Reijer zou den dag, die op dezen nacht volgde, niet komen, maar Eline
schreef hem dringend en hij kwam. Zij smeekte hem bijna, dat hij
haar iets geven zou, wat haar mocht doen slapen, daar zij krankzinnig
dacht te zullen worden, zoo die nachtmerries van slapeloosheid zich
herhaalden. Reijer antwoordde, dat hij haar wel het een of ander
kon voorschrijven om te slapen, maar dat het beter was, indien zij
zonder kunstmiddelen haar slaap terugwon. Zij moest beweging nemen,
wandelen. Eline haalde met een zucht van ongeduld haar schouders
op. Zij was dien morgen gebroken opgestaan; zij sleepte zich, gedrukt
door de warmte, van den eenen stoel op den anderen. Beweging nemen! Zij
was er niet toe bij machte en zij bleef thuis, en herleefde slechts
een weinig in de koelheid van den avond, in haar grooten rieten stoel,
op de open verandah. Mevrouws blik bleef bezorgd op haar rusten.
Paul dronk, naar zijne tegenwoordige gewoonte, een kop thee mede,
gezeten op de ballustrade. Ook hij zag Eline aan en herinnerde zich
hoe hij op het bal van Lili's bruiloft het voornemen had opgevat
Eline het hof te maken, voor de grap. Al had zij hare vroegere
frischheid verloren, toch maakte zij, in haar gracieuse magerte, op
hem een indruk van belangwekkendheid en ongewoonheid; hij vond haar,
al was zij afgevallen, toch schoon met haar holle, donkere kijkers
en haar klein, treurig mondje. Maar hij vergat de honigtaal zijner
brutale galanterie en het verliefde spel zijner onbeschaamde oogen,
nu hij bespeurde hoeveel er in Eline geknakt was. Hij herinnerde zich,
hoe hij haar vroeger steeds gezien had, schitterend van coquetterie en
levensgenot, een parelenden lach op de lippen, en een groot medelijden
vervulde hem bij die herinnering. Hij voelde, dat zij gelijk had,
zoo zij zich eene ruïne van binnen als van buiten noemde.
--Hoe gaat het, Eline? beter dan van middag? vroeg hij en in zijn
stem klonk iets hartelijks, dat haar aan Henk deed denken.
Zij antwoordde hem kwijnend en hij vroeg haar, terwijl hij haar de
sterren, die begonnen te fonkelen, wees, of zij zijn sterrenglobe
nu wilde zien: hij had die des morgens, uit een grooten rommel op
zolder, voor haar opgediept. De sterren konden haar in dit oogenblik
weinig schelen, maar zij wilde hem niet in zijne vriendelijkheid
teleurstellen. Hij haalde dus de globe, zette zich naast haar en
zij richtte zich op in haar stoel. Mevrouw Van Raat zag mijmerend
toe, hoe Paul met heur haakpen Eline de sterrenbeelden wees en de
namen er van noemde. Daarna trachtte Eline in den hemel de beelden
terug te vinden en zij glimlachte, terwijl haar wijsvinger van ster
tot ster lijnen trok. Eline glimlachte en mevrouw mijmerde op dien
glimlach voort. Pauls hartelijkheid voor Eline trof haar, terwijl ze
dien cynischen klank, die satirieke tint in zijn stem, dat luchtig
minachtende in zijn wijze van spreken miste. Vage droombeelden rezen in
haar op; vroeger had zij Eline gaarne de vrouw van Henk zien worden;
thans zag zij in haren geest iets als een onbestemde teederheid
tusschen Eline en Paul.
Verheugd bespeurde zij, hoe Eline minder kwijnend sprak en opgewekter
lachte, nu Paul op leekenmanier de astronomische les voortzette. Eline
moest zich niet vergissen; zij zag op de sterren van de globe neêr, en
naar de sterren aan den hemel zag zij op; ze moest zich dus verbeelden,
dat zij in de globe was...
Paul bleef dien avond thuis, tot mevrouw en Eline om elf uur naar bed
gingen, en mevrouw gaf hem, toen hij vertrok, niet als naar gewoonte
een kort knikje; zij trok hem even bij de hand tot zich en kuste
zijn voorhoofd.
Hoofdstuk XXXI.