvrouwen. Waar dacht ze dan toch eigenlijk tegenwoordig aan,
dikwijls in een ontevredenheid over zichzelve? Over wien dacht ze? Veel
over iemand, van wien zij het betreurde, dat hij niet anders was,
dàn hij was. Maar hoe had zij hem dan willen hebben en waarom dacht
ze aan hem, nu hij eenmaal niet was, zooals zij hem wenschte....?
--Het is vreemd, zoo vreemd! murmelde zij onhoorbaar. Ik begrijp niet,
waarom ik aan hem denk, ik wil niet aan hem denken, en ik denk altijd
aan hem....
Zij wist dat het zoet zoude zijn, zich aan hare gedachte zonder strijd
over te geven, maar een trots verdreef aanstonds zulke weekheid. Zij
voelde zich, had Théodore gezegd: er zat ras in haar! Hij, om wien
zij dacht, was niet waard, dat zij om hem dacht. Hij was--zij zag
dat nu klaar in--hij was wuft, hij was egoïst, hij was iemand, die
ieder wilde behagen....
Théodore's woorden hadden haar iets in zichzelve getoond, dat zij
nooit zoo scherp afgeteekend in zich vermoed had; hare fierheid
namelijk; geen fierheid op haar geboorte en haar naam alleen, maar een
fierheid, die in de minste harer zenuwen trilde, als met een ingeboren
aristocraticiteit, overgeërfd uit een edel voorgeslacht, dat zich
steeds hoog gesteld had. Zij ook, zij stelde zich hoog, en toch.... zij
was niet tevreden over zichzelve, integendeel o integendeel!
Lang lag zij nog te staren op de verbleekte nimfen en cupido's van
het plafond, waarheen Marianne, in de nachtelijke schemering van dat
groote vertrek, zeker nooit had durven turen. Telkens terwijl zij den
regelmatigen, rustigen adem van het kind naast zich hoorde suizen,
herhaalde zij in zichzelve die, niet te beantwoorden vraag: waarom
dacht ze aan.... Paul?