II.

Georges en Lili waren sedert een maand in hun huisje en wanneer

Georges des morgens naar Buitenlandsche Zaken ging, wanneer het

eerste ontbijt was opgeruimd, scheen het Lili toe, dat zij nooit

klaar zou komen met haar huishouden. Ten minste, zij verbeeldde het

zich en zij gevoelde zich gelukkig met die illuzie, en sprak ernstig

over haar drukte, wanneer Marie haar plaagde met haar poppenhuis en

met Fine, hare oude zure keukenprinses. Maar Lili liet haar plagen

en beijverde zich dat poppenhuis steeds liever te maken, opdat haar

Georges er zich behagelijk zou gevoelen. Haar bezigheden hadden al

de bekoring van het nieuwe en zij verwonderde zich er zelve over,

hoe zij van een droomerig meisje, wier grootste genot geweest was

bij het vlammende vuur of onder de kastanjes in den tuin te zitten

mijmeren, tot een werkzaam vrouwtje herschapen was, dat altijd wat

te doen had. Zij was wel wat bang voor de oude meid, die mama haar

gehuurd had, maar zij oefende zich met zulk een diplomatischen tact

in hare beraadslagingen over het eten en het huiswerk, dat zij hare

vrees geheel wist te verbergen, zonder in aanmatigende bedilzucht te

vervallen. Zij streelde Fine's ijdelheid door telkens haar raad te

vragen en aandachtig naar hare uitweidingen te luisteren, zoodat na

enkele weken de zure uitdrukking van Fine's boos, gerimpeld gezicht

reeds vervangen werd door een weltevreden trekje, alsof het jonge

mevrouwtje haar zeer was meêgevallen. Het was toch een vriendelijk,

verstandig kind, meende Fine, die het heel aardig vond, als het "kind"

in de keuken kwam en haar vroeg, hoe zij vleesch braadde en groenten

stoofde en of zij alles had, wat zij behoefde, en of zij nog een

bijzondere pot of pan moest hebben. Des middags, wanneer Lili haar

moeder bezocht of deze met Marie tot haar kwam, vroeg zij mama raad

over tallooze huishoudelijke onderwerpen, tot groote wanhoop van Marie,

wie het niets interesseerde, hoeveel mama voor de eieren betaalde en

hoeveel boter zij in de week verbruikte. Mevrouw Verstraeten prees Lili

echter, en beweerde, dat het wel gaan zou, al was Lili nog een kind.

En waarlijk, het ging ook. Lili debuteerde als jeugdig vrouwtje

met groot succes. Zij gevoelde zich weldra geheel en al thuis

in hare kleine wereld, waarin zij zich, bij de liefde voor heur

man, koesterde als in een zacht egoïsme. Hij, Georges, voelde dat

egoïsme ook al meer en meer zijn gemoed vullen, voelde dat er voor

hen spoedig niet veel meer bestaan zou buiten den kleinen kring

van hun dagelijksch leven. Zij gingen weinig uit op de invitaties

hunner kennissen, vreezende, dat zij hierdoor tot eene levenswijze

werden verlokt, die niet aan hunne middelen zou passen. Zij bleven

dus 's avonds zeer veel thuis en dronken thee in hun klein tuintje,

dat er nog kaal uitzag, maar waarvan zij zich de illuzie schiepen,

dat het den volgenden zomer groen en geurig zou wezen. Kwamen zij

een zeer enkelen keer te Scheveningen, op het Kurhaus, dan groetten

hunne kennissen hen met een verbaasd knikje.

--Hé, daar hadt je De Woude met zijn wijfje! Waar zaten die menschen

toch den geheelen dag; ze vertoonden zich nergens! Enfin, ze waren

zeker nog verliefd, je zag dat meer bij die heele jonge paartjes!

Maar ze vormden toch een aardig spannetje, beiden zoo tenger en fijn:

als men het niet wist, zou men nooit gezegd hebben, dat ze getrouwd

waren!

En zij gingen, tenger en fijn, geheel onbewust, dat men hen "een aardig

spannetje" noemde, door het leven, tevreden met hunne eenvoudige,

ietwat minime gedachten en illuzies, een weinig oppervlakkig en

klein van ziel, verloren in hun egoïsme voor elkander, maar gelukkig,

als twee jonge vogels, die elkander in de lente gevonden hebben en

niets anders verlangen dan elkaârs liefde, welke hun nestje geheel

en al vult.

Hoofdstuk XXX.

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 141 / 188 题