Georges en Lili waren sedert een maand in hun huisje en wanneer
Georges des morgens naar Buitenlandsche Zaken ging, wanneer het
eerste ontbijt was opgeruimd, scheen het Lili toe, dat zij nooit
klaar zou komen met haar huishouden. Ten minste, zij verbeeldde het
zich en zij gevoelde zich gelukkig met die illuzie, en sprak ernstig
over haar drukte, wanneer Marie haar plaagde met haar poppenhuis en
met Fine, hare oude zure keukenprinses. Maar Lili liet haar plagen
en beijverde zich dat poppenhuis steeds liever te maken, opdat haar
Georges er zich behagelijk zou gevoelen. Haar bezigheden hadden al
de bekoring van het nieuwe en zij verwonderde zich er zelve over,
hoe zij van een droomerig meisje, wier grootste genot geweest was
bij het vlammende vuur of onder de kastanjes in den tuin te zitten
mijmeren, tot een werkzaam vrouwtje herschapen was, dat altijd wat
te doen had. Zij was wel wat bang voor de oude meid, die mama haar
gehuurd had, maar zij oefende zich met zulk een diplomatischen tact
in hare beraadslagingen over het eten en het huiswerk, dat zij hare
vrees geheel wist te verbergen, zonder in aanmatigende bedilzucht te
vervallen. Zij streelde Fine's ijdelheid door telkens haar raad te
vragen en aandachtig naar hare uitweidingen te luisteren, zoodat na
enkele weken de zure uitdrukking van Fine's boos, gerimpeld gezicht
reeds vervangen werd door een weltevreden trekje, alsof het jonge
mevrouwtje haar zeer was meêgevallen. Het was toch een vriendelijk,
verstandig kind, meende Fine, die het heel aardig vond, als het "kind"
in de keuken kwam en haar vroeg, hoe zij vleesch braadde en groenten
stoofde en of zij alles had, wat zij behoefde, en of zij nog een
bijzondere pot of pan moest hebben. Des middags, wanneer Lili haar
moeder bezocht of deze met Marie tot haar kwam, vroeg zij mama raad
over tallooze huishoudelijke onderwerpen, tot groote wanhoop van Marie,
wie het niets interesseerde, hoeveel mama voor de eieren betaalde en
hoeveel boter zij in de week verbruikte. Mevrouw Verstraeten prees Lili
echter, en beweerde, dat het wel gaan zou, al was Lili nog een kind.
En waarlijk, het ging ook. Lili debuteerde als jeugdig vrouwtje
met groot succes. Zij gevoelde zich weldra geheel en al thuis
in hare kleine wereld, waarin zij zich, bij de liefde voor heur
man, koesterde als in een zacht egoïsme. Hij, Georges, voelde dat
egoïsme ook al meer en meer zijn gemoed vullen, voelde dat er voor
hen spoedig niet veel meer bestaan zou buiten den kleinen kring
van hun dagelijksch leven. Zij gingen weinig uit op de invitaties
hunner kennissen, vreezende, dat zij hierdoor tot eene levenswijze
werden verlokt, die niet aan hunne middelen zou passen. Zij bleven
dus 's avonds zeer veel thuis en dronken thee in hun klein tuintje,
dat er nog kaal uitzag, maar waarvan zij zich de illuzie schiepen,
dat het den volgenden zomer groen en geurig zou wezen. Kwamen zij
een zeer enkelen keer te Scheveningen, op het Kurhaus, dan groetten
hunne kennissen hen met een verbaasd knikje.
--Hé, daar hadt je De Woude met zijn wijfje! Waar zaten die menschen
toch den geheelen dag; ze vertoonden zich nergens! Enfin, ze waren
zeker nog verliefd, je zag dat meer bij die heele jonge paartjes!
Maar ze vormden toch een aardig spannetje, beiden zoo tenger en fijn:
als men het niet wist, zou men nooit gezegd hebben, dat ze getrouwd
waren!
En zij gingen, tenger en fijn, geheel onbewust, dat men hen "een aardig
spannetje" noemde, door het leven, tevreden met hunne eenvoudige,
ietwat minime gedachten en illuzies, een weinig oppervlakkig en
klein van ziel, verloren in hun egoïsme voor elkander, maar gelukkig,
als twee jonge vogels, die elkander in de lente gevonden hebben en
niets anders verlangen dan elkaârs liefde, welke hun nestje geheel
en al vult.
Hoofdstuk XXX.