II.

Den volgenden avond, om en bij negen uur, rammelde de oude tentwagen,

waarmede Théodore Van Erlevoort en Klaas, zijn koetsier, naar

het station van Elzen gereden waren, de hooge eikenlaan der Horze

binnen. Marianne, die van kostschool voor goed thuis was gekomen,

kwam met Edmée en de twee bébés der Van Stralenburgen het rijtuig in

de laan reeds tegemoet en de drie dreumessen sprongen als jonge honden

en poogden het rijtuig bij te houden, tot grooten angst van Marianne...

--Dag oma! Dag tante Tilly! Dag tante Freddy! Dag oom Eetje!

De Van Rijsseltjes gilden, kraaiden van blijdschap, en Marianne wuifde

hen lachend met de hand en allen wuifden en riepen terug. Tusschen de

zuilen der verandah zagen zij Truus met Suzanna en haar man, Arnold

Van Stralenburg. Klaas deed na een breeden, ratelenden draai om den

vijver zijn paarden stil houden. Van alle kanten stapten de reizigers

uit, en men kon elkander in de eerste minuten niet verstaan door de

drukte der kinderen, die omhelsden en zoenden waar zij maar konden,

terwijl de drie groote patrijshonden van Théodore, luid blaffend,

daartusschen opsprongen en de kleintjes omver wierpen.

Van Stralenburg had mevrouw Van Erlevoort het laatst helpen uitstijgen

en ook zij werd nu bestormd door haar luidruchtige kleinkinderen, die

met de honden door de lange beenen van hun oom uit Zwolle heenglipten

om haar in hunne armen te smoren.

Truus, Mathilde en Suzanne lieten de kinderen uitrazen; daarna

verschenen juffrouw Frantzen en de twee andere bonnes, en het

jonge goed werd, na boterhammen gegeten te hebben, meêdoogenloos

weggevoerd. Mathilde ging eveneens om te zien of haar viertal het

goed had in zijn nieuwe bedjes.

Zij hadden elkaar den geheelen winter niet gezien en het regende

vragen. Mevrouw Van Erlevoort zag rond, alsof zij iemand miste.

--En Jet! En de jongens? Waar zijn die? vroeg ze.

--Maar moesje, alle drie nog op school. De vacantie is nog niet

begonnen! antwoordde Truus lachende om het ongelukkige gezicht harer

schoonmoeder. Jet maakt het heel goed in Bonn, ze schrijft lange

brieven. Cor is met zijn schip te Buenos-Ayres geweest.

--En juffrouw Voermans is weg, hé?

--Ja, het goede mensch heeft ons verlaten, met tranen in haar

oogen. Maar ze was niet meer noodig en een gouvernante voor de luxe

er op na te houden, dat ging niet. Théodore bromt toch al genoeg over

zijn pachters.

--Théodore, herhaalde deze, die zijn naam vernomen had, bromt nooit,

vooral niet, als hij pas de familie terugziet. Freddy, wat zie

je er goed uit! Iederen zomer, dat ik je terugzie, ben je mooier

geworden. Hè, Truus, kijk eens, wat een flinke frissche meid! Wou je

niet, dat jij zoo een zus hadt?

Hij pakte haar om heur middel en toonde haar bewonderend aan zijn

vrouw, die vroolijk toezag.

--Ach, dwaze jongen! lachte Frédérique blozend en duwde hem van zich

af. Alsof ik je zuster niet was, hè, Truus?

Maar Théodore vatte heure hand.

--En binnen in het kleine hartje alles nog in orde? fluisterde hij

schalks. Nog niemand, voor wien het gauwer: tik, tik! zegt?

Freddy schaterde het uit met een helderen, gezonden lach.

--O neen, tot nog toe voor niemand! Wees maar niet bang, dat zal zoo

gauw niet gebeuren.

--Schrik je dan al de courmakers af?

--Ik laat me geen cour maken!

--Hou je ze dan zoo op een afstand?

--O ja, heel ver op een afstand! Zoo ver mogelijk! lachte zij

steeds. Ik heb nog niemand gevonden, die me waard is, nog niemand!

--Trotsch ding, pedante nuf! schertste hij terug. Wacht maar, ze

zullen je nog laten zitten!

Zij lachte steeds vroolijker, steeds helderder om zijne bedreiging. Hij

vond haar prachtig in dien lach. Zij geleek eene jonge godin, eene

spottende Diana met hare lenige, volle gestalte en haar fier hoofd, dat

zij nu uittartend in den nek wierp, terwijl hare glanzende oogen hem

dartel en overmoedig aanzagen. Er was, niettegenstaande die overmoedige

dartelheid, iets treffend waars en oprechts in hare schoonheid, iets

koninklijks in hare houding; iets, waaruit hij opmaakte, dat zij niet

coquetteerde, maar dat zij zich, al schertste zij er over, hoog stelde.

--Zoo, je voelt je dus? hernam hij. Nu, dat mag ik zien. Dat bewijst,

dat er ras in je zit....

En hij nam met een tevreden blik haar nogmaals goed op, hij vond haar

een echte Erlevoort, nu hare fierheid zijn ingeboren familietrots

gestreeld had.

--Maar wat zeg je van Eetje? vroeg mevrouw verheugd. Die komt hier

studeeren!

--De komst van meneer is mij een aangename verrassing! sprak Théodore

met een deftige buiging.

Frédérique begon weer te lachen.

--Ja, die goede jongen! sprak ze vroolijk tot Van Stralenburg. Verbeeld

je, Arnold, bijna had hij vergeten zijn geleerdheid meê te nemen. Een

uur, voordat we van ochtend weggingen, kwam hij wanhopig met een

stapel wetboeken of ik weet niet wat voor histories aandragen. Bijna

in elk van onze koffers zitten nu een paar deeltjes.

--Ja, ik kan onmogelijk aan alles denken! verdedigde Etienne zich.

--Fatale druktes, die je hoofd doen omloopen! spotte Arnold met zijn

toegeknepen zwarte oogen. Ik kan me dat zoo goed begrijpen. Bezigheden,

conferenties, correspondenties, consultaties....

Hij had de gewoonte Etienne voortdurend voor den gek te houden, en

Etienne draalde nooit hem troef te geven en meermalen eindigden de

woordenschermutselingen in handtastelijkheden en bokspartijen.

--Arnold, begin nu niet dadelijk met Etienne te kibbelen! riep

Suzanne. Mama, u zal zien, dat ze weêr gaan vechten!

--Oom Arnold en Etienne zijn altijd als hanen tegen elkaâr! zei

Marianne.

Arnold echter beweerde, dat hun strijdlust nu versmolt in de

teederheid van het weêrzien en hij omhelsde Etienne, in groote,

comieke omhelzingen, terwijl zijn lange armen om zijn schoonbroêr heen

en weêr zwaaiden. Etienne echter duwde eensklaps Arnolds hoofd naar

beneden en sprong over zijn rug heen. Als bij afspraak, zonder een

woord te zeggen, sprong Arnold daarop over Etienne, en zoo sprongen

zij beurtelings voort met ernstige gezichten. Allen lachten.

--Als ze niet als hanen zijn, zijn ze als clowns! gierde Marianne,

als clowns!

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 146 / 188 题