II.

Het was, na een warmen Julidag, een lange, lichte avond en zij

herinnerde zich een dergelijken avond, een paar jaar geleden, op

de Horze. Lang zat zij met mevrouw op de verandah, tot "moesje",

die wat moe was, vroeg naar bed ging. Ook Eline trok zich terug in

hare kamer. Zij sloot hare vensters, ontkleedde zich en legde zich

te bed. De schijn van een nachtlampje blonk zacht over de schaduwen

in het vertrek heen en de valgordijnen voor de deurvensters waren

hel van het licht der rijzende maan. Eline sloot de oogen om te slapen.

Het scheen haar echter, of heur geest, trots die gesloten oogen, in

plaats van in de dofheid der sluimering te zinken, klaarder en klaarder

werd. Een bonte, onlogische dwarreling van gedachten en herinneringen

nevelde in haar op; de eene seconde was zij in Spanje, de volgende

schertste zij met Elize te Brussel, de daarop volgende omhelsde

zij Betsy, die haar met Ben aan de hand tegemoet kwam. De melodie,

die zij te Madrid van een liedjeszangster gehoord had, suisde haar

in de ooren, terwijl een Moorsche ruïne tusschen de oranjeheesters en

citroenboomen even voor haar blik verrees. Een diner bij de Moulangers

flitste haar door den geest, daarna een rijtoer in den avond, in de

omstreken van het kasteel der Des Luynes, daarna eene consultatie

met hare doktoren te Parijs. Het gelaat van een haveloozen bedelaar,

die haar in Nice verschrikt had, zag haar plotseling dreigend aan. En

met iedere seconde wisselde het vizioen van omgeving en van personen.

Zij wierp het laken, dat zij over zich heen had getrokken, van zich

af, want een klam zweet parelde op heur gelaat en op haar hals. Doffe

geluiden troffen de geprikkelde zenuwen van heur gehoor en verschrikten

haar. Haar horloge tikte haar eensklaps hel in het oor, terwijl zij

het eenige minuten te voren in het geheel niet vernomen had; het

hout van een kast kraakte, een nagel scheen zacht over het behang te

krassen. En eensklaps klonk buiten, als een wanhopige kreet van eene

keel, die geworgd wordt, het gekraai van een haan, zoodat Eline's

adem stokte van angst....

Zij wierp zich met een zucht om, opende hare oogen en streek zich

met heure hand de vochtige haren van het voorhoofd. Zij zag vlak

in het glas van haar psyché en in den spiegel viel de weêrkaatsing

van het verlichte valgordijn, als een bleeke schim. Hare muiltjes,

die voor het bed stonden, troffen haar blik en zij verbeeldde zich,

hoe zij zou ontstellen, wanneer zij eensklaps eene hand, van onder

haar bed, ze zou zien weggrijpen. Omdat de schaduwen, die de schijn

van het lampje niet verdreef, als zwarte beesten door de kamer schenen

rond te sluipen, sloot zij opnieuw de oogen.

Maar de slaap daalde niet op ze neder en Eline gevoelde zich, trots de

duisternis voor haar blik, klaar, klaar wakker. Het werd haar zelfs,

of zij steeds wakkerder en wakkerder werd. Het gekraak van het hout

vermenigvuldigde zich, het gekras van den nagel werd scherper en

ieder oogenblik verwachtte zij de beweging der hand te zullen hooren,

die hare muilen wilde grijpen. Het angstzweet brak haar uit, toen zij

de oogen weêr opende en een paar onderrokken op een stoel zag hangen;

het scheen als lag over dien stoel een wit lijk geworpen!

Roerloos, zonder zich zelfs te durven omwenden, bleef zij met

vergroote oogen en open mond op het lijk staren en zij meende, dat

het lijk bewoog....

Het was haar eene verademing van rust en veiligheid, toen zij in de

stilte buiten hare kamer, het geknars hoorde van een sleutel in het

slot der huisdeur. Het was Paul, die thuis kwam.... en zij volgde

zijn stap, dien hij dempte, en die de trap voorzichtig opsteeg, zij

luisterde, hoe hij over het portaal sloop, den knop van zijn deur

omdraaide... Daarna hoorde zij, hoe hij zijn laarzen buiten zette en

de deur sloot. Daarna.... werd alles stil.

