I.

Frédérique gevoelde zich zeer ontevreden over zichzelve. Zij meende dat

die ontevredenheid voortsproot uit een tweede vertrouwelijk gesprek

met Paul, waarin zij zich opnieuw vermeten had hem de les te lezen,

omdat zij ontdekt had, dat hij Etienne telkens geld leende. Wat,

dacht ze, liet ze zich toch altijd verleiden om zich in de zaken

van die jongens te mengen! Etienne was een groot kind en hèm mocht

ze, als zuster, wel eens de waarheid zeggen, maar Paul zou haar

langzamerhand onverdragelijk gaan vinden met haar wijze lessen en

haar bouderies. Want zij had hem weder geboudeerd om die zaak van

Etienne, voordat het tot een verklaring was gekomen. Waarom had ze

Paul niet koelweg gevraagd Etienne niet meer te leenen, waarom had

ze eerst geboudeerd en daardoor, als wenschte zij het zelve, eene

tweede explicatie uitgelokt! Waarom was dat noodig!

Zij zat nu, des avonds na het middagmaal, met hare moeder en Mathilde

in de open tuinkamer, terwijl Tina en Jo zich met de lange caoutchouc

slang van de tuinspuit beijverden. Zij hieven de koperen sprits op en

een waaier van druppelende stralen viel over de rozen en reseda's, de

verbena's en heliotropen, de geraniums en bolbegonia's neêr, zoodat de

bloemen heen en weêr schudden en de grasperken glinsterden van vocht.

Op het grindpad solden Lientje en Nico met Hector, somtijds gillend

verjaagd door eene dreigende beweging van Tina's spuit.

--Tina! Tina! Niet de kinderen nat maken! En laat het niet zoo hard

over die bloemen regenen! Een beetje zachter! vermaande Mathilde.

Zeker, Paul zou haar ondragelijk vinden, dacht Frédérique, terwijl

zij haar boek in den schoot legde en naar de kinderen zag. Hun eerste

gesprek over zijn nietsdoen, over het gehalte zijner kennissen, over

zijn hatelijk-cynische wijze van praten, kwam haar in hare stemming

van ontevredenheid nog bespottelijker voor dan dit laatste, dat ten

minste een raison d'être gehad had. Bespottelijk vooral, omdat zij

den volgenden dag, op het bal, zich geheel en al had laten medesleepen

door de bekoring van zijne vroolijkheid. Zeker, zij hield van dansen en

zij had prettig met hem gedanst, maar... zij was, na dat bal vooral,

zeer ontevreden over zichzelve geworden. Toch had zij niets gedaan,

niets gezegd, dat zij zich verwijten kon...

--Lientje, foei! Wat plaag je Hector! Je zal zien, dat hij je nog

eens bijt! riep Mathilde.

Frédérique kon hare gedachten niet volgen, afgeleid als zij werd

door het geruisch der waterstralen op de breede bladen van een

rhabarberplant, door het gieren der kinderen en Hectors geblaf. En

toch wilde zij zoo gaarne weten, waaróm zij eigenlijk ontevreden was

over zichzelve.

Zij ried iets van de waarheid, maar zij wilde die, uit een zekere

schaamte, niet doorgronden. Pauls geflirt met al die meisjes had

haar gehinderd; hij maakte haar allen het hof en hij meende het met

niemand. Was dat louter scherts, dien zij allen begrepen, of was dat

iets valsch? Hij was toch niet slecht; zij geloofde zelfs niet eens,

dat hij wuft was; hij was alleen wat over het paardje getild, omdat hij

er knap uitzag en geld had, maar hij had een goed hart; hij zou niemand

leed hebben kunnen doen. Toch, wat kon haar dat alles schelen! Waarom

hinderde het haar, dat hij die nuffen, zooals Ange en Léonie en dat

dwaze nest van een Françoise, courtizeerde! Waarom trok zij zich dat

aan, meer dan zij het zich van een ander jongmensch uit haar kringen

zou aangetrokken hebben? Omdat zij hem beter en langer kende en omdat

hij de neef van Marie en Lili was? Dit was toch geen reden.

