Mevrouw Van Raat had dokter Reijer geschreven en Reijer was Eline
komen opzoeken. Zij hadden elkaar als oude kennissen begroet en
over verschillende onderwerpen aangenaam gecauzeerd. Daarbij was
het gedurende die eerste visite gebleven, want Reijer had aanstonds
bespeurd, dat Eline hem in zijne qualiteit van geneesheer zoo min
mogelijk zou dulden. Mevrouw Van Raat, die bij dit bezoek tegenwoordig
was geweest, had geen grooten indruk ontvangen van de degelijkheid
van dat nette doktertje, dat over Spanje en Parijs sprak en slechts
voor de conversatie scheen gekomen te zijn. Toen Reijer twee dagen
daarna zijn bezoek herhaalde, ontving zij hem eenigszins koel. Toch
trof het haar, hoe zijne vriendelijke oogen met een scherpen blik
een oogenblik doordringend op Eline rustten, en daarna met zekere
gemaakte onverschilligheid rondtuurden, of tot Eline opzagen, als
dacht hij aan geheel iets anders, dan aan heure ziekte. En mevrouw Van
Raat verbeeldde zich, dat hij zijne visite maakte, alleen voor dien
éénen, onderzoekenden blik. Wellicht had hij niet meer noodig voor het
oogenblik en wilde hij Eline zoo min mogelijk lastig vallen. Toen liet
mevrouw patiënte en dokter alleen. Reijer steeg hooger in haar gunst,
toen Eline haar, nadat hij vertrokken was, verhaalde, hoe Reijer haar
zeer nauwkeurig had onderzocht. Hij had dan wel spoedig zich meester
van Eline getoond, dacht mevrouw. Zij ried als het ware Reijers vaste
wilskracht onder zijne elegante vormen en wilde nu ook gaarne aan zijn
kennis gelooven. Bij de derde visite, nadat hij Eline verlaten had,
sprak zij hem even alleen. Zij vond hem in dat onderhoud eenvoudig
en beslist. Hij zeide ronduit, dat hij haar niet wilde misleiden,
dat hij haar de waarheid wilde mededeelen. Hij had bij Eline een
kiem van longtering ontdekt, als het gevolg eener zware koude, die
te licht geteld was geworden na een momenteele genezing. Hij zou die
kiem met al zijn wetenschap, al zijn zorg zoeken te verdelgen. Maar
verder zag hij in Eline iets, wat hij het noodlot der familie
kon noemen. Eline's vader had dat gehad, Vincent had dat. Het was
een zielstorende verwarring harer zenuwen, die de verwarde snaren
van een gesprongen en ontredderd speeltuig gelijk waren. Hij wilde
zichzelven niet meer wetenschap toekennen, dan hij bezat, hij vermocht
die snaren niet opnieuw te spannen en te stemmen, tot zij harmonieus
zouden klinken. De fijne vezelen eener bloem, die te ruw beroerd was,
vermocht hij niet frisch sap en kracht toe te voeren. Mevrouw zou dat
zelve beter kunnen dan hij. Zij zou de bloem kunnen verzorgen; zij
zou Eline zóó zacht in liefderijke genegenheid kunnen aantasten, dat
zij snaar voor snaar voorzichtig mocht pogen te herstellen! Kalmte,
genegenheid waren geneesmiddelen, die Eline nu behoefde; verder,
met den winter, een zachter klimaat dan Holland.
En hij sprak zelfs niet over de kinadroppelen, die hij Eline had
voorgeschreven.
Mevrouw Van Raat hoorde hem met tranen in de oogen aan. Toen hij
vertrok, drukte zij hem innig de hand, vol sympathie. Maar de taak,
die hij haar opgelegd had, woog zwaar op haar zwakke schouders, ook
al wilde zij zich aan Eline wijden. Zij vreesde, dat Reijer aan haar
liefde voor het arme kind te groote kracht toeschreef; zij vermoedde,
dat er andere liefde noodig zou zijn om nog melodie aan die ontstemde
ziel te onttokkelen.
Eline echter had zich weder aan Reijer gewend en verlangde tegenwoordig
naar zijne visites.
De dagen gingen haar met zachte rust voorbij. Zij bleef veel thuis,
hoewel Reijer haar steeds aanspoorde te wandelen, vooral in den
vooravond, opdat zij beter slapen zou. Maar zij gaf er de voorkeur aan
met mevrouw op de veranda thee te drinken, neêrgezonken in een grooten,
rieten leunstoel, terwijl zij in het verbleekte blauw van den hemel de
sterren een voor een zag ontluiken, als heldere madeliefjes. Zij sprak
niet veel, want mevrouw stuitte haar altijd vriendelijk in de vaart
harer zenuwachtig voorthollende verhalen en zij vond het heerlijk,
zoo gestuit te worden en zweeg lang stil, hare oogen steeds naar de
sterren gericht; Paul dronk soms, op de ballustrade gezeten, even
een kopje meê, en hij leerde haar achteloos een paar sterrebeelden:
den Groote Beer, Cassiopeia, de Lier; hij zou haar morgen eens zijne
sterrenglobe toonen. Wanneer hij dan vertrokken was, zocht zij die
beelden opnieuw in den hemel op en het was haar, als goten zij een
zachten glans in hare ziel uit.