Eline vatte eenigen moed uit de zekerheid, dat Paul dichtbij sliep;

zij zag, dat het lijk een hoop rokken was en zij stond in eens vlug

op, nam het lampje en keek onder heur ledekant: er was geene hand te

zien. De lamp, die zij weêr op tafel wilde zetten, deed echter zwarte

beesten, de schaduwen, somber door de kamer krioelen en zij wierp

zich, rillende van vrees, opnieuw in de lauwe, verwarde lakens. En

zoodra zij weêr te bed lag, was de hand er weêr, onder het ledekant.

Hoe zij zich ook dwong aan niets te denken en te slapen, zij bleef

wakker. Sombere vermoedens maakten zich van haar meester. Mevrouw Van

Raat zou spoedig sterven, meende zij, en zij stelde zich voor, in eene

verwarring van onlogische tafereelen, hoe het geschieden zou. Eene

langdurige ziekte, zooals tante Vere gehad had, met booze buien,

die Eline geduldig zou dragen.... of eene plotselinge beroerte,

of een noodlottig toeval: een spoorwegongeluk. Wellicht ook iets

verschrikkelijk dramatisch: een man, die mevrouw in hare jeugd wraak

gezworen had, en die haar nu bij heure grijze haren over den grond

sleepte en met messteken doorstak. Zij zag de oude vrouw zich kreunend

wentelen in haar bloed en zij begon langzamerhand te snikken in hare

gedroomde smart over dien gewelddadigen dood en steunde zachtjes:

--Moesje, o mijn arm moesje!

Zij zou buiten zichzelve zijn van smart; men zou haar van het lijk

wegscheuren, daar zij er zich gillend aan vast zou klemmen. En

plotseling veranderde dat treurspel in een zacht tooneel, vol liefde

en geluk: eene verzoening met Otto die haàr tegemoet kwam, haar aan

zijn borst sloot, en haar kuste. Te zamen, in ééne omstrengeling,

wandelden zij daarna door een Spaansch landschap; maar zij stootte

hem eensklaps van zich af en hij viel aan hare voeten en weende. Toen

hief zij hem bij de hand op: zij stonden op een brug, die hemelhoog

hing te wiegelen over een donderenden waterval, en de stroom ratelde

in hare ooren en hij nam haar in zijn armen en zij sprongen beiden,

moê van hunne smart en van het geruisch der wateren, in den afgrond....

Luid kraaide de haan daarbuiten en Eline schrikte hevig op en richtte

zich overeind. Had zij geslapen, had zij gedroomd? Zij wist het niet;

zij geloofde, dat zij slechts had liggen te mijmeren. Hijgend, klam

van zweet, doorvloeid van een doffe lauwte, met een verschroeide keel

stond zij op, verfrischte zich het gelaat in een natten handdoek,

en dronk een, twee drie glazen water achter elkander. Zij rilde,

niettegenstaande de drukkende benauwdheid van het gesloten vertrek, en

hulde zich in een grijzen wollen peignoir. Toen trok ze een valgordijn

op en zag naar buiten, in de vale lichtheid van den morgen. Het was

halfvier en de haan kraaide en andere hanen kraaiden terug.

De dwarreling harer fantazieën bedaarde in die bleekte van de

ochtendschemering. Daar heur ordeloos bed, waar zij zoolang zich

slapeloos had omgewoeld, haar walgde, liet zij zich neêrvallen op

den Perzischen divan. Door het venster bleef zij op de gekartelde

toppenlijn van eenige kastanjes staren.

In het vertrek viel de morgen binnen en het nachtlampje knetterde,

vlamde heen en weder, doofde uit en walmde.

Eline sliep in, dof, moê en leêg van brein. Het vale, bleeke licht

scheen klaarder en klaarder op heur gelig, wasachtig gelaat.

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 143 / 188 题