En het hinderde haar, dat zij niet met haar gewone oprechtheid in

zichzelve dorst zien, als in een spiegel.

Toch streelde het haar, dat hij met haar anders vroolijk was,

dat hij met haar anders sprak, dan hij met die nuffen en nesten

deed. Hij stelde haar dus hooger. Of begreep hij slechts, dat zij

zich zijn brutaliteiten en quasiverliefden overmoed niet zou laten

welgevallen? Zag hij een beetje tegen haar op, omdat zij nu en dan

eens ernstig zich met hem onderhield? Allerhatelijkst werd haar die

gedachte; allerhatelijkst zou het haar zijn, zoo Paul tegen haar

opzag. Werd haar dit zekerheid, ze zou zich nooit meer alleen in een

gesprek met hem wagen, ze zou desnoods zijn als die anderen en met

hem coquetteeren. Maar neen, dat zou toch nooit kunnen! En daarbij,

waaróm was het haar een allerhatelijkste gedachte, dat Paul tegen

haar op zou zien?

Al die vragen werden haar als een labyrinth, waarin haar gedachte

ronddoolde, zonder een uitweg te kunnen vinden. En desniettemin

vermoedde zij wel eenigszins waar de uitweg was, maar zij wilde niet

voor zichzelve weten, dat zij dit vermoedde.

--Freddy, wil je me straks komen helpen om een laatste hand aan de

koffers te leggen? vroeg Mathilde. Dan breng ik eerst de kinderen

naar bed.

Freddy beloofde het. Juffrouw Frantzen was beneden gekomen en met

haar hulp bracht Mathilde het lastige viertal, dat met veel drukte de

spuit had opgeborgen, naar boven. Morgenochtend zouden zij allen naar

de Horze vertrekken, om er den geheelen zomer door te brengen. Het

was een zuinigheidsmaatregel, dien Théodore Van Erlevoort zijn moeder

had aangeraden, want zij kon op het landgoed eenvoudiger wonen dan in

het groote huis van het Voorhout, waar zij verplicht was op een voet

te leven, die niet meer overeenkomstig haar middelen was. Zij had er

dan ook zelve wel eens over gedacht voor goed de Horze te betrekken en

afstand van haar geliefde woning te doen, maar het had haar steeds een

te zwaar offer geschenen. Zij zou het nu echter op de Horze zoo lang

mogelijk willen rekken, misschien wel tot November toe. Het landelijke

leven lachte haar toe, temidden van het lieve troepje van Théodore.

Ook Mathilde ging gaarne naar de Horze en zij had geen bezwaar gemaakt

Tine en Jo een paar maanden vóor de vacantie van school te nemen; zij

zou ze, als vroeger, weêr zelve kunnen leeren en zij genoot met een

heimelijk genoegen bij dat denkbeeld. Freddy was liever in Den Haag

gebleven; waarom, was haar niet duidelijk en deze onduidelijkheid

verergde haar stemming van ontevredenheid over zichzelve. Zij had

er echter niets van laten blijken en zij was voor de anderen in

huis zooals zij steeds geweest was, vroolijk en vriendelijk. Alleen

Etienne had zij dien dag wat koel op een afstand gehouden, zoowel om

die geldgeschiedenis met Paul als omdat hij mopperde, dat zij voor

zoo lang naar de Horze zouden gaan. Hij sprak er dan ook over een

kamer te nemen, in Leiden of Den Haag; waar, wist hij nog niet.

Otto was in den laatsten tijd bij tusschenpoozen op de Horze

geweest. Hij had dikwijls ernstig met Théodore gesproken; hij wilde

iets in de provincie zoeken en Den Haag verlaten. Hij was reeds half

geslaagd; door protectie van oude vrienden zijns vaders had hij

nu kans om als rentmeester op een der kroondomeinen in Gelderland

geplaatst te worden.

Hoewel mevrouw Van Erlevoort hem steeds afried zich in een stille

afzondering terug te trekken, was hij te moê van Den Haag om niet naar

een atmosfeer van nieuwe frischheid te verlangen. Hij hoopte op niets,

hij wenschte niets, hij smachtte alleen naar een eenzame ruimte, waar

hij niemand ergeren zou met zijn doffe melancholie. Hij had veel van

zijne vroegere flinkheid verloren; hij had zich niet kunnen opheffen

onder zijn smart, die hem in doffe mijmeringen verweekt had. Maar,

als Mathilde, klaagde hij nooit, toonde hij zich nooit ongedurig en

ontevreden, en bleef hij eenvoudig en degelijk, uiterlijk dezelfde

van voorheen.

Mevrouw Van Erlevoort was in de stilte, die de kinderen achter zich

hadden gelaten zachtjes ingesluimerd en Frédérique verliet het vertrek,

toen zij in de vestibule Etienne ontmoette, die juist de trap afkwam.

--Waar ga je naar toe? vroeg hij.

--Ik ga Mathilde met de koffers helpen, antwoordde zij.

--Toe, help mij liever met de mijne! hernam hij gemaakt

ongedwongen. Mathilde heeft immers de juf, en ik heb geen geduld al

dat goed zoo netjes te leggen.

--Heb je dan een kamer gehuurd? Hier of in Leiden?

--Ik... ik heb geen kamer gehuurd. Ik ga meê naar de Horze, dan kan

ik daar goed en rustig studeeren voor mijn doctoraal. Van Leiden

is eigenlijk geen sprake in de vacantie en hier zou ik toch niet

werken. En zie je, het moet toch! fluisterde hij verder; ik kan toch

maar zoo niet blijven hangen, terwijl ik Théodore over zuinigheid

zie schrijven, en mama zucht, dat ze niet toekomt; vindt je niet?

Zij zag hem met een langen, zachten blik aan, terwijl hij een beetje

verlegen voor haar stond.

--Goed, sprak ze. Ik zal je helpen.

--Ga dan even meê naar mijn kamer, wil je? vroeg hij, opgewekt door

haar vriendelijken toon.

Zij gingen samen de trap op. In zijne kamer stond zijn koffer open,

zijne kast eveneens.

--Ik zal alles wat ik meeneem op mijn bed gooien, pak jij het dan in?

--Goed.

--En ben je niet meer boos, om dat geld? vroeg hij met de liefkoozende

stem van een bedorven kind.

--Neen, maar geef het Paul van avond nog terug, als je hem ziet. Ik

zal er je wel aan helpen, ik heb nog geld.

--Je hebt toch niets tegen Paul?

--Neen, niets! murmelde zij. Maar het is toch beter.... dat je.... geen

verplichtingen aan hem hebt.

--Maar Freddy! Aan mijn besten vriend? Ik ben niet bang hem iets

verplicht te zijn.

--O zeker, hij is heel goedhartig, maar het is toch beter, dat je

het hem terug geeft, niet waar?

Hij beloofde het en zij was opnieuw zeer ontevreden over zichzelve. Zij

zouden haar beiden onuitstaanbaar vinden, met hare inmenging in hunne

zaken. Maar Etienne vond haar niet onuitstaanbaar; hij vond haar een

engel, dat zij voor zijn koffer wilde zorgen.

--Zie je.... hemden, boorden, sokken... Nou, de rest vind je zelf

wel, hé? Dan zal ik Paul zien op te diepen, ten minste, als je mij

dat geld geven kan.

Zij had het reeds bij zich gestoken met het voornemen het hem aan te

bieden en zij gaf het hem nu.

--Dank je. Het is morgen dus vroeg opstaan, hé? O ja, zeg Willem even,

dat hij me wakker maakt, wil je? Nu, adieu.

Hij wilde vertrekken, maar zij nam zijn hoofd tusschen hare handen

en zoende hem.

--Je bent een beste jongen, dat je naar de Horze gaat. Wat zal mama

blij zijn! En Théodore, vooral als hij hoort waarom je meêgaat! sprak

zij vriendelijk.

Hij was recht vroolijk, dat zij verzoend waren, en zij hoorde hem

weldra, fluitende, de treden der trap afspringen.

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 145 / 188 题