Den volgenden avond, om en bij negen uur, rammelde de oude tentwagen,
waarmede Théodore Van Erlevoort en Klaas, zijn koetsier, naar
het station van Elzen gereden waren, de hooge eikenlaan der Horze
binnen. Marianne, die van kostschool voor goed thuis was gekomen,
kwam met Edmée en de twee bébés der Van Stralenburgen het rijtuig in
de laan reeds tegemoet en de drie dreumessen sprongen als jonge honden
en poogden het rijtuig bij te houden, tot grooten angst van Marianne...
--Dag oma! Dag tante Tilly! Dag tante Freddy! Dag oom Eetje!
De Van Rijsseltjes gilden, kraaiden van blijdschap, en Marianne wuifde
hen lachend met de hand en allen wuifden en riepen terug. Tusschen de
zuilen der verandah zagen zij Truus met Suzanna en haar man, Arnold
Van Stralenburg. Klaas deed na een breeden, ratelenden draai om den
vijver zijn paarden stil houden. Van alle kanten stapten de reizigers
uit, en men kon elkander in de eerste minuten niet verstaan door de
drukte der kinderen, die omhelsden en zoenden waar zij maar konden,
terwijl de drie groote patrijshonden van Théodore, luid blaffend,
daartusschen opsprongen en de kleintjes omver wierpen.
Van Stralenburg had mevrouw Van Erlevoort het laatst helpen uitstijgen
en ook zij werd nu bestormd door haar luidruchtige kleinkinderen, die
met de honden door de lange beenen van hun oom uit Zwolle heenglipten
om haar in hunne armen te smoren.
Truus, Mathilde en Suzanne lieten de kinderen uitrazen; daarna
verschenen juffrouw Frantzen en de twee andere bonnes, en het
jonge goed werd, na boterhammen gegeten te hebben, meêdoogenloos
weggevoerd. Mathilde ging eveneens om te zien of haar viertal het
goed had in zijn nieuwe bedjes.
Zij hadden elkaar den geheelen winter niet gezien en het regende
vragen. Mevrouw Van Erlevoort zag rond, alsof zij iemand miste.
--En Jet! En de jongens? Waar zijn die? vroeg ze.
--Maar moesje, alle drie nog op school. De vacantie is nog niet
begonnen! antwoordde Truus lachende om het ongelukkige gezicht harer
schoonmoeder. Jet maakt het heel goed in Bonn, ze schrijft lange
brieven. Cor is met zijn schip te Buenos-Ayres geweest.
--En juffrouw Voermans is weg, hé?
--Ja, het goede mensch heeft ons verlaten, met tranen in haar
oogen. Maar ze was niet meer noodig en een gouvernante voor de luxe
er op na te houden, dat ging niet. Théodore bromt toch al genoeg over
zijn pachters.
--Théodore, herhaalde deze, die zijn naam vernomen had, bromt nooit,
vooral niet, als hij pas de familie terugziet. Freddy, wat zie
je er goed uit! Iederen zomer, dat ik je terugzie, ben je mooier
geworden. Hè, Truus, kijk eens, wat een flinke frissche meid! Wou je
niet, dat jij zoo een zus hadt?
Hij pakte haar om heur middel en toonde haar bewonderend aan zijn
vrouw, die vroolijk toezag.
--Ach, dwaze jongen! lachte Frédérique blozend en duwde hem van zich
af. Alsof ik je zuster niet was, hè, Truus?
Maar Théodore vatte heure hand.
--En binnen in het kleine hartje alles nog in orde? fluisterde hij
schalks. Nog niemand, voor wien het gauwer: tik, tik! zegt?
Freddy schaterde het uit met een helderen, gezonden lach.
--O neen, tot nog toe voor niemand! Wees maar niet bang, dat zal zoo
gauw niet gebeuren.
--Schrik je dan al de courmakers af?
--Ik laat me geen cour maken!
--Hou je ze dan zoo op een afstand?
--O ja, heel ver op een afstand! Zoo ver mogelijk! lachte zij
steeds. Ik heb nog niemand gevonden, die me waard is, nog niemand!
--Trotsch ding, pedante nuf! schertste hij terug. Wacht maar, ze
zullen je nog laten zitten!
Zij lachte steeds vroolijker, steeds helderder om zijne bedreiging. Hij
vond haar prachtig in dien lach. Zij geleek eene jonge godin, eene
spottende Diana met hare lenige, volle gestalte en haar fier hoofd, dat
zij nu uittartend in den nek wierp, terwijl hare glanzende oogen hem
dartel en overmoedig aanzagen. Er was, niettegenstaande die overmoedige
dartelheid, iets treffend waars en oprechts in hare schoonheid, iets
koninklijks in hare houding; iets, waaruit hij opmaakte, dat zij niet
coquetteerde, maar dat zij zich, al schertste zij er over, hoog stelde.
--Zoo, je voelt je dus? hernam hij. Nu, dat mag ik zien. Dat bewijst,
dat er ras in je zit....
En hij nam met een tevreden blik haar nogmaals goed op, hij vond haar
een echte Erlevoort, nu hare fierheid zijn ingeboren familietrots
gestreeld had.
--Maar wat zeg je van Eetje? vroeg mevrouw verheugd. Die komt hier
studeeren!
--De komst van meneer is mij een aangename verrassing! sprak Théodore
met een deftige buiging.
Frédérique begon weer te lachen.
--Ja, die goede jongen! sprak ze vroolijk tot Van Stralenburg. Verbeeld
je, Arnold, bijna had hij vergeten zijn geleerdheid meê te nemen. Een
uur, voordat we van ochtend weggingen, kwam hij wanhopig met een
stapel wetboeken of ik weet niet wat voor histories aandragen. Bijna
in elk van onze koffers zitten nu een paar deeltjes.
--Ja, ik kan onmogelijk aan alles denken! verdedigde Etienne zich.
--Fatale druktes, die je hoofd doen omloopen! spotte Arnold met zijn
toegeknepen zwarte oogen. Ik kan me dat zoo goed begrijpen. Bezigheden,
conferenties, correspondenties, consultaties....
Hij had de gewoonte Etienne voortdurend voor den gek te houden, en
Etienne draalde nooit hem troef te geven en meermalen eindigden de
woordenschermutselingen in handtastelijkheden en bokspartijen.
--Arnold, begin nu niet dadelijk met Etienne te kibbelen! riep
Suzanne. Mama, u zal zien, dat ze weêr gaan vechten!
--Oom Arnold en Etienne zijn altijd als hanen tegen elkaâr! zei
Marianne.
Arnold echter beweerde, dat hun strijdlust nu versmolt in de
teederheid van het weêrzien en hij omhelsde Etienne, in groote,
comieke omhelzingen, terwijl zijn lange armen om zijn schoonbroêr heen
en weêr zwaaiden. Etienne echter duwde eensklaps Arnolds hoofd naar
beneden en sprong over zijn rug heen. Als bij afspraak, zonder een
woord te zeggen, sprong Arnold daarop over Etienne, en zoo sprongen
zij beurtelings voort met ernstige gezichten. Allen lachten.
--Als ze niet als hanen zijn, zijn ze als clowns! gierde Marianne,
als clowns!