III.

Reijer zou den dag, die op dezen nacht volgde, niet komen, maar Eline

schreef hem dringend en hij kwam. Zij smeekte hem bijna, dat hij

haar iets geven zou, wat haar mocht doen slapen, daar zij krankzinnig

dacht te zullen worden, zoo die nachtmerries van slapeloosheid zich

herhaalden. Reijer antwoordde, dat hij haar wel het een of ander

kon voorschrijven om te slapen, maar dat het beter was, indien zij

zonder kunstmiddelen haar slaap terugwon. Zij moest beweging nemen,

wandelen. Eline haalde met een zucht van ongeduld haar schouders

op. Zij was dien morgen gebroken opgestaan; zij sleepte zich, gedrukt

door de warmte, van den eenen stoel op den anderen. Beweging nemen! Zij

was er niet toe bij machte en zij bleef thuis, en herleefde slechts

een weinig in de koelheid van den avond, in haar grooten rieten stoel,

op de open verandah. Mevrouws blik bleef bezorgd op haar rusten.

Paul dronk, naar zijne tegenwoordige gewoonte, een kop thee mede,

gezeten op de ballustrade. Ook hij zag Eline aan en herinnerde zich

hoe hij op het bal van Lili's bruiloft het voornemen had opgevat

Eline het hof te maken, voor de grap. Al had zij hare vroegere

frischheid verloren, toch maakte zij, in haar gracieuse magerte, op

hem een indruk van belangwekkendheid en ongewoonheid; hij vond haar,

al was zij afgevallen, toch schoon met haar holle, donkere kijkers

en haar klein, treurig mondje. Maar hij vergat de honigtaal zijner

brutale galanterie en het verliefde spel zijner onbeschaamde oogen,

nu hij bespeurde hoeveel er in Eline geknakt was. Hij herinnerde zich,

hoe hij haar vroeger steeds gezien had, schitterend van coquetterie en

levensgenot, een parelenden lach op de lippen, en een groot medelijden

vervulde hem bij die herinnering. Hij voelde, dat zij gelijk had,

zoo zij zich eene ruïne van binnen als van buiten noemde.

--Hoe gaat het, Eline? beter dan van middag? vroeg hij en in zijn

stem klonk iets hartelijks, dat haar aan Henk deed denken.

Zij antwoordde hem kwijnend en hij vroeg haar, terwijl hij haar de

sterren, die begonnen te fonkelen, wees, of zij zijn sterrenglobe

nu wilde zien: hij had die des morgens, uit een grooten rommel op

zolder, voor haar opgediept. De sterren konden haar in dit oogenblik

weinig schelen, maar zij wilde hem niet in zijne vriendelijkheid

teleurstellen. Hij haalde dus de globe, zette zich naast haar en

zij richtte zich op in haar stoel. Mevrouw Van Raat zag mijmerend

toe, hoe Paul met heur haakpen Eline de sterrenbeelden wees en de

namen er van noemde. Daarna trachtte Eline in den hemel de beelden

terug te vinden en zij glimlachte, terwijl haar wijsvinger van ster

tot ster lijnen trok. Eline glimlachte en mevrouw mijmerde op dien

glimlach voort. Pauls hartelijkheid voor Eline trof haar, terwijl ze

dien cynischen klank, die satirieke tint in zijn stem, dat luchtig

minachtende in zijn wijze van spreken miste. Vage droombeelden rezen in

haar op; vroeger had zij Eline gaarne de vrouw van Henk zien worden;

thans zag zij in haren geest iets als een onbestemde teederheid

tusschen Eline en Paul.

Verheugd bespeurde zij, hoe Eline minder kwijnend sprak en opgewekter

lachte, nu Paul op leekenmanier de astronomische les voortzette. Eline

moest zich niet vergissen; zij zag op de sterren van de globe neêr, en

naar de sterren aan den hemel zag zij op; ze moest zich dus verbeelden,

dat zij in de globe was...

Paul bleef dien avond thuis, tot mevrouw en Eline om elf uur naar bed

gingen, en mevrouw gaf hem, toen hij vertrok, niet als naar gewoonte

een kort knikje; zij trok hem even bij de hand tot zich en kuste

zijn voorhoofd.

Hoofdstuk XXXI.

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 144 / 188